+ Meer informatie

Een kind van je tijd

Feest van herkenning op tentoonstelling

15 minuten leestijd

„Toen ik jong was..." Ik hoor het vader en moeder nog zeggen. En opa en oma. "Wij hoepelden op straat, er waren nog haast geen auto's." „Mama had maar één pop, en daar was ze heel zuinig op." „Mijn moeder naaide al mijn kleren zelf." Later scheepte ik er ook mijn kinderen mee op. Straks komen mijn kleinkinderen aan de beurt. Zo is iedereen een kind van zijn tijd. Wie dat niet wil geloven, kan het gaan zien. Lopend door de straten van de tentoonstelling "Een kind van je tijd" beleeft de oudere zijn jeugd opnieuw en ziet de jongere hoe vader en moeder, opa en oma kind zijn geweest.

Aan het begin van de museumstraat staat de bezoeker oog in oog met de 99-jarige oma Pietertje. Ze verdwijnt bijna in de grote rode stoel met de brede zijstukken. Uit haar blik spreekt de vraag: Ken ik u? Ze zegt niets. Maar even later laat ze in de krakende, stomme film haar jeugd aan ons voorbijgaan. Ze wordt geknuffeld en gekust door haar twee zusjes die op een bankje strijden wie haar vast mag houden. Pietertje wordt groter. Ze speelt glijbaantje van de dijkhelling. Ze holt van het strand de zee in. Ze loopt mee in de processie op Palmpasen. Ze speelt op de kermis en later zien we haar met vriendinnen en zelfs met een vriendje. Dan houdt oma Pietertjes jeugd op. Het is inmiddels 1920. Het eerste deel van een soort straat in de tijd zit erop. Er volgen nog vier straten. Alle vijf straten zijn op overzichtelijke wijze verdeeld in een viertal perioden: 1900-1920, 1920-1940, 19401970 en 1970 tot heden. Per tijdvak komen aspecten van het kinderleven aan bod aan de hand van thema's als onderwijs, school, geloof, kleding en mode, gezondheid, eten en drinken, speelgoed, spelletjes, verzamelingen en rages. Alle thema's zijn in een groot aantal etalages uitgebeeld. Van elke periode illustreert een compleet interieur de leefomgeving van het kind: een woonkeuken anno 1910, een schoollokaal  van 1930, een snoepwinkeltje anno 1955 tot en met een moderne tienerkamer van nu, kers, houten compleet met tv en spelcomputer. Omdat iedere volwassene van nu ooit kind is geweest levert de expositie een feest van herkenning voor bezoekers van elke generatie. Een flinke portie nostalgie doet de rest.

Leerplichtwet
Een eeuwwisseling vormt altijd aanleiding om terug te zien, of, anders gezegd, om de balans op te maken. De nieuwe eeuw begint met voor het kind goede vooruitzichten. De ergste vormen van kinderarbeid zijn rond 1900 verdwenen. In 1900 pleitte de Zweedse pedagoge Ellen Key in haar boek "De Eeuw van het Kind" voor meer aandacht voor kinderen. Scholen deelde zij daarbij een grote rol toe: De school moet niet alleen dorre kennis bijbrengen, maar de jongeren vooral voorbereiden op "het leven". In datzelfde jaar nam de Tweede Kamer de Leerplichtwet aan, zij het met de kleinst mogelijke meerderheid. Ieder kind moet nu een aantal jaren naar school. Kinderarbeid is nu voorgoed van de baan. Een belangrijke vernieuwing is het door Jan Ligthart bepleite "zaakonderwijs", dat kinderen inderdaad moest voorbereiden op "het leven". Bij haar bezoek aan Nederland uit Ellen Key dan ook haar bewondering voor wat Ligthart in zijn school aan de Haagse Tullinghstraat tot stand heeft gebracht. Samen met H. Scheepstra en de illustrator Cornelis Jetses zorgde Ligthart ook voor een nieuwe frisse aanpak van het leesonderwijs met het leesplankje van "Aap-Noot-Mies", de bijbehorende boekjes en de vertelselplaat. In deze periode verschijnt een aantal kinderboeken die gedurende de rest van de eeuw populair zullen blijven: Pietje Bell, Niels Holgersson, Paddeltje en Katjangs. Dik Trom is in 1900 al 9 jaar oud!

