Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

ENKELE OPMERKINGEN BIJ LUTHERS CONTROVERSE MET KARLSTADT

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

ENKELE OPMERKINGEN BIJ LUTHERS CONTROVERSE MET KARLSTADT

14 minuten leestijd

A. van den End.

De jaren 1522—1525 zijn voor de innerlijke ontwikkeling van de reformatie de periode der crisis geweest. In deze tijd viel namelijk de beslissing ten aanzien van de vraag of de reformatie haar beginsel trouw zou blijven, dan wel zou terugvallen op de lijn der middeleeuwse mystieke en wettische stromingen. Ontmoette de zaak der hervorming naar de buitenkant tamelijk weinig tegenstand, te groter was het gevaar naar de binnenkant der kerk, waar revolutie, humanisme en Schwarmerei het evangelie bedreigden. Laatstgenoemde stroming kenmerkte zich door de poging om de reformatie te verinnerlijken, doordat zij leerde dat de Geest buiten het Woord en de sacramenten om zijn werk doet. De Schwarmer waren mensen van het inwendig Woord, van de onmiddellijkheid. Ook Luthers ambtgenoot en vriend, Dr. Karlstadt, onderging hun invloed.

Andreas Rudolf Bodenstein werd omstreeks 1480 geboren te Karlstadt in Franken; hij studeerde in Erfurt en Keulen, vanwaar hij in 1505 vertrok naar Wittenberg. Nog in hetzelfde jaar werd hij daar bevorderd tot , , magister liberalium artium", terwijl op 13 november 1510 zijn promotie plaats vond tot doctor in de theologie.

In het jaar 1517 werd Karlstadt, die zich in zijn onderwijs steeds een ijverig Thomist getoond had, voor het reformatorisch standpunt gewonnen, dank zij de bestudering van Augustinus, waartoe Luther hem de stoot gaf^. In de gebeurtenissen, die het gevolg waren van

Luthers daad op 31 oktober 1517, koos hij openlijk diens zijde.

Toch waren hun wegen bestemd weer uitéén te gaan. Liet hun onderhnge verhouding reeds sinds het jaar 1519 te wensen over, het jaar 1522 werd in deze van beslissende betekenis. Tijdens Luthers verblijf op de Wartburg had Karlstadt namelijk in Wittenberg de leiding genomen, en er verschillende hervormingen ingevoerd. Zo bediende hij met Kerstmis 1521 het Avondmaal met de instellingswoorden, onder beide gestalten, zonder biecht of misgewaad, en trachtte hij de verwijdering van de beelden uit de kerken door te zetten. De hierdoor veroorzaakte spanningen namen nog toe door de komst van de Zwickauer profeten, Storch en Stübner. Bovendien werd met medewerking van Karlstadt een , , Orde dec stad Wittenberg" opgesteld, die door de raad op 24 januari 1522 werd uitgevaardigd en waarbij zowel de eredienst als de financiële basis der kerk en de armenzorg opnieuw werden geregeld. De beelden zouden op een nader aangegeven datum uit de kerken verwijderd worden. Grote opwinding was van dit alles het gevolg, en reeds vóór de bedoelde datum kwam het tot een uitbarsting. De menigte drong de kerken binnen en vernielde beelden en altaren.

In de verwarring der geesten was Luthers leiding onmisbaar. Op 6 maart 1522 kwam de hervormer in Wittenberg aan; zeer snel keerde onder zijn invloed de rust terug. Karlstadt moest zich beperken tot zijn werkzaamheden aan de universiteit, werd eenzelvig, geneigd tot mystieke overpeinzingen. Na kort in de gemeente van Orlamünde werkzaam te zijn geweest, werd hij in september 1524 uit Saksen verdreven. Hoewel hij daar, mede op voorspraak van Luther, in 1525 weer mocht terugkeren, leidde de ontwikkeHng der gebeurtenissen er toe, dat hij, om redenen van eigen veiligheid, in het begin van 1529 het land voorgoed verliet. Na talloze omzwervingen, vestigde hij zich tenslotte in Bazel, waar hij tot zijn dood, op 24 december 1541, aan de universiteit en als prediker werkzaam was.

