+ Meer informatie

De zorg voor andermans kinderen

16 minuten leestijd

Een alleenstaande vrouw huwt een weduwnaar. Een vrijgezel gaat een relatie aan met een gescheiden vrouw. Een weduwe trouwt een vader die zijn eersteechtgenote aan de dood moest afstaan. Het gebeurt elke dag. Jaarlijks neemt daardoor het aantal stiefgezinnen in Nederland met tienduizend toe. Voor buitenstaanders onderscheiden ze zich zelden van andere gezinnen. Debetrokkenen weten beter. De zorg voor andermans bloed vraagt een grote dosis tact, geduld en liefde.

De woning van de familie Oosterwijk voldoet in menig opzicht aan het droombeeld van een doorsnee burger. Een fraaie semi-bungalow, gelegen aan de rand van Bleskensgraaf Naast het huis bloesemt een boomgaard. De eetkeuken, met uitzicht op onbedorven polderland tot de einder, heeft het formaat van een living. Een meterslange tafel, met eromheen een houten bank en omvang van het gezin dat hier huist. Man, vrouw en tien kinderen. Geboren uit vier verschillende verbintenissen. De dagelijkse zorg voor het tiental rust op Jannie Oosterwijk. Na het ongeval dat een einde maakte aan het leven van haar eerste echtgenoot, zendingswerker Hielke Visser, keerde ze met zes kinderen uit Nigeria terug naar Nederland.
Als iemand haar toen had verteld dat ze enkele jaren later zou hertrouwen met een weduwnaar en opnieuw moeder zou worden, had ze ongelovig het hoofd geschud. Zoals Koos Oosterwijk niet bevroedde dat een moeder van zes kinderen de plaats zou innemen van Dirkje. Als echtgenote en tweede moeder van Margreet, Christian en Marie Louise.

Troost
„In die volgorde", benadrukt Koos. „We hebben primair elkaar gekregen. Vroeger hield ik het nooit voor mogelijk dat een tweede huwelijk volkomen nieuw kan zijn. Toch is ons huwelijk even goed en gelukkig als de eerste keer. Ik kan me voorstellen dat iemand om de kinderen hertrouwt, maar persoonlijk vind ik dat een wankele basis. Van meet af aan hebben we geweten: Ons huwelijk gaat door, omdat we mogen geloven voor elkaar bestemd te zijn."
Het kan wonderlijk lopen. Destijds was hij fel gekant tegen het tweede huwelijk van zijn vader. „Tegen de tijd dat ze gingen trouwen was ik zo ongeveer de grootste voorstander. Het is een heel goed huwelijk geworden. Maar het is net of je er niet van leert. 'Een mooie oplossing: de man uit de brand, de kinderen weer verzorgd.' Zo bleef ik tegen een tweede huwelijk aankijken. Tot ik uit eigen ondervinding die visie moest bijstellen. Als de Heere troost, neemt Hij het verdriet weg en maakt plaats voor een nieuw begin. Met de doden kun je niet leven. Ik heb dat heel sterk gevoeld toen Dirkje werd begraven en in de dagen erna. Je liefde, waar blijft die nou? Die heeft geen voorwerp meer. Dan moet je oppassen dat je gevoelens niet gaat sublimeren, in welke vorm dan ook."

Diepe vreugde
Jannie heeft het niet anders ervaren. Ze bemerkte dat de basis van haar tweede huwelijk gelijk was aan die van haar eerste huwelijk. Met dit verschil dat de man van haar hart nu tevens huisvader was. „De acceptatie van de kinderen kost tijd. Dat gaat niet in een avond. In het begin heb ik het er best moeilijk mee gehad dat je je aandacht moest verdelen. Maar als je weet dat de Heere je bij elkaar heeft gebracht, mag je erop vertrouwen dat Hij ook voor al het andere zal zorgen." Als ze terugkijkt, kan ze alleen maar constateren dat dat vertrouwen niet is beschaamd. Geen van de kinderen tekende protest aan. Ook de familie van beide kanten stond positief tegenover het tweede huwelijk. Tekenend voor de situatie was het feit dat een broer van Hielke en een zus van Dirkje, tot die tijd toeziend voogd en voogdes, op de trouwdag als getuigen optraden. Ceremoniemeester was Bram Visser, broer van Hielke en echtgenoot van een zus van Koos. De huwelijksreis voerde naar een zus van Dirkje in Oostenrijk. „Het heeft ons een diepe vreugde gegeven dat het zo kon. Het verleden moet je niet verdringen, maar een plaats geven in het heden. Doe je dat niet, dan komt het een keer goed op je brood. Is het niet bij jezelf dan wel bij de kinderen."