Pokkenbriefje
Een groot deel van de bevolking leeft nog in slechte hygiënische omstandigheden, vaak met veel mensen in een te kleine ruimte. Vlooien en luizen zijn in veel gevallen huisdieren. Ze worden te lijf gegaan met een netenkam. Mede door de slechte voedselsituatie is er een aanzienlijke kindersterfte. De belangrijkste volksziekte, tbc, eist in 1900 nog 250.000 slachtoffers per jaar. In 1920 zijn het er 150.000. Er verandert dus wel iets ten goede, onder andere door de verbetering van de drinkwatervoorziening, het stichten van consultatiebureaus en de actieve bestrijding van tbc. De voedselvoorziening wordt beter. Nutricia Kindermeel komt op de markt. De kleintjes worden gezond groot. In de keuken achter een van de vitrines klinkt het stemmetje van Mientje. Ze leert van moeder koken. Vlees eten ze deze avond niet. Het wordt gortepap. Maar Mientje heeft helemaal geen zin in gortepap. Moeder bestraft haar. „Je eet maar wat de pot schaft. Veel kinderen hebben veel minder te eten." Mientje leert aardappelen schillen. Opnieuw leest moeder haar de les. ,Je mag wel wat dunner schillen hoor Mientje. Het hoeven geen blokjes te worden." Het duurt Mientje allemaal te lang. „Wanneer gaan we nu eten, moeder? Ik heb honger." „Honger Mientje? Hou op! Je weet niet wat honger is. Je hebt trek!", zegt moeder. Achter een van de ramen prijkt het beruchte pokkenbriefje, resultaat van de in 1872 ingevoerde vaccinatiedwang. Wanneer een kind niet over zo'n briefje beschikte, mocht het niet naar school. Pas in 1928 zou het pokkkenbriefje worden afgeschaft, nadat bij een aantal kinderen hersenvliesontsteking was geconstateerd. De toenemende belangstelling voor het kind vindt zijn weerslag ook in de kleding. Hierbij is de invloed van de in Engeland ontstane Reformbeweging te merken. Deze bepleit doelmatige en gemakkelijk zittende kleding voor vrouwen en meisjes. Door de kinderen niet te dik aan te kleden kan de weerstand verhoogd worden en ook de "wasbaarheid" speelt een rol. In deze tijd zijn het "norfolk-pakje" voor jongens en het schort voor meisjes de meest kenmerkende kledingstukken.

Speelgoed
Industrieel vervaardigd speelgoed wordt steeds belangrijker, al is dat zeker niet voor alle kinderen weggelegd. De teddybeer begint vanaf 1903 zijn zegetocht over de wereld. Poppen en poppenmeubeltjes zijn er in alle mogelijke uitvoeringen, van de zelfgemaakte pop van restjes stof tot de dure producten van bijvoorbeeld Kathe Kruse. Voor jongens zijn er Anker-bouwdozen en tinnen soldaatjes. In de rijkere miheus kunnen kinderen zich vermaken met de toverlantaarn, het schimmenspel of de stoommachine. Op straat is nog ruimte om te knikkeren, te bikkelen ofte hoepelen. Echte "rages" bestaan in deze periode nog niet, maar er worden wel verzamelingen aangelegd: postzegels, sluitzegels, uitgeblazen vogeleieren en lucifermerken. Bij allerlei producten zijn ook plaatjes te krijgen die in speciale albums kunnen worden geplakt. De oudste albums van Verkade zijn van 1903 en 1905. Op school bereiden de breiwerkjes de meisjes voor op hun latere taak. Letterlap, merklap, stoplap, inktlap, verstellap, haakwerkjes en het poppenmutsje, het is er allemaal. Schrijven leren de kinderen met de kroontjespen en de griffel. Rekenen gebeurt met behulp van het telraam.

