+ Meer informatie

Prediker zonder compromis

Lambertus Ledeboer

10 minuten leestijd

Onder de predikanten van de negentiende eeuw neemt ds. L. G. C. Ledeboer een opvallende plaats in. Zowel in de predikantenlij sten van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland als in die van de Oud Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Gemeenten wordt zijn naam vermeld. Had hij dan zo weinig kerkelijk besef of was hij juist principieel in dit opzicht?

Lambertus Gerardus Cornelis Ledeboer wordt op 30 september 1808 in Rotterdam geboren als zoon van de vermogende koopman Bernardus Ledeboer, een van de oprichters van het Nederlands Zendelinggenootschap en het Nederlands Bijbelgenootschap, en Anna Christina van den Ende. Hij zal, evenals anderen uit het geslacht Ledeboer voor hem, theologie gaan studeren.
In Leiden houdt Lambertus zich verre van de uitspattingen in zedelijk opzicht waaraan verscheidene studenten zich schuldig maken. Hij is verder geen bijzonder goede studentjaren later zal een van zijn hoogleraren J. Clarisse, aan zijn vader schrijven: „Dikwerf heb ik hem, toen hij hier was, en zijne studiën in dezelfde onorde dreef, waarin ik zijne boeken in de kasten heb zien staan, gewaarschuwd, teregt gewezen, opgewekt, enz. Maar tevergeefs." Verder is de hoogleraar op de hoogte van eigenschappen die ook anderen opgevallen zijn, namelijk „het mijmeren in het duistere, het opvolgen van invallen, het opwerpen van zonderlinge vragen, bedenkingen en voorslagen".

Bekering
In 1834, het jaar van de Afscheiding, is Ledeboer proponent. Vier jaar bereidt hij zich voor op het predikambt. In 1838 wordt hij in Benthuizen bevestigd. Daar komt het tot een ingrijpende verandering.
Zelf zal hij er later met de volgende woorden over schrijven in zijn "'s Heeren wegen gehouden met eenen alles verbeurd hebbenden zondaar" (1843): „Het eerst bepaalde mij de Heere bij mijn gemis, hoe ik een hemel zocht zonder Christus, hoe ik onwedergeboren was; niet verstond: mijn leven is in Christus verborgen bij God, mijn onmacht niet kende en wat ik anderen geleerd had, zelf moest leren... Ik zag mijn afstand van de Heere en hoe ik zonder Christus' bloed en geest geen gemeenschap met de Vader hebben kon... Drie dagen en drie nachten lag ik te wachten in die toestand, hulpeloos en reddeloos op Gods geest en Gods bloed... Daarna liet de Heere mij bij het gezicht van schuld om genade roepen, bracht mij bij Christi lijden, maar ik was ongered en onverzoend, dood in zonden en misdaden. Ik at of dronk ganselijk niet... Mijn verstand moest gevangen genomen worden, dat moest ik verliezen... De Heere overwon... Het was op een maandagmorgen, dat ik alleen op mijn kamer was, het plekje weet ik, dat ik na alle die worstelingen en afwachtingen in mijn schuld gezet werd en uitroepen moest, gelijk dit maar eens in zijn leven alzo geschiedt, met de tollenaar, die ik zelf daar was: o God, zijt mij arme zondaar genadig. Bekeer mij, mijn vader, mijn moeder, mijn broers en zusters. Amen... Daarop zonk ik ter aarde en meende te sterven en zo de adem uit te blazen. Toen was het uurtje der minnen en werd hier bevestigd, wat er van de tollenaar geschreven staat: En hij ging af, gerechtvaardigd in zijn huis... Geen zondige gedachte kwam er drie weken (meen ik) in mijn ziel op... Met Christus ontwaakte ik, stond ik op, sliep ik in, ging ik ter ruste dag en nacht. In Zijn drie ambten leerde ik Hem achtereenvolgens onderscheidenlijk kennen. Als Profeet opende Hij mij de Schriften en maakte mijn hart brandende in mij. Hij onderwees mij gelijk tevoren door Zijn Geest schoon op een andere wijze... Als Hogepriester was Hij tussengetreden bij den Vader, had de schuld verzoend, toegang tot de Vader gegeven, genomen van de Vader, gereinigd wedergegeven; zich in mijn ziel geopenbaard, vrede gegeven met Zijn Vader, de engelen, hemel en aarde... De Heere werd Koning van mijn hart."

