Bekijk het origineel

Boommarters houden van uitgestrekte, oude bossen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Boommarters houden van uitgestrekte, oude bossen

9 minuten leestijd

Er zijn misschien nog maar driehonderd boommarters in Nederland. Vroeger waren het er veel meer. Maar de boommarter was geliefd om zn pels en door de jacht verdween hij bijna. In 1947 werd de jacht verboden. De Werkgroep Boommarters Nederland zet zich in voor grotere boommarterpopulaties in ons land.

De boommarter is bijzonder schuw. Het dier jaagt s nachts en laat zich overdag weinig of niet zien. Als je hem tegenkomt, is het vaak als verkeersslachtoffer. De Werkgroep Boommarters Nederland (WBN) heeft de afgelopen jaren telkens ongeveer twintig doodgereden boommarters binnengekregen. Waarschijnlijk ligt het werkelijke aantal op dertig dode dieren per jaar. Dat is 10 procent van de totale populatie.
In het blad Marterpassen van de WBN staat het verslag van de vondst van een dode boommarter. Via Staatsbosbeheer krijgen enkele werkgroepleden de melding dat er een doodgereden boommarter is aangetroffen. Ze gaan meteen naar de vinder en de vindplaats toe. Daar blijkt dat de boommarter al meer dan een dag geleden is gevonden. Het is een vrouwtje (een moertje), dat zogend blijkt te zijn. Ze moet dus jongen hebben.
Ze gaan op zoek naar de nestboom. Dat moet een oude beuk of eik zijn, want boommarters zijn geweldige klimmers. Ze maken hun nest niet zelf, maar gebruiken het nest van een zwarte specht. De opening van dat nest is net groot genoeg om de marter binnen te laten. Binnen is een diepe holte, waarin de boommarter zn drie jongen grootbrengt. Die holtes van de zwarte specht zitten doorgaans behoorlijk hoog in de boom.

Honger
Het nest zit dit keer in een eik, ongeveer een kilometer verwijderd van de vindplaats. Hoe hebben ze die nestboom gevonden? Door het onophoudelijk schreeuwen van de jonge marters in het nest. Ze hebben honger maar hun moeder komt niet terug. Met een infraroodcamera stellen de werkgroepleden vast dat er drie jongen zijn. Ze bellen collegas om advies. „Is het zeker dat dit het nest van het doodgereden moertje is? Ze besluiten nog een etmaal te wachten en te posten. Er komt geen moertje en het klagende schreeuwen gaat door merg en been.
Onder het nest zit nog een holte in de boom. Daardoorheen halen de werkgroepleden de bodem uit het nest. Ze laten de camera voortdurend registreren hoe het met de jongen gaat. Die zakken langzaam en kunnen dan uit de boomholte worden gehaald. Onderkoeld en uitgedroogd. Nog geen drie weken jong en de oogjes nog gesloten.
De kleinste van de drie overleeft het niet. Later zal ook een van de twee andere martertjes doodgaan. Het derde diertje wordt verzorgd in de opvang en kan ruim vier maanden later weer uitgezet worden, 200 meter bij de nestboom vandaan. In een grote kooi met schuilgelegenheid. Als vastgesteld wordt dat de marter zelf prooi kan vangen, gaat de kooi open. Het diertje aarzelt en blijft voorlopig in de buurt van de kooi. Zn eerste oefeningen in een klimboom verlopen niet soepel. De marter komt nog regelmatig terug bij en in de kooi. Maar dat gebeurt steeds minder en op een gegeven moment zorgt het diertje helemaal voor zichzelf en kan de kooi weer opgeruimd worden tot de volgende marterwees.

Beren
Leden van de WBN zijn dolgelukkig als zon actie mag slagen. Er zijn immers maar ongeveer driehonderd boommarters meer in Nederland en ze komen slechts in drie gebieden voor: de Drents-Friese Wouden, de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Misschien ook nog in Kennemerland, maar daarnaar moet nog meer onderzoek gedaan worden. Door te zoeken naar krabsporen op de bast van beuk of eik, naar geschikte nestlocaties en naar uitwerpselen van boommarters.
De boommarter lijkt wel een beetje op een huiskat, maar is slanker. En hij loopt niet hoog op zn poten maar heeft meer een sluipende gang. De kleur varieert van donkerbruin tot kastanjebruin. De boommarter die ik gezien heb, was kastanjebruin. Zn bef is crèmewit of soms wat oranje. Hij stamt overigens niet af van de katten, maar van de beren. Dat wijst zn DNA-profiel uit. Zn kop is veel spitser dan die van een kat en zn oren staan er heel leuk op. Een beetje het profiel van een veldmuis.

