Bekijk het origineel

...en niet verteerd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

...en niet verteerd

6 minuten leestijd

„En hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd." Exodus 3:2b

Mozes is in ons teksthoofdstuk al bijna veertig jaar in Midian en nu horen wij waarmee hij zich dagehjks bezighoudt: het hoeden van de kudde van zijn schoonvader. Mozes, eertijds een rijke, veelbelovende prins in Egypte, een jonge generaal met een lokkende toekomst, is nu een grijze schaapherder. Wat een degradatie! Mozes, jarenlang onderwezen in al de wijsheid der Egyptenaren, is hier in de stilte der woestijn op de leerschool van de Heilige Geest. Volgens zijn vroegere leermeesters was Mozes' opleiding voltooid toen hij veertig jaar was en gezien zijn optreden in het vorige hoofdstuk meende Mozes zelf dat hij toen in staat was zijn volksgenoten van het slavenjuk te bevrijden. Doch de Heere Zelf wordt veertig jaren lang zijn Onderwijzer. Waarom? Wel, Mozes had wel veel geleerd, doch hij moest nog heel veel afleren, namelijk zijn hoogmoed, vertrouwen op eigen kracht en inzicht. Alleen met de schapen, alleen met God wordt hij door de Heere bekwaamd, onderwezen in al de wijsheid Gods. Zo wordt hij ook geschikt gemaakt om straks Gods volk door deze woestijn te leiden: elke oase, iedere bron, elke gevaarlijke en verraderlijke plaats leert hij kennen. Doch ook innerlijk wordt hij gevormd: Mozes, de driftkikker, moet de meest zachtmoedige man van de aardbodem worden (Num. 12:3).
Wat werkt God eenvoudig, want als je met schapen kunt omgaan -wat een eigenzinnige beesten- kan je het ook met mensen.
Zo komt Mozes ook achter de woestijn bij de berg Gods, Horeb. En daar verschijnt de Engel des HEEREN aan hem. De HEERE verschijnt wel op een zeer wonderlijke wijze aan hem: terwijl hij de schapen hoedt, wordt zijn aandacht getrokken door een helder licht, vlammen. Nu was dat op zichzelf niets ongewoons; tegen de berghellingen aan groeiden tal van struiken. Vele door watergebrek verdord en dood. Het kwam vaak voor dat door de schroeiende en gloeiende zonnestralen zo'n struik vlamvatte. Neen, de aanwezigheid van het vuur was niet zo verwonderlijk, maar het brandde zo lang. En toen Mozes naderde en nauwlettend keek, zag hij dat de braambos wel brandde in het vuur, maar dat de takken en doornen niet verteerd werden.

Met dit beeld gaat God Mozes en ons onderwijzen. De braambos met zijn doornen is het beeld van de zonde en de gevolgen daarvan. In het paradijs waren er geen doornen; maar vanwege de vervloeking Gods van de mens bracht de aarde doornen en distelen voort (Gen. 3:18). Het braambos (doornenbos) is ook het beeld van de vergankelijkheid van de mens. Dat de woestijn er is, is ook onze schuld. Die hebben wij door ons verbond met satan gemaakt van de oorspronkelijke lusthof die de aarde was. „Achter de woestijn", daar bevinden wij ons allemaal naar Gods rechtvaardige straf.
Het braambos staat in brand! Het vuur, beeld van de gloed van Gods majesteit en heiligheid. Vuur en braambos: het is maar een ogenblik, want een dor doornbos verdraagt het vuur niet. Maar, o wonder, zie nu hier: De vlam is in de doornstruik, maar deze wordt niet verteerd. De heilige God, Die een verterend vuur is (Hebr. 12:29), woont in het midden van een zondig volk, en dit wordt niet verteerd! Hoe kan dat? Wel, dat geheim wordt ons in de verzen 24 en 25 van het vorige hoofdstuk verteld: ...en God kende hen. Het eenzijdige van het kennen Gods! Hij weet wat van Zijn maaksel zij te wachten. Nochtans is Hij in het midden van Zijn schuldig volk, niet om ze weg te doen, te verteren, maar om ze te louteren, om weg te doen wat in strijd is met Zijn heiligheid. Zie, dat God Zich openbaarde in het paradijs, dat is te verstaan. Maar dat Hij Zich hier openbaart, achter de woestijn. Dat is alleen te verstaan omdat daar de Horeb, de Sinaï, ligt, de berg Gods. Daar zal Hij Zich straks openbaren als: Ik ben de HEERE, uw God! En zó, als de God van Sinaï, gaat Hij het hoge voorbij en wat in eigen oog nog iets is, maar aan het lage, zondige en nietige wil Hij Zich openbaren.

Welk een vertroosting voor hen die zich kennen als enkel maar dragers van doornen en distelen. Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont (Rom. 7:18). Hoe kan Gods kind zich verwonderen: eigen verdorvenheid, een boos hart, tot het goede totaal onbekwaam... Hoe ooit gemeenschap met een heilig God? Hoe ooit? Achter Horeb verschijnt een andere berg. O, 't is maar een heuvel, Golgotha. Daar zal eenmaal de Engel des HEEREN zich geven. Zich begeven in de gemeenschap met de God van Horeb. Dan zal het vuur van Gods toorn vanwege Israëls zonden Hem vinden en gans verteren. Dan kent de rechtvaardige God Zijn eigen kind niet meer als de Reine, want dan is Hij beladen met de zondenschuld van al de Zijnen. Ook de zonden van u, van jou? Aan God ligt het niet, want dit offer is „overvloediglijk genoegzaam tot verzoening van de zonden der ganse wereld" (D.L. II-3). Zijn doorboorde handen zijn heden nog naar u en jou uitgestrekt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 16 oktober 1996

Terdege | 95 Pagina's

...en niet verteerd

Bekijk de hele uitgave van woensdag 16 oktober 1996

Terdege | 95 Pagina's

PDF Bekijken