Vernieuwingen
De periode 1920-1940 brengt een economische crisis. Dat betekent voor tallozen ellende. Totalitaire bewegingen steken de kop op. Advertenties wekken de indruk dat er welvaart heerst, maar de werkelijkheid is anders. Hoewel confectiekleding in opmars is, is die voor de meesten onbetaalbaar. De kwaliteit was soms navenant. Ik hoor vader nog zeggen dat hij met zijn korte broek niet in de regen mocht lopen. Het ding zou zover krimpen dat hij hem niet meer aan kon. Veel kinderkleding wordt thuis vervaardigd, hetzij door de moeders, hetzij door "de naaister aan huis". Truien worden gebreid en weer uitgehaald om de wol opnieuw te kunnen gebruiken. Het matrozenpak wordt populair. Jongens lopen het hele jaar in korte broek. De plusfours komen in de mode. Tot ongeveer 1950 zijn ze populair. In mijn kinderjaren werden ze uitgescholden voor "drollenvangers". Met de komst van de schoolarts komt er nieuwe aandacht voor het kind. De Wet op het Lager Onderwijs (1920) stel nieuwe regels voor het Buitengewoon Onderwijs voor kinderen met een of ander gebrek. Door de crisis wordt ook het onderwijs geplaagd door steeds weer nieuwe bezuinigingen. Een crisisverschijnsel is de "kwekeling met acte"; een volledig bevoegd onderwijzer, die tegen een hongerloontje mag werken. Op het gebied van onderwijsvernieuwing gebeurt het nodige; Maria Montessori, Rudolf Steiner (Vrije School) en Helen Parkhurst (Daltonschool) geven nieuwe richtingen aan. Nieuwe gezichten in de kinderliteratuur zijn: Kruimeltje, Peerke en zijn kameraden en de Scheepsjongens van Bontekoe. Voor de kleintjes is er Okkie Pepernoot, Daantje en Pinkeltje. Uit deze tijd komt ook het eerste stripverhaal: Tripje, spoedig gevolgd door Pijpje Drop, Bulletje en Bonestaak en Sjors van de Rebellenclub. Oranje boven is veelvuldig aan de orde. De jubilea van koningin Wilhelmina in 1923 en 1938 worden op grootse wijze gevierd. Het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernard in 1937 brengt velen op de been. In 1938 is het opnieuw groot feest wanneer prinses Beatrix wordt geboren.

Piggelmee
Op straat zijn de tol, touwtjespringen en haasje-over (bokkie springen) in. Binnen zijn er de speelgoedsoldaatjes, tanks en kanonnen. Zeer populair wordt meccano, dat ook op allerlei manieren geïmiteerd wordt. De "rage" komt langzaam op gang. Een tijdlang zijn de zogenaamde "zijdjes", die bij tabaksartikelen verstrekt worden, een gewild verzamelobject. In 1933 is dat afgelopen, omdat bij rookwaren geen cadeautjes meer mogen worden gegeven. Jongens gaan sigarenbandjes sparen. Meisjes hebben hun poëziealbum. Dan komt Piggelmee, het reclamefiguurtje van Van Nelle. „Visje, visje in de zee. Hier is dwergje Piggelmee." Piggelmee woont met zijn vrouwtje in een keulse pot. Maar hij wil een steeds groter huisje. Het visje in de zee zorgt ervoor. Piggelmee krijgt een echt huisje. Maar Piggelmee wil steeds meer. Hij is nergens meer tevreden mee. Het visje in de zee straft hem. Neemt hem zijn huisje weer af en Piggelmee moet terug naar zijn keulse pot. Een verhaaltje met een moraaltje. In een vitrine prijkt een echte schoolbank, mèt leerling, mèt inktpot. Kennelijk heeft de jongen straf Hij moet 'tig' keer overschrijven wat er op het schoolbord geschreven is: Ik mag geen vlechten in de inktpot doen.