Conflicten
Conflicten blijven niet uit in Benthuizen. Een kwestie rond de verkiezing van ambtsdragers wordt eerst door de classis, daarna door het provinciaal bestuur behandeld. Aan de kerkenraad van Benthuizen wordt meegedeeld dat besluiten volgens de reglementen van de Nederlandse Hervormde Kerk moeten worden uitgevoerd. Het brengt Ledeboer tot een hernieuwd nazien van deze reglementen, die hij eerder ondertekend heeft. Ditmaal is er afwijzing: aan het bestuur wordt meegedeeld dat de kerkenraad zich niet door menselijke inzettingen zal laten binden. Merkwaardig is de uiting van ongenoegen bij de predikant.
Op zondag 8 november 1840 werpt hij zowel de reglementenbundel als de gezangenbundel van de kansel, omdat daarin volgens hem leugens staan tegen Gods Woord. Na de dienst worden beide boekjes begraven, terwijl omstanders Psalm 68 vers 1 en 2 zingen. Daarmee bezegelt Ledeboer zijn lot in kerkelijk opzicht. Hij wordt op 13 november 1840 eerst geschorst om daarna op 26 januari 1841 te worden afgezet.

Gijzeling
Van een en ander trekt Ledeboer zich weinig aan. Hij gaat door met preken. Omdat dit volgens de overheid onwettige bijeenkomsten zijn met meer dan twintig aanwezigen, wordt hij herhaaldelijk beboet. Even lijkt hij een afgescheidene te worden, maar de synode van dit kerkverband weigert de 'vrijheidsaanvraag' tot het houden van diensten bij de overheid te veroordelen. Dat geeft bij Ledeboer de doorslag om niet langer met hen op te trekken.
De boetes lopen intussen op. Omdat Ledeboer die weigert te betalen, volgt gijzeling. Mei 1843 en de periode van oktober 1843 tot maart 1845 brengt hij in de gevangenis door. Hij schrijft er brieven en boeken en weigert het hoofd te buigen. Waarschijnlijk door bemiddeling van zijn familie komt hij ten slotte vrij. Volgens ooggetuigen is hij in die tijd "doodelijk zwak" en ziet hij er "uitgeteerd" uit. Voor zijn gijzeling is hij al eens door gemeenten in Zeeland benaderd. Eind 1850 krijgt hij opnieuw het verzoek om daar te helpen met de bediening van Woord en sacramenten. Hij ziet een roeping in het verzoek en gaat. Tevens bevestigt hij oefenaar Pieter van Dijke als predikant. Er begint zich een soort kerkverband te vormen, dat in de volksmond Ledeboerianen genoemd wordt. Nog ruim tien jaar zal Ledeboer er voorgaan, hoewel hij vooral in de Hollandse gemeenten actiefis en Van Dijke de Zeeuwse gemeenten dient. Hij overlijdt op 21 oktober 1863 in Benthuizen, de plaats waar hij zich van Godswege weet gesteld.

Prediking
Men is het erover eens dat Ledeboer een indrukwekkende persoonlijkheid is geweest. Toch ligt dat indrukwekkende niet in de eerste plaats in zijn prediking. Zeker, hij bereidt zijn preken regelmatig grondig voor. Bewaard gebleven preekschetsen leggen daar nog getuigenis van af. Aan de andere kant kan hij ook schrijven: „Al mijn kennis moet ik onmiddellijk verkrijgen of het is anders niets voor mijn ziel". Dan is de leerrede vaak een uitstorting van wat in zijn gemoed leeft. Hij is dan niet altijd makkelijk te volgen. De ledeboeriaan ds. N. H. Beversluis zal later schrijven: „Er was veel hortends en stotends in zijn voordracht en door zijn gesten, welke voortkwamen uit zijn in hoge mate zenuwachtig temperament, wekte hij de spotlust van sommige zijner hoorders".
Meer dan zijn prediking zijn het zijn levenswandel en omgang met mensen die ontzag wekken. Tot op de straten en in de wachtkamers van het openbaar vervoer spreekt hij de mensen aan en wijst hij hen op het enige nodige dat gekend moet worden. Soms verwart hij door zijn merkwaardige manier van doen, soms wekt het verachting op bij een hoorder, maar er is wel de zekerheid dat hier geen huichelaar aan het woord is. Het is deze ernst in de omgang met anderen, dit van zichzelf afwijzen naar de Heere, die met name eenvoudige, onaanzienlijke landbouwers en andere handwerkers aan hem verbindt. Zij proeven de oprechtheid achter zijn woorden, achter zijn soms wonderlijk gedrag.