Reeds tijdens zijn eerste verblijf buiten het keurvorstelijk gebied, pubhceerde Karlstadt verschillende geschriften tegen Luther, waarin hij een uitvoerige uiteenzetting gaf van zijn gewijzigde Avondmaalsleer, die een ontkenning inhield van de Uchamelijke tegenwoordigheid van Christus in het brood en de wijn. Op deze aanval antwoordde Luther, uitvoerig en scherp, vooral in het geschrift: „ Wiafer die himmlischen Propheten, von den Bildern und Sakrament." Terwijl Luther zich in het eerste deel, dat eind december 1524 gereed was, vooral

keert tegen het verwijderen der beelden door gewelddadig optreden, en enkele formele kwesties behandelt inzake de mis, verdedigt hij in het tweede deel, dat eind januari 1525 verscheen, tegenover Karlstadt uitvoerig zijn leer van de „praesentia realis". De toon van het geschrift is uiterst fel, wat goeddeels verklaard moet worden uit het feit, dat Luther, naar zijn stellige overtuiging, zich keerde tegen een man, die de gronden der reformatie aantastte. Doorlopend schrijft hij Karlstadt dezelfde bedoehngen toe als de Schwarmer, waarbij vooral gedacht moet worden aan de reeds genoemde Zwickauer profeten, alsook aan Münzer.

Nu zijn strijdschriften in de regel geen zuivere bron voor de objectieve kennis van de er in bestreden opvattingen, waarom er reden is voor de vraag of Luthers oordeel over Karlstadt recht doet aan diens gevoelen en bedoelingen. Welnu, wanneer Luther zijn tegenstander met de Schwarmer op één hoop werpt, is dat niet in alle opzichten juist. Ongetwijfeld onderscheidde Karlstadt zich in zijn optreden van Luther door een sterk radicaüsme, vooral met betrekking tot het doorzetten van verschillende hervormingen inzake de cultus en de kerkelijke toestanden. Van het revolutionaire drijven der Schwarmer was Karlstadt evenwel afkerig. Dat hij zich bij de Zwickauer profeten, die in de laatste dagen van december 1521 in Wittenberg aankwamen, heeft aangesloten, is niet te bewijzen2. Wel is bekend dat Karlstadt, in 1522, in een persoonlijk schrijven er bij Münzer op aandrong zich te matigen, terwijl in 1524 de gemeente van Orlamünde, waar Karlstadt toen werkzaam was, bij de beantwoording van een tot haar gericht schrijven van Münzer, zich zeer beslist van deze distanciëerde''.

Erkend moet echter, dat Karlstadt in zijn theologische opvattingen, zoals deze zich in de bovenbedoelde jaren ontwikkeld hadden, sterke verwantschap vertoonde met de Schwarmer. Een korte samenvatting ervan, voorzover nodig om Luthers fel verzet te verstaan, moge hier thans volgen.

Welnu, de gedachten van Karlstadt verraden zeer duidelijk de invloed der Duitse mystiek, waarbij vooral genoemd moeten worden:

Tauler en de „Theologia Deutsch"^. De wil Gods is voor hem het scheppend principe van alle religieus leven. Deze goddelijke wil is in de Schrift, door middel van de profeten, Christus en de apostelen, bekend gemaakt. Ook in de wet maakte God zijn wil bekend. Een uitwendig verstaan van de Schrift kan echter niet inleiden in de diepten der goddelijke waarheid; zij moet geestelijk verklaard worden.

In scherpe tegenstelling nu tot dit goddelijk wilsprincipe, staat de natuurlijke mens met zijn aanleg en neigingen. Zonde omschrijft Karlstadt als , , ein Widerwill, ander Will oder Beiwill, der wider oder anders will denn Gott wiH"5. Zoals elke vriendschap een wilsgemeenschap veronderstelt, zo is slechts hij een vriend Gods, wiens wil verzinkt in de goddelijke wil.

Tegenover de vleselijke, of, gelijk Karlstadt ook wel zegt, psychische mens, die zijn lust en genoegen vindt in de schepselen, staat de geestelijke mens, die zijn wilsimpulsen van God ontvangt.

Hoe kan nu de psychische mens tot een geestelijk mens worden? Welke wegen voeren de zondaar weer tot God?

Bij de beantwoording van deze vragen wordt de denk-en spreekwijze van Karlstadt sterk mystiek. Zeer belangrijk is hier in Karlstadts gedachten het mystieke begrip „Gelassenheit", dat in actieve zin bedoeld is. , , Der ist ein gelassener Mensch, der gelaszt oder verlaszt"6. , , Verlassen" of , , gelassen" moet alles worden, wat behoort tot de natuurlijke levenssfeer van de mens. , , Darum ist zu merken, dasz ich das mein in keinerlei Weis und Weg sollt suchen oder meinen, wenn ich Gott behagen will. Das Wort „mein" begreift: mein Ehre, mein Unehre, meinen Nutzen, meinen Schaden, meinen Lust, meinen Unlust, meinen Lohn, meine Peen, mein Leben, meinen Tod, Bitterkeit, Fröhlichkeit und alles, das einen Menschen mag anrühren, es sei an aüszerhchen Gütern und leiblichen oder innerlichen Dingen, als Vernunft, wollende Kraft und Begierden. Alles darin „ich und Ichheit", , , mich und Meinheit" kleben mag, dasselb musz ausgehen und abfallen, soil ich gelassen sein, Dann Gelassenheit dringt und

flieszt durchaus über alles, das geschaffen ist; sie kommt in ihr „ungeschaffen Nichts", da sie ungeschaffen und nicht gewesen ist, das ist in ihren Ursprung und Schöpfer'"^.