Na-oorlogse tijd
De Duitse bezetting is de inzet van de periode 1940-1970. Het brengt armoede en terreur. Besmettelijke ziekten en voedselgebrek zorgen voor "ondergewicht" en groeistoornissen. Vrijwel alles is op de bon. Gebrek aan lesmateriaal brengt de griffel weer terug. Scholen moeten sluiten als gevolg van gebrek aan brandstof Gymnastieklokalen worden ingericht als uitdeelposten voor de gaarkeuken. De bevrijding is een groot feest. Maar het nationale feest bij uitstek blijft Sint Nicolaas. Na de oorlog verschijnen de zelfbedieningswinkels. Voor die tijd was het de kruidenier op de hoek. In het winkelboekje werden de boodschappen opgeschreven. Tbc komt in de jaren '70 vrijwel niet meer voor. In 1973 wordt de mantoux-test op school afgeschaft. Maar dan is er weer de slechte toestand van de kindergebitten die zorgen baart. Onder begeleiding van reclameacties wordt fluor aan de tandpasta toegevoegd. De jeugd wordt opgewekt om vooral veel melk te drinken. Kinderen kunnen daardoor de status van 'Melk-brigadier' verwerven. Er verscheen zelfs een plastic grammofoonplaatje met het lied "Wij zijn de M-brigadiers". Veranderingen in het modebeeld komen langzaam op gang. Plusfours verdwijnen. Oudere jongens dragen voortaan een lange broek. Monty-coat of houtje-touwtjejas komen in zwang. Voor meisjes komt de petticoat. De spijkerbroek die zijn intree doet wordt nog geruime tijd met argwaan bekeken. Op sommige scholen is het dragen ervan zelfs verboden. In de jaren '60 komen minirok en T-shirt in de mode. Boeken over de oorlog en de bezetting komen in zwang. K. Norel wordt veel gelezen. Voor de kleintjes zijn er nieuwe gezichten als Jip enjanneke, Saskia en Jeroen, Paulus de Boskabouter, Pippi Langkous en Nijntje.

Rage
Het stripverhaal is niet meer te stuiten: Tom Poes, Kapitein Rob, Erik de Noorman en de uit België overgekomen Suske en Wiske en Kuifje. Later verschijnen nieuwe striphelden als Asterix, Jan Jans en de kinderen en Billy Turf. Vanaf 1960 worden nieuwe scholen gebouwd volgens moderne principes. Ruime lokalen met veel ramen. De oude tweepersoons schoolbanken worden vervangen door tafels en stoelen. De speelgoedmarkt komt in opmars. De poppen van de meisjes worden steeds mooier. In 1959 komt het beroemde Barbiepopje uit Amerika overwaaien. Inmiddels is het 800 miljoen maal verkocht. Na de meccanodozen komen ook de geïmporteerde speelgoedautootjes van Dinky Toys. En het van oorsprong Deense Lego verovert de harten van de jongens, op de voet gevolgd door robots en ruimteschepen. Postzegels en sigarenbandjes zijn nog steeds in, evenals plaatjes van voetballers en andere sporthelden. In 1940 verscheen het laatste Verkadealbum. Tien jaar later wordt "Het snoepje van de week" van de firma de Gruyter een begrip. Het gaat daarbij niet zozeer om het snoepje alswel om het speeltje dat erbij verstrekt wordt. De rage krijgt werkelijk betekenis. Voor speldjes en sleutelhangers wordt half Nederland aangeschreven. De in de oorlog verboden padvinderij krijgt na de bevrijding een enorme toeloop. De door padvinders ondernomen actie "een heitje voor een karweitje" wordt een begrip.

