Bekijk het origineel

Jan Luyken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Jan Luyken

Een kunstzinnige pelgrim

9 minuten leestijd

Hij verwierf vooral bekendheid door zijn afbeeldingen van het menselijk bedrijf, maar dat was zeker niet het enige wat Jan Luyken naliet. De even vrome als begaafde doopsgezinde kunstenaar vervaardigde meer dan 3300 etsen. Rijk werd hij er niet van. Een groot deel van zijn inkomsten schonk Luyken weg aan de armen. In het besef dat hij op reis was naar een beter vaderland.

Over Luykens leven is vanuit archieven weinig bekend. Ook in zijn gedichten gaat hij er nauwelijks op in. In zijn debuut, de amoureuze liedbundel Duytse lier  (1671), bezingt hij zijn aanstaande bruid slechts op een verhulde manier. In latere bundels geestelijke poëzie wijdt hij op twee uitzonderingen na geen enkel gedicht aan vrouw, kinderen of kleinkind. Zijn meer dan 150 gedrukte pastorale brieven leveren evenmin veel gegevens op, daar de uitgevers zowel de data als de geadresseerden hebben weggelaten.
Meer informatie verschaft het Kort Verhaal. Van het Godvruchtig Leven en Zalig Afsterven van Joannes Luyken, opgenomen in zijn postume prentenbijbel De Schriftuurlyke Geschiedenissen en Gelykenissen van het Oude en Nieuwe Verbond (1712) en de eveneens postume bundel Des Menschen Begin, Midden en Einde.

Jeugd
Luykens ouders trouwen in 1633 in de gereformeerde Petruskerk te Sloterdijk. In 1634 wordt vader Casper, die eerst als lakenbereider, later als schoolmeester de kost verdient, lid van de remonstrantse gemeente te Amsterdam. Daar worden in de loop der jaren vijf kinderen gedoopt. Met de kleine Jan gebeurt dit in 1649 niet, wellicht als gevolg van het feit dat vader Casper omstreeks 1647 de bijeenkomsten van de collegianten is gaan bezoeken. Deze worden vanaf 1650 geleid door Galenus Abrahamsz., de voorganger van de gematigd rechtzinnige Verenigde Doopsgezinde gemeente. Volgens de collegianten is de kerk met haar vaste leer, ambten, tucht en sacramenten geheel verworden. Als ze nog dopen, doen ze het alleen volwassenen.
Nadat hij waarschijnlijk bij vader op school is geweest, volgt Jan Luyken een opleiding tot kunstschilder. Over zijn jeugd is veel gefantaseerd. Thuis zou hij al beïnvloed zijn door de leer van de Duitse mystieke schoenmaker Jacob Böhme. Tegen de betichting van een losbandig leven kan ingebracht worden dat hij in de Duytse lier bezingt dat seksuele gemeenschap pas in het huwelijk beleefd mag worden.

Bekering
Op 20 maart trouwt Luyken, eveneens te Sloterdijk, met de gereformeerde Maria de Oudens, beroemd vanwege haar zangkunst. Uit het huwelijk worden vijf kinderen geboren, die op de oudste zoon Casper na jong sterven. Volgens een oude overlevering maakt in april 1673 de plotselinge dood van een vriend, die kort tevoren op een godslasterlijke manier de mogelijkheid daarvan ontkende, grote indruk op Jan Luyken. Hij laat zich dopen in de doopsgezinde gemeente te Beverwijk en wordt met attestatie ingeschreven in het doopboek van de gemeente van Galenus. Het Kort Verhaal vermeldt dat hij in 1674 of 1675 tot bekering kwam: „In t 26. Jaar zyns Ouderdoms, is hem de HEERE op een krachtdaadige wys aan zyn herte verschenen...
De bekeerde Luyken leest de geschriften van Jacob Böhme, die volop in Amsterdam worden vertaald en uitgegeven, en maakt later gebruik van diens terminologie. Hoewel het niet zeker is of hij persoonlijke omgang heeft gehad met voorstanders van de ene ware, zuivere gemeente van Christus, zoals Petrus Serrarius en Jean de Labadie, blijven ook hun geschriften hem niet onbekend. In zijn religieuze bundels emblemata (prenten vergezeld van mottos en dichterlijke bijschriften) Jesus en de Ziel (1678) en Voncken der Liefde Jesu (1687) spreekt hij herhaaldelijk over de wedergeboorte. De ziel wordt „door den trek des Vaders opgewekt ter bekeeringe, erkent vervolgens haar verdorvenheid en vlucht tot God om vergeving. Hij bezingt dankbaar dat de „allergoedste Herder ook hem, het ver afgedwaalde schaap, heeft opgezocht.