Wilde ren
We zijn op bezoek bij het officiële opvangadres voor boommarters. Daar verzorgt Robert een aantal jonge boommarters in grote rennen in de tuin. Hij legt ons de verschillen uit tussen steenmarters en boommarters: „De steenmarter leeft in oude schuren, zelfs wel in een stedelijke omgeving, is niet schuw en heeft zich aardig aangepast aan de aanwezigheid van mensen. Hij niet zo zeldzaam en is inmiddels al gesignaleerd in het hartje van de stad. Een opmerkelijke bijkomstigheid is zn voorliefde voor rubber, zeker als het warm is. Hij heeft al heel wat autokabeltjes doorgebeten.
De boommarter zoekt de rust van het grote bosgebied. Het zijn sterke dieren. Ik kreeg een keer een melding van een verkeersslachtoffer, ging erheen en nam een dekentje mee om de marter in te doen. Tot mijn verbazing kwam zn kracht terug. Hij wrong zich uit de deken en nam de benen. Een eind verder viel hij dood neer. Een boommarter is zelden ziek. Het is één bundel spieren en hij is de kat verre de baas in kracht. De boommarter eet van alles: muizen, vogels, jonge konijntjes, alles wat hem voor de bek komt.
Dat de marter een en al spieren is, zien we als we bij de ren zijn. De marter zit in zijn nachthok en we zien hem niet. Als Robert het dak losmaakt en wat rommelt aan het hok, stuift ineens een kastanjerood, lang dier uit het hok. Het flitst een paar keer de ren rond. Zelfs langs het gaas van het dak, dus op zn kop. En zo snel, dat je hem met je ogen amper kunt volgen. Na deze wilde ren verdwijnt hij binnen een paar seconden weer in zn hok. En de kleur van zn bef? Ik zou het echt niet weten.
Wanneer Robert een jonge boommarter in zn handen heeft, zien we een heel ander plaatje: een lief diertje dat je zo zou knuffelen. Vanwaar dat verschil?
Robert: „De oude boommarter hebben we vorig jaar ook hier gehad. In het najaar is hij uitgezet, maar heel erg verzwakt hebben mensen hem gevonden. Nu zit hij hier weer en hij gaat er straks weer uit. Een marter hoort niet in een ren. En wat dat jonge martertje betreft, wacht maar eens tot die in de puberteit is. Daar vergelijk ik het vaak mee. Dan komen zn prikkels tot ontwikkeling en kun je hem voorzichtig via de grote ren loslaten op een goede locatie. Denk niet dat het hier kinderboerderijdieren worden. Ze zijn wild en ze blijven wild, daar is ons beleid op gericht.

Hengcam
Inmiddels heeft de WBN al heel wat informatie over boommarters verzameld. Soms op basis van geduldige waarnemingen, soms door sectie op aangereden dieren. Tegenwoordig benaderen leden van de WBN de marters met een zogenaamde hengcam. Dat is een heel klein infraroodcameraatje, hangend aan een soort lange hengel en verbonden met een laptop. De camera kun je heel voorzichtig door de ingang van het nest naar binnen laten zakken. Meestal hebben moeder en kinderen niets in de gaten.
Buitenlandse studies hebben uitgewezen dat een levensvatbare boommarterpopulatie uit ten minste 200 dieren moet bestaan. Het aantal marters op de Veluwe wordt geschat op 190. In de andere gebieden zijn het er dus veel minder. Robert: „Eilandpopulaties zijn ten dode opgeschreven. Je hebt grote, uitgestrekte, oude bossen nodig en voldoende dieren om de boommarter te verzekeren van een goede toekomst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 2 november 2005

Terdege | 108 Pagina's

Boommarters houden van uitgestrekte, oude bossen

Bekijk de hele uitgave van woensdag 2 november 2005

Terdege | 108 Pagina's

PDF Bekijken