Confronterend
In alle slaapkamers hangen foto's van de overleden ouders. „Niet om het verleden te koesteren, maar omdat het heel goed is geweest. Er hoeft niets weggestopt te worden. Als de jongens groot van hun vader spreken, heb ik absoluut niet het gevoel dat ze dat doen om mij te kleineren." Om zich een beeld te kunnen vormen van de situatie waarin de kinderen van Jannie waren opgegroeid, ging het echtpaar op voorstel van Koos voor tien dagen naar Nigeria. Voor Jannie was het een veelbewogen reis. „Ik had er al eerder over gedacht, maar dan was het een bedevaart geworden. Dat was het nu niet, al ervoer ik het wel als heel confronterend. Achterop de motorfiets reed ik door het gebied waar ik destijds met Hielke reed. Nu zat Koos voor me. Heel onwezenlijk. Zo'n gevoel van: 'Wie ben ik nou eigenlijk?' Dan moet je je gedachten bewust stopzetten."
In de maanden voor de huwelijksdag werd door Koos de woning uitgebreid. In plaats van drie moesten er negen kinderen kunnen huizen. De uitbouw van het nest, samen met het kroost, versterkte het gevoel van saamhorigheid. Het gaf alle partijen het gevoel opnieuw te beginnen. Na de trouwdag werden de gezinnen daadwerkelijk ineengevoegd. Vele uren hadden de ouders er al over gepraat. „Maar het blijft droog zwemmen. Pas als het zo ver is, ontdek je wat het betekent." De oudste twee van Jannie bleven nog vijf maanden bij hun oma in Kampen, om daar het cursusjaar aan de middelbare school af te maken. Alleen de weekenden kwamen ze naar huis. Het gaf hen de mogelijkheid om geleidelijk om te schakelen en aan hun tweede vader te wennen. „Hechten is een proces van jaren. Wat je absoluut moet vermijden, is zo'n 'would be'-houding'. 'Kijk eens, hier staat je nieuwe pappie.' Nooit doen! Gewoon rustig afwachten tot de kinderen naar je toe komen. Dat heeft tijd nodig-" Het betekende in de praktijk dat de kinderen van Jannie hem 'ome Koos' bleven noemen. Zijn kinderen handhaafden het 'tante Jannie'. Na de geboorte van Anne-Margriet besloot Marie-Louise 'mama' te gaan zeggen. „Voor de anderen was die stap nog te groot. Wel hebben we ervaren dat haar komst heel samenbindend heeft gewerkt, al is het geen voorwaarde."

Stief
Het echtpaar uit de Alblasserwaard heeft een leger aan lotgenoten. Jaarlijks neemt het aantal gezinnen met kinderen uit verschillende verbintenissen met tienduizend toe. Inmiddels zijn het er zo'n 170.000. De maatschappelijke hulpverlening spreekt over integratiegezinnen of samengestelde gezinnen. Tot ergernis van gezinstherapeut Arno van der Voort van der Kley. „Ik gebruik bewust het woord 'stief. Als je man en paard noemt, zijn de problemen tenminste bespreekbaar. Je wordt opnieuw verliefd, maar de aandacht moet worden gedeeld met kinderen. Als stiefouder moet je in het gezin een plaats zien te verwerven. Het verschil in opvoedingsstijlen kan irritatie geven. Vooral tijdens de maaltijden. Dan komt alles bij elkaar. De een eet traag, de ander slordig, een derde smakt... Kritiek van de ander ervaar je meteen als kritiek op jouw opvoeding. En dan zijn er de verschillende families, allemaal met hun eigen visie en gevoelens. De familie van een overleden partner claimt nogal eens een nadrukkelijke rol naar de kinderen toe. Na echtscheiding blijft de ex-partner een belangrijke positie innemen. Laatst kreeg ik een telefoontje van een gescheiden mevrouw die alweer een aantal jaren een vriend heeft. Ze belde op omdat haar ex-partner inmiddels een relatie heeft met zijn ex-partner. Beiden hebben kinderen uit hun vorige relatie. Inmiddels zijn er ook kinderen uit de huidige relatie, en dan heb je nog te maken met een omgangsregeling. Dat zijn lastige puzzels, waarvoor binnen de hulpverlening nauwelijks oog is.