Men moet niet alleen afzien van alle vreugden van het genot, maar ook van alle geestelijke krachten en gaven. Hetzelfde geldt van de natuurlijke en sociale banden, die de mens verbinden met de wereld rondom hem. Ongetwijfeld zijn wij niemand meer liefde schuldig dan onze ouders en kinderen, maar, zegt Karlstadt: , , Jedoch musz dieselbige Lieb verlöschen und verschmelzen in Gottes Lieb"^.

De totale overgave aan de goddelijke wil vereist ook een prijsgeven van alle religieuze instanties, die zich het verkeer der ziel met God hinderlijk in de weg stellen. Allereerst is hierbij te denken aan de heiligenverering. Maar zelfs moet de naar God verlangende ziel zich, in haar streven om met de Schepper „willenseins" te worden, ook door de Schrift niet in de war laten brengen. „AUhie sollt ich auch sagen, wie ein recht gelassener Mensch die heilige Schrift gelassen und nicht um Buchstaben wissen, sondern eingehn in die Macht des Herrn (als David spricht) und Gott den Herrn ohn Ablassen bitten, dasz er ihm wahren Verstand wolle eingeben. Als wenn einer etwas nit versteht oder ein Urteil gern wollt vernehmen, so soil er in der Gelassenhcit stehen: d.i. aus ihm gehn und mit seiner Vernunft stillhalten und gestrenglich von Gott seine Kunst begehren und horen, was ihm Gott will sagen, so werden ihm schwinde Gedachtnis einfallen. Dieselben soil er mit Gezeugnis heiliger Schrift bewahren und rechtlertigen"9.

Van „Gelassenheit" nu moet de mens voortschrijden tot , , Gelassenheit in Gelassenheit". Men mag namelijk ook in de deugd der , , Gelassenheit" innerlijk geen voldoening of welgevallen hebben. Karlstadt zegt daarvan: , , So muszt du auch Achtung haben, dasz du Gelassenheit in Gelassenheit habest, d.i. dasz du dich deiner Gelassenheit nit annehmest, dasz du nit deine höchste Tugend mit Lieb und Lust besitzcst, die dich in Gott tragen soil und dasz du nit da stehest, davon du fliehen solltest"io.

De mens moet dus alles loslaten, afsterven van alles, om zich aan God over te laten. Dit gaat tegen onze natuur en wil in, waarom Karlstadt schrijft: „Solche Gelassenheit, die alle Ding übergibt, ist ein

taglich Creutz, welches wir taglich tragen mussen und nicht still stehen, sondern Christo nachfolgen und da sein mit Willen, Gedanken, Lieb, Lust und allem dem Unsern, da Christus ist, zur Rechten Gottes, in Gottes ewigen Willen verschmelzen und zu nicht werden. Welcher also alle Ding gelaszt, der mag ein Discipul und Lehrjiinger Christi werden. Diese Seel musz noch auf den heutigen Tag formlosz sein, d.i. bios und wiist sein aller Creaturen, wan sie Gott soil einnehmen und geschehen lassen, dasz sie Gott besitzet, herrschet und zieret, als in der ersten Schaffung was"ii.

Heeft nu de wilsvereniging met God zich doorgezet en is het huis of de tempel Gods, d.i. de ziel, met zijn glorie vervuld, dan slaat de , , Gelassenheit" óm in „himmlische Ungelassenheit". „Denn es ist nichts leer und ledig in der Seele, dieweil sie der Geist Gottes nicht unvergottet laszt, durchgehet und erfüllt und ewighch in der Seel bleibt und in ein götthch Leben bringt. Auch haben die Creaturen und Lusten und Begirden keinen Zugang mehr zu der Seele, nachdem der Mensch ganz in der Seele ist und die Seele in einen vollen Frid und Gehorsam führt. Also wirdt creaturisch Gclassenheit ein göttlich Ungelassenheit"i2. Heel dat innerlijk proces nu, dat de onmisbare voorwaarde is tot de vereniging met God, omvat de wedergeboorte, de innerlijke vernieuwing van de mens. , , Also ist unser