Kerkelijk standpunt
Oerconservatief en ouderwets, is Ledeboers kerkelijk standpunt dat eigenlijk ook niet? Is het nuttig om vandaag, te midden van Samen-opWegbewegingen, stil te staan bij wat deze voormalige hervormde predikant leert? Ds. Ledeboer probeert in heel zijn kerkelijk handelen onverkort en in al zijn consequenties artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis gelding te geven. Op grond hiervan komt hij tot een radicale afwijzing van de Nederlandse Hervormde Kerk van zijn dagen. In dit kerkverband worden allerlei verderfelijke ketterijen en valse leringen verkondigd en getolereerd. Zelfs hebben volgens hem voor velen de drie Formulieren van Enigheid geen enkele autoriteit meer. In velerlei verkondiging wordt Christus verloochend en zijn Zijn wetten verworpen om er menselijke instellingen voor in de plaats te stellen. De sacramenten worden niet bediend „naar de reinheid des heiligdoms" en er is geen toepassing van de kerkelijke tucht.
Op grond van artikel 28, 29 en 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis heeft de Hervormde Kerk dan ook opgehouden kerk te zijn. Zij heeft zich afgescheiden van de ware gereformeerde leer, tucht en dienst. Het gaan uit dit kerkgenootschap is voor Ledeboer dan ook geen afscheiding maar een plicht van iedere gelovige. Voor zijn eigen vertrek uit deze kerk spreekt hij in overeenstemming met mannen als ds. H. de Cock van "uitleiding" en van een "wederkeer" tot de leer en de tucht van de ware gereformeerde kerk. Nauw hiermee in verband staat dat hij de kerkelijke goederen niet wil loslaten, want die behoren de ware gereformeerde kerk toe. Het hervormde kerkgenootschap gebruikt ze wel, maar heeft er geen recht op en God zal ze op Zijn tijd aan de getrouwen teruggeven. Zo'n korte samenvatting van Ledeboers kerkelijk standpunt doet hem niet geheel recht, want het gaat voorbij aan zijn lijden aan en om de breuk van de kerk in zijn dagen. Ledeboer is nooit uit de Hervormde Kerk geleid omdat hij erboven staat. Het is bij hem niet gegaan zonder sterk gevoel van schuld. Hij moet volgens zijn eigen woorden als de grootste schuldenaar deze kerk verlaten.

Geen overheidsinmenging
Dat artikel 29 voor hem inderdaad het laatste woord heeft, blijkt uit zijn houding ten opzichte van de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk. Kort na zijn afzetting als hervormd predikant sluit hij zich hierbij aan, maar op de eerste synode komt de Vrijheidsaanvraag' ter sprake. Deze vrijheidsaanvraag houdt in dat men aan de regering vrijheid vraagt om godsdienstoefeningen te houden. Met behulp van individueel getekende adressen kan vrijheid verkregen worden om bijeen te komen als individuen, dus niet als een kerk. Verder mogen de bijeenkomsten op geen enkele wijze op kerkdiensten lijken. De sacramenten mogen er niet bediend worden en men mag geen aanspraak maken op „eenige goederen, inkomsten, regten en titels van het Nederlandsch Hervormd, of van eenig ander kerkgenootschap".
Wordt de vrijheid verleend, dan krijgen de aanvragers alleen bestaansrecht als een burgerlijke vereniging, op grond van een door de overheid gegeven vergunning. De afgescheidenen gaan hiermee -door de nood en de vervolgingen gedrongen- akkoord, Ledeboer niet. Hij blijft van mening dat een aards koning en een aardse regering geen enkele zeggenschap hebben in de kerk. Daarnaast wordt met de vrijheidsaanvraag afstand gedaan van de naam 'gereformeerd'.

Kerkverband
Zijn houding in dezen levert ds. Ledeboer veel moeite op. Hij verliest er veel steun door uit afgescheiden kringen en de vervolgingen van de overheid blijven voor hem van toepassing. Het doet hem het hoofd niet buigen, al schrijft hij zelf eens: „Ik heb die band wel eens willen ontspringen, maar de Heere hield mij telkens terug! En waarom bij al mijn dwaasheden de Heere dit puntje heeft believen te bewaren, is Hem bekend. Hij zal het openbaren op Zijn eigen tijd." Jaren later is het geleidelijk gekomen tot de vorming van een 'ledeboeriaans' kerkverband. De bediening van de sacramenten noodzaakt Ledeboer en zijn aanhangers hiertoe. Ook eisen de prediking van het Woord en de uitoefening van de tucht een kerkelijke organisatie die niet alleen vrijblijvend is. Maar zijn standpunten verloochent ds. Ledeboer niet. In zijn handelen blijft hij ernaar streven om de ere Gods boven alles te stellen en zichzelf in al zijn doen en laten daaraan ondergeschikt te maken, tegelijk in het diepe besef dat hij schuld heeft aan het verval van de kerk. Alleen al dit schuldbesef, gevoegd bij zijn zelfverloochening, maakt hem tot een voorganger die ook een boodschap heeft voor onze dagen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.