Fusie
Om het taboe te doorbreken werd in 1988 de Stichting Stiefwelzijn Nederland opgericht. De Stichting houdt zich bezig met voorlichting, ondersteuning en het stimuleren van lotgenotencontact. Donateurs en abonnees ontvangen elk kwartaal het verenigingsorgaan Stiefband. Spreekbuis van de stichting is Van der Voort van der Kley, in het dagelijks leven gezinstherapeut. Zeven jaar geleden liep zijn huwelijk stuk. Sinds twee jaar vormt hij een weekendstiefgezin met Jeanien, de twee kinderen uit zijn eerste huwelijk en het tweetal van zijn vriendin. In zijn vrije tijd zet hij zich in voor lotgenoten.
De samenvoeging van twee eenoudergezinnen is volgens Van der Voort van der Kley vergelijkbaar met een fusie van bedrijven. „Ook dan begin je met twee culturen, verschillende systemen en ongelijke gezagsposities. Voor een volledige integratie moet je drie tot zeven jaar rekenen. Als het goed gaat. We moeten reëel zijn, van de eerste huwelijken mislukt dertig procent, van de tweede relaties loopt zestig procent spaak."

Schaamte
Belangrijk is volgens de gezinstherapeut dat de biologische ouder de nieuwe partner zo spoedig mogelijk betrekt in de zorg en verantwoordelijkheid voor de kinderen. „Die zien de stiefouder vaak als een vreemde eend in de bijt. Als je dat als biologische ouder niet doorbreekt, blijft de stiefouder aan de zijlijn staan. In de praktijk zijn het met name stiefmoeders die ons bellen. Ze hebben moeite om bij hun partner een luisterend oor te vinden voor de last die ze te dragen hebben. Ze willen het verlies van de overleden moeder goedmaken, maar lopen ertegenaan dat de kinderen hen als een indringer blijven zien." Ondanks alle goede bedoelingen telt de SSN na negen jaar amper 150 donateurs. Het Goudse bestuurslid verklaart dat uit schaamte. Typerend is dat vrijwel niemand met z'n verhaal naar buiten wil treden. „Er spelen veel gevoeligheden in een stiefgezin. Mensen die iets schrijven voor ons kwartaalblad wegen hun woorden op een goudschaaltje. We hebben één moeder gehad die openlijk haar irritatie uitsprak over een stiefzoon. Heel herkenbaar, maar andere stiefouders houden angstvallig hun mond. Omdat ze bang zijn hun partner voor de schenen te schoppen of de kinderen te kwetsen. Het is echt op eieren lopen."

Onzeker
Linda Verduin is wel bereid om te praten. Op voorwaarde dat schuilnamen worden gebruikt. In 1990 huwde ze de man van haar verongelukte nichtje, nadat ze een klein jaar voor zijn drie kinderen had gezorgd. „Ik was toen gewoon Linda, een soort gezinsverzorgster. Ze waren heel lief voor me en kwamen spontaan op schoot zitten." Dat veranderde toen bekend werd dat ze met Mark zou gaan trouwen. De rwee dochters reageerden net iets te laconiek. „Anke's reactie was: 'Had ik allang gedacht'. Inge zei: 'Mij best'. Alleen Wim noemde me meteen mama. Ik was gewoon z'n nieuwe moeder, klaar." Anke had het meest te stellen met de nieuwe situatie. Als oudste dochter had ze min of meer de moederrol overgenomen. Het maatje van haar vader. „Daar kwam ik tussen. Dat vond ze heel moeilijk. Later heb ik in boekjes over stiefgezinnen gelezen dat dat heel normale processen zijn, maar toen wist ik dat niet. Als we samen zaten te praten, kwam zij erbij zitten. En dan maar de aandacht van Mark trekken. Ze zag mij als een bedreiging. En ik haar, als ik eerlijk ben. Terwijl je dat niet wilt, want je hebt voor die kinderen gekozen. Het maakte me heel gespannen en onzeker."