Patatgeneratie
In de jaren zeventig en tachtig is de welvaart op zijn hoogtepunt. Nog nooit zijn de kinderen zo goed gevoed, krijgen ze zo vaak nieuwe kleding en hebben ze zoveel speelgoed. De commercie heeft in het kind de nieuwe consument gevonden en overspoelt het met steeds meer reclame. Goede hygiëne is vanzelfsprekend geworden, terwijl de aandacht voor goede lichaamsverzorging óf overdreven wordt óf neigt naar verwaarlozing. Badkamer en/of douche ontbreekt vrijwel nergens meer. Maar nog altijd steken vlo en luis van tijd tot tijd de kop op. We gaan internationaal eten. Nasi, bami, saté, pizza en loempia komen in de plaats van de Hollandse pot van aardappelen, groenten en vlees. Ze zijn gemakkelijk in de magnetron op te warmen. Fast-foodzaken schieten als paddestoelen uit de grond, met MacDonald's als absolute topper. Lang niet iedereen maakt zich zorgen over de 'mayonaisecultuur' en de 'patatgeneratie'. Aan kleding wordt per kind gemiddeld 75 gulden per maand uitgegeven. Modetrends volgen elkaar in snel tempo op: bodywarmers, joggingpakken en sportschoenen waarvan de veters bij voorkeur los moeten hangen. Het baseballpetje draag je liefst achterstevoren. De tv wordt het machtigste medium. Zelfs op de tienerkamer behoort deze tot het meubilair. De tiener maakt van zijn of haar kamer een idolenhol. Grote platen van popsterren sieren de muur. In 1985 komt de basisschool. Geen onderscheid meer tussen kleuterschool en lagere school. De sterke toename van het aantal allochtone kinderen vereist bepaalde aanpassingen. Computerspelletjes zijn de gewoonste zaak van de wereld. We stappen de wereld van het kind uit. Op straat verschijnen de rollerskates en mountainbikes. De laatste echte rage is die van de flippo's, waarvoor zelfs de zakken chips in de schappen van de winkels worden gestript. De tentoonstelling eindigt met een vitrine die de veelzeggende titel "Hebben... hebben... hebben!!!" heeft meegekregen.

Verbeteringen?
Een feest van herkenning, deze tentoonstelling; jawel, maar toch met een kritische ondertoon. Zijn al die veranderingen ook echt verbeteringen geweest? De meeste Nederlanders zijn bij het begin van de eeuw nog aangesloten bij een kerkgenootschap. De hervormde en gereformeerde kerken zijn de belangrijkste stromingen binnen het protestantisme. In de huiskamers zijn gewoonlijk genoeg voorwerpen te vinden die kinderen herinneren aan de kerk. De plaat van de smalle en de brede weg is er zo een. Veel kinderen bezoeken de zondagsschool. De plaatjes die verworven worden bij de opgezegde versje zeggen tal van kinderen nu nauwelijks meer iets. Het afscheidslied van de zondagsschool noemde een grote vent die vlak voor mij voor de vitrine stond belachelijk. "U, die voor 't laatst nog voor ons staat. Maar weldra van ons henen gaat, U zij ons dankend lied gewijd, Voor al uw hulp en vriend'lijkheid." „Dat khnkt of het uit de vorige eeuw komt", aldus het onderwijzerstype. Inmiddels is de islam de op één na grootste allochtone religieuze groepering in ons land, op de voet gevolgd door het hindoeïsme en de moslims. Welk kind bekommert zich daarom?

De tentoonstelling "Een kind van je tijd. Het kind in de 20e eeuw" is tot en met november te zien in het Museen in Den Haag. Geopend di. t/m vr. van 10 tot 17 uur en zat. van 12 tot 17 uur.
Meer informatie: 070 338 1338.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.