Bekijk het origineel

Kijkadvies voor brildragers na onderzoek op Van Lodenstein College

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kijkadvies voor brildragers na onderzoek op Van Lodenstein College

8 minuten leestijd

Veel brildragers hebben sneller last van nek- en rugklachten, hoofdpijn, vermoeidheid, evenwichtsproblemen en duizeligheid dan niet-brildragers. De dokter kan op het eerste gezicht niets vinden waaraan de verschijnselen te wijten zouden zijn. De ogen zijn doorgemeten, de brillenglazen hebben de juiste sterkte en zijn goed geslepen. De oplossing van de problemen leek, tot voor kort, ver weg.

Er is jarenlang onderzoek gedaan naar de genoemde klachten van sommige brildragers. Net zoals medicijnen kan dus ook een bril bijwerkingen hebben. Vooral die bril waarin de beide glazen in sterkte veel van elkaar verschillen. Sinds kort lijkt de oplossing van de problemen voorhanden. De klachten ontstaan door steeds wisselende kijkrichtingen door de bril. Dat gebeurt ook bij scholieren. In samenwerking met A. van de Braak, directeur van Kaasschieter Brillen in Barneveld (met filialen in Lunteren en Scherpenzeel), werd op het Van Lodenstein College in Amersfoort onderzoek gedaan naar het dragen van een bril en de plaats waar de leerling zit in de klas. Op zoek dus naar de vraag of brildragende leerlingen zich prettiger voelen wanneer ze in een bepaalde richting door hun bril kijken.

Theorie
Eerst een klein stukje theorie. Leerlingen kijken in de klas voortdurend heen en weer tussen schoolbord of docent en hun eigen aantekeningen. Ze zitten rechts of links in de klas. Ook zonder bril moeten de ogen zich dan regelmatig scherp stellen om de brandpunten exact op het netvlies scherp ingesteld te krijgen. Accommoderen heet dat officieel. Komen de brandpunten niet zuiver op het netvlies, bij voorbeeld ervoor of erachter, dan heeft men een bril nodig om scherp te zien. Als in een of meer richtingen de glazen rechts en links verschillen, moet men, hoewel de bril zuiver is gemeten en gemaakt, een zeer vermoeiende beweging maken met de oogspieren. Als men de ogen extra naar binnen moet draaien (convergeren) kost dat de minste inspanning. Maar de ogen naar buiten draaien (divergeren) is zeer vermoeiend. Extra gecompliceerd wordt het als ook nog het hoogteverschil tussen de beelden gecorrigeerd moet worden. Dat heet hyper- of hypoforie. Door die continue inspanning kunnen de oogspieren overbelast raken, met de genoemde klachten als gevolg. Natuurlijk laten deze klachten zicht niet beperken tot leerlingen in de klas. Iedereen die wel eens een tekst in de computer heeft ingevoerd, kent het probleem: het oog moet steeds switchen van voorbeeldtekst naar beeldscherm. Je hebt daar meestal geen last van. Toch weet opticien Van de Braak tal van voorbeelden op te diepen van mensen waarbij het wel tot problemen leidde. De schilder, die tijdens het schilderen van de dakgoot constant zijn kwast achterop keek en daardoor draaierig en duizelig werd en niet langer op de ladder kon blijven staan. Een tandarts die 's morgens zijn werk nog kon doen zonder problemen, maar 's middags geen gaatje meer kon vullen. Een brildragende chauffeur die veel sneller vermoeid was dan zijn niet-brildragende collega's. Bij elke rotonde heeft hij problemen. Zo wordt hij in het verkeer niet alleen een gevaar voor zichzelf, maar ook voor de andere weggebruikers. Het meisje dat na een paar uur achter de computer volledig opgebrand is. Bij geen van allen mankeert er iets aan de bril. Toch hebben ze klachten. Asthenopische klachten worden ze genoemd, door Van Dale weergegeven als: "vermoeidheidsverschijnselen van het oog in verband met accommodatiemoeilijkheden, oogspierstoornissen of nervositeit". De mogelijke gevolgen laten zich raden.

Schoolonderzoek
In zijn veertigjarige loopbaan als opticien heeft Van de Braak steeds geprobeerd erachter te komen wat de oorzaak was van de klachten van brildragers. De vraag fascineerde hem of er een verband zou kunnen bestaan tussen de klachten, de bril en de ogen. „Hoe kan het toch dat een aantal brildragers klachten blijft houden waar we geen antwoord op kunnen vinden, terwijl we in onze sector streven naar een zo hoog mogelijke perfectie. De oogmetingen zijn steeds nauwkeuriger geworden, de testapparatuur wordt voortdurend verbeterd, monturen en glazen zijn van topkwaliteit en de opleidingen zijn professioneel. Met andere woorden: de bril is perfect. Daar kunnen de klachten niet aan liggen. Of toch wel?" zegt hij. Toch wel! Dat is gebleken. Resultaat van een veertig jaar lange speurtocht. Naast Van de Braaks eigen praktijkvoorbeelden hielp het Van Lodenstein College zijn waarschijnlijkheidstheorie bevestigen. „Niet dat het mij daarom in eerste instantie ging", zegt natuurkundeleraar R. W. Mulder. Hoe ging hij te werk? Van 403 willekeurige brildragers in de leeftijd van 12 tot 18 jaar werd het verschil in sterkte van de glazen bepaald. Daarna werden de brillen van alle brildragers (172) van klas 2 en 3 doorgemeten. Op grond van de gemeten verschillen werden 70 van hen (zij hadden minder dan 80 procent gezichtsvermogen) getest. Ze moesten aangeven of de zitplaats veel of weinig invloed had op het aflezen van de hoefijzers (landoltringentest). Tijdens die test werd geprobeerd ze behoorlijk moe te maken door ze veelvuldig op en neer en van links naar rechts te laten kijken. Iets meer dan 10 procent van de leerlingen gaf aan dat de zitplaats in de klas geen invloed had. Bijna 60 procent koos de convergentierichting (naar elkaar toedraaien van de ogen) als beste zitplaats, waarbij 6 leerlingen (8,6 procent) aangaven dat het om een zeer groot verschil ging. 30 procent koos het kijken in divergentierichting van de ogen (uit elkaar draaien) als beste zitplaats. Zo geredeneerd luidde de eindconclusie van het onderzoek dat het mogelijk is om 70 procent van de leerlingen aan de hand van de brilgegevens een goed advies over hun zitplaats te geven. Toch geven de meeste brildragers zelf wel aan welke voorkeur voor de kijkrichting ze hebben. Uit het onderzoek blijkt echter dat voor bijna 10 procent de kijkrichting van zeer groot belang is. Zij gaven aan dat de plaats in de klas voor hen heel veel uitmaakt. „Kijk", zegt Mulder, „dat resultaat mag misschien wat mager lijken, het betekent wel dat je bij brildragers waarvan de studieresultaten achterblijven alert moet zijn op een mogelijke relatie tussen de bril en hun plek in de
klas.''

Brafo
Van de Braak was verwonderd  en blij dat er een school was die een door hem voorgesteld onderzoek wilde doen. „Dagelijks  kom ik voor verrassingen te staan. Je hebt een klant met klachten. De bril is goed, maar je moet de klachten wel serieus nemen. Daarom is het betreurenswaardig dat er ook ongediplomeerden zijn die zich met brillen bezighouden. Dat kan risico's geven", zegt hij. Inmiddels was hij door ervaring wel zo ver gevorderd, dat hij met pen en papier en een rekenmachientje de goede en minder goede kijkrichting door bepaalde brillenglazen kon vaststellen. „Wat Mulder op het Van Lodenstein College ontdekte, kon Een ik zodoende bevestigen", aldus Van de Braak. Intussen zat hij niet stil. Het rekenwerk kostte de nodige tijd.
Daarom heeft hij een computerproprogramma laten ontwikkelen, dat exact berekent welke kijkrichtingen voor een brildrager problemen geven. Het programma heet Brafo (BraakForie). Het geeft in een cirkel met groene en rode balletjes aan in welke kijkrichting er geen of weinig problemen zijn te verwachten en in welke richting de problemen het grootst zijn. Veel rode balletjes verklaren de kijkrichting met problemen. Is alles groen, dan zijn er geen problemen. Daarnaast wordt alles ook nog met cijfers weergegeven. Een hoog cijfer staat voor de probleemrichting. Naar aanleiding daarvan geeft de opticien een Brafo-kijkadvies. Het meisje dat achter de computer van het switchen van haar tekst naar het beeldscherm al na een paar uur op is, moet haar tekst niet links, maar rechts neerleggen, of rechts boven. Ze zal dan minder pro- hoogteverschil blemen hebben. De bewuste (forie). schilder moet zijn kwast niet horizontaal volgen, maar verticaal. En de tandarts kreeg een kijkadvies en kan nu zonder problemen tot 's avonds laat gaatjes vullen. Kaasschieter Brillen is de eerste opticien in Nederland die het zelf ontworpen Brafo-kijkadvies aanbiedt aan haar klanten. Maar Van de Braak wil het programma niet voor zichzelf houden. Hij heeft de artsen in zijn regio een brief geschreven waarin hij hen op de hoogte brengt van zijn systeem en het ze graag wil uitleggen. Ook heeft hij de stichting Brafo opgericht. Opticiens die aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen, kunnen deelnemer van de stichting worden en daardoor ook het Brafo-programma gebruiken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 15 oktober 1997

Terdege | 100 Pagina's

Kijkadvies voor brildragers na onderzoek op Van Lodenstein College

Bekijk de hele uitgave van woensdag 15 oktober 1997

Terdege | 100 Pagina's

PDF Bekijken