Pittig
Het eerste huwelijksjaar typeert ze als 'pittig'. „Er waren in de hele familie nog rouwprocessen bezig, terwijl wij een trouwdag achter de rug hadden. Tegelijk zaten we als gezin eigenlijk ook nog midden in de rouwverwerking. Dat klinkt tegenstrijdig, maar toch was het zo. Ook voor de familie. Ze waren erg verdrietig en aan de andere kant blij dat de kinderen weer een nieuwe moeder hadden. Gemengde gevoelens dus, over en weer. Daar kwam bij dat ik alles heel goed wilde doen. Ik wilde op en top moeder zijn. En ik had ook nog een man gekregen. Ik moest heel erg wennen aan het regelmatige gezinsleven en aan al die dingen waar je aan denken moet als je kinderen naar school gaan, al had Mark me daar eerlijk op voorbereid. 'Weet waar je aan begint, het huishouden is heel saai. Elke dag zuigen, elke dag wassen, het komt altijd maar terug. En de kinderen hebben ook zo hun kuren."

Gefaald
Ondanks die ontnuchterende boodschap viel de werkelijkheid niet mee. „Ik kreeg grote bewondering voor al die moeders die ik bij school ontmoette, die aan alles dachten. Gymkleren, melkgeld, tasjes met schriften... Ik vergat de helft. Nu nog wel eens, maar dat vind ik nu niet erg meer. Toen had ik het gevoel dat ik faalde. Ik trok me alles aan. Als de kinderen ergens geweest waren, en hun haar zat anders, dan had ik het gevoel dat ik het niet goed had gedaan. Voortdurend liep je op je tenen.

In plaats van haar frustraties met Mark te bespreken, hield ze de kiezen op elkaar. „Ik vond het heel moeilijk om iets van zijn kinderen te zeggen. Ik had toch zelf voor hen gekozen. Vooral na de geboorte van Karel heb ik moeilijke maanden gehad. M'n zus kreeg in dezelfde tijd haar eerste kind. Die had alle tijd om ermee te tuttelen. Ik niet, bij mij waren er nog drie. Ik wou die baby maar voor mezelf houden, het was mijn kind. Later zei Anke iets wat mee heel erg heeft geraakt. 'Ik was bang dat u alleen van Karel zou gaan houden.' Zelf heb ik dat nooit zo ervaren. Ik hou van allemaal, alleen op een verschillende manier."

Vriendin
Het was in deze periode dat ze naar een ontmoetingsdag van de Stichting Stiefwelzijn Nederland ging. Daar kreeg ze te horen dat een stiefmoeder niet moet proberen om de echte moeder te vervangen. „Zoals jij blijft voelen dat het niet je eigen kind is, zo voelt dat kind dat jij haar eigen moeder niet bent. Dat hoeft ook helemaal niet. Dat was een openbaring voor me. Al blijven er momenten dat je het moeilijk accepteert. De laatste tijd tobt Anke erg met de vraag waarom haar moeder moest verongelukken. Dan denk ik: 'Je hebt toch weer een nieuwe moeder?' We gaan heel leuk met elkaar om, maar kritiek verdraagt ze nog steeds niet van mij. Het is meer een vriendin-verhouding. Dat moet je accepteren. Ze probeert bij mij dingen uit waaraan ze niet zal denken als Mark erbij is. Ik heb ook weleens een briefje gevonden waarop ze had geschreven dat je kon merken dat ik niet haar eigen moeder was. Dat komt hard aan, omdat je zelf denkt dat je heel goed je best doet. Gelukkig heb ik een man getroffen met wie ik alles kan bepraten. Dat is geweldig belangrijk."

Trouwfoto
Sinds de geboorte van Bert loopt het voor haar gevoel allemaal soepeler. „Dat was gewoon een vijfde. Je hebt als gezin een eigen geschiedenis opgebouwd, al poets je daarmee de voorgeschiedenis niet weg. Vooral Mark heeft lang nodig gehad om het verleden te verwerken. Pas heeft hij voor het eerst in oude fotoalbums zitten kijken. Zelf heb ik er nooit moeite mee gehad als over m'n nicht gesproken werd. Ik denk omdat Mark me nooit met haar heeft vergeleken. De kinderen gaan er heel onbevangen mee om. Wim vroeg me eens of ik dacht dat z'n moeder hem zou herkennen als hij in de hemel zou komen. En Inge kwam pas met een serie foto's uit het trouwalbum van haar ouders, om te vragen welke ik het leukst vond om op te hangen. Ze heeft niet het flauwste vermoeden dat dat pijnlijk voor mij zou kunnen zijn. Daarom is het ook niet pijnlijk."

Conferentie
Koos Oosterwijk heeft het gevoel dat in zijn gezin de samensmelting bijna is voltooid. Na zes huwelijksjaren. „Een paar jaar terug hebben de kinderen al eens een samenspraak gehouden, toen wij er niet waren, over het naamprobleem. Ze waren het er allemaal over eens dat het goed is pa en ma te gaan zeggen, maar de drempel was nog te hoog. Ik ken dat, uit ervaring. Inmiddels is de onvrede nog sterker geworden en hebben recent enkelen besloten de stap te nemen. Ik vind dat fijn, maar we laten elk kind vrij om te kiezen."
Voor de verhoudingen maakt het geen verschil, vindt Jannie. „Ik heb liever dat ze 'tante Jannie' zeggen in een goede sfeer dan 'mama' terwijl de relatie niet goed is." Toch zal ze blij zijn als de laatste de drempel over is. „Tegen anderen hebben ze het altijd over 'm'n vader en moeder'. Het is gewoon prettig als binnenshuis die eenheid in benaming er ook is. Niet dat er wezenlijk iets door verandert, maar het komt nu zo rommelig over. We hebben gezegd: 'Je hoeft echt geen papa en mama te zeggen'. Hielke was papa en Dirkje was mama. Dat blijft zo. Pa en ma klinkt al anders. Hetzelfde onderscheid dat je maakt in het aanspreken van je ouders en je schoonouders." Naar de kinderen toe blijft staan dat eigen bloed zich niet verloochent. „Dat hebben we ook nooit voor elkaar geveinsd", zegt Koos. „Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Als twee kinderen hetzelfde doen, heb je de neiging om tegenover die van jezelf toleranter te zijn. Waar het om gaat is dat je op dat moment je verstand boven je gevoel plaatst. Objectiviteit voor alles. Zeker in het begin kost dat veel energie. Maar ik beloof je dat het rijk beloond wordt. Ik vergeet nooit de eerste keer dat er een paar aan het bakkeleien waren, en dat een van de niet-bloedgroep bij mij kwam klagen over de bloedgroep. Toen wist ik: 'Jij vertrouwt mij, anders zou je dat nooit gedaan hebben'. We zijn geweldig dankbaar dat het gaat zoals het gaat. De verbondenheid is zo sterk dat er soms opmerkingen vallen als: 'Je bent toch m'n bloedeigen broer'. Terwijl er geen druppel eigen bloed in zit. Dat vind ik geweldig. De jongens steken er op een goedmoedige manier weleens de spot mee als we zondags al vroeg naar de kerk gaan, omdat we bij elkaar willen zitten. 'Kom op jongens, we zijn één gezin'. Ja, daar hecht ik geweldig aan. Eén blok, twaalf breed. Niet alleen in de kerk, maar ook thuis."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.