Medereiziger
Omstreeks 1678 verwisselt Luyken, wellicht om commerciële redenen, het penseel voor de etsnaald. Het is niet waarschijnlijk dat hij na zijn bekering het schilderen te zondig achtte. Er zijn in zijn tijd immers vele prominente doopsgezinde kunstschilders en kunsthandelaren. Als etser neemt hij een vrij unieke positie in, daar hij zelf zijn tekeningen op de plaat brengt. Naast Romeyn de Hooghe en Gerard de Lairesse wordt hij een belangrijke vertegenwoordiger van de Nederlandse etskunst na Rembrandt.
Het gaat hem niet om roem. De etskunst is voor Luyken primair een middel van bestaan: „een staf, om door het land van deze tijd te reizen. Verondersteld mag worden dat de meer dan 3300 etsen, die hij grotendeels ter illustratie van boeken maakte, hem van een behoorlijk staf hebben voorzien. Hij gaf echter veel weg aan de armen.
Als de 31-jarige Luyken in 1682 zijn levensgezellin verliest, blijft hij achter als voogd over drie overlevende kinderen van zijn oudste broer en over twee van hemzelf. Hij vindt een huishoudster in de vrome, remonstrantse Annitje van Vliet, die dan pas 25 jaar oud is en niet de oude meid voor wie ze wel is versleten. In geestelijk opzicht ontdekt hij in John Bunyan een medereiziger op de levensweg. Op verzoek van de jonge Amsterdamse uitgever Johannes Boekholt, die sympathiseert met de Nadere Reformatie, voorziet hij in de jaren 1682-1689 de vertalingen in het Nederlands van vier van Bunyans werken van etsen: Eens Christens Reyse, Het Leven en Sterven van Mr. Quaadt, Den Heyligen Oorlogh en Komst en Welkomst tot Christus.

Lering
In 1687 wordt Luyken lid van het Sint-Lucasgilde, in huidige termen een mengeling van vakbond, collectieve ziekteverzekering en Kamer van Koophandel. Mogelijk brengt het solidariteitsbeginsel van het gildewezen hem als ziekelijke weduwnaar en voogd tot die stap. In 1694 geeft hij samen met zoon Casper onder de titel Het Menselyk Bedryf een emblematabundel met honderd afbeeldingen van beroepen uit. Op de prenten ziet men de ambachtslui, zoals De Stoelemaaker, bezig in of bij hun werkplaatsen. In de verzen worden de beroepen, materialen, technieken of producten echter nauwelijks beschreven, maar vrijwel direct toegepast „tot Leering voor t Gemoed.
Casper Luyken treedt in 1698 in dienst van een Duitse kunsthandelaar en uitgever te Nürnberg in Duitsland. Vader Jan en huishoudster Annitje wonen nu een aantal jaren buiten Amsterdam: in 1699 bij Haarlem, in 1703 in Schellinkhout en in 1704 buiten Hoorn. In die periode schrijft de vader eerst vermanende, later vertroostende brieven aan zijn zoon.
In 1705 keert Casper naar Amsterdam terug, trouwt met de gereformeerde Maria Elisabeth van Aken en vestigt zich als konstetser. Als hij in 1708 sterft, bezingt vader Jan in een lang gedicht hoe het lam, dat hij in t wilde werelds woud had verloren, maar dat later aan zijn zijde de weg naar de hemel betrad, door de allertrouwste Herder in het eeuwig vaderland is gebracht. Aan het begin van Des Menschen Begin, Midden en Einde staat een gedicht van de gunstige Grootvader aan Joannes Luiken de Jonge, het met zijn moeder inwonende zoontje van de overleden Casper. De kleine Zoon wordt vermaand God als zijn Vader te eren en zo in het voetspoor van overgrootvader, grootvader en vader te gaan.

Boodschappers
Vanaf 1708 komen er vier door Jan Luyken geschreven didactische emblematabundels op de markt: Beschouwing der Wereld (1708), De Onwaardige Wereld (1710), De Bykorf des Gemoeds en Het Leerzaam Huis-raad (1711). Natuurverschijnselen, menselijk gedrag, huishoudelijke artikelen: uit alles worden in steeds soberder wordende dichterlijke bijschriften wijze lessen gedestilleerd. Het embleem Het mooi weer uit eerstgenoemde bundel heeft als motto: Dit wijst verder. In het bijschrift leest men dat het mooie weer en het prachtige landschap boodschappers zijn van wat er eenmaal in de hemel te genieten valt.
Op 5 april 1712 komt na veel lijden een einde aan het leven van Jan Luyken. De begrafenis vindt plaats in de Nieuwezijdskapel. De kosten worden betaald door de doopsgezinde uitgevers van het grootste deel van zijn dichterlijk oeuvre, de weduwe van Pieter Arentz. en K. van der Sys. Jan Luyken jr. en Annitje van Vliet erven elk ruim 244 gulden netto (ongeveer een half minimum-jaarloon) uit de opbrengst van de verkochte schamele inboedel en de nagelaten prenten. Als vrucht van Luykens correspondentie met vele vromen overal in het land verschijnt in 1714 een bundel Geestelyke Brieven en in 1741 een Verzaameling van eenige Geestelyke Brieven.

Betekenis
Niet alleen Böhme maar ook vroegere mystici als Jan van Ruusbroec, Eckhart, Tauler en Thomas à Kempis hebben Luyken geboeid. Over zijn affiniteit tot de doopsgezinde gemeente is niets bekend, over de doopsgezinde leer en gemeentepraktijk liet hij zich nauwelijks uit. Rechtzinnig waren zijn opvattingen aangaande zondeval, de Godheid van Jezus en de verzoening door Zijn dood aan het kruis. De ideale gemeente zonder vlek of rimpel schijnt voor hem niet door kerkmuren begrensd te zijn geweest. Uit een in 1685 geschreven brief blijkt dat hij soms Avondmaal thuis hield samen met een bezoeker en Annitje.
Luykens betekenis is tweeërlei. In de eerste plaats is hij in de tijd na Vondel de belangrijkste dichter geweest. Belangrijke motieven in zijn emblemata vormen de grootheid van de Schepper en, mede onder invloed van Bunyan, het pelgrimschap naar het hemelse vaderland. Als lieddichter heeft hij door middel van zijn in 1698 gebundelde Zedelyke en Stichtelijke Gezangen, een uitgave die in latere jaren sterk uitgebreid en van prenten voorzien werd, volop bijgedragen aan de liederenschat van doopsgezinden en andere christenen. In het Liedboek voor de kerken treft men er nog drie aan, onder andere Wie hangt er zo deerlijk, geteisterd, geschonden.
In de tweede plaats was Luyken een vaardige en belangrijke boekillustrator, origineel vooral wanneer hij het dagelijks leven kon verbeelden. Van zijn etsen verluchtten er bijna 700 zijn eigen werk, ruim 2600 etsen illustreerden 330 werken van anderen, die voor een zeer belangrijk deel verschenen bij gereformeerde uitgevers.

Martelaarschap
De hoofdmoot van Luykens etsen vormden de illustraties van bijbelse verhalen (bijna 30 procent), profane en kerkelijke geschiedenis (ruim 23 procent) en het dagelijks leven van mensen (idem). Het valt op hoe vaak hij het martelaarschap heeft uitgebeeld: van Christus, van bijbelse personen als Johannes de Doper en Stefanus, en van doopsgezinden in het bijzonder. Zo vervaardigde hij ruim honderd illustraties voor de tweede editie van Thieleman Jansz. van Braghts Het Bloedig Tooneel of Martelaers Spiegel der Doops-Gesinde of Weere-lose Christenen (1685). Op deze prenten probeerde hij zowel de vrome vastberadenheid waarmee de martelaren hun lot aanvaardden als de troost die ze van hun medegevangenen kregen tot uitdrukking te brengen.
Luykens cultuur-historische betekenis heb ik uitvoerig beschreven en zichtbaar gemaakt in mijn in november 2000 bij De Banier verschenen proefschrift Beminde broeder die ik vand op s werelts pelgrimswegen. Jan Luyken (1649-1712) als illustrator en medereiziger van John Bunyan (1628-1688). Daarin is uiteengezet hoe een aantal van Luykens Bunyan-illustraties in de 18e eeuw ook in Europese of Noord-Amerikaanse edities werd overgenomen of nagevolgd. Daar latere zendingsuitgaven weer hierop waren gebaseerd, raakten sommige van zijn etsen over heel de wereld verspreid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 28 maart 2001

Terdege | 104 Pagina's

Jan Luyken

Bekijk de hele uitgave van woensdag 28 maart 2001

Terdege | 104 Pagina's

PDF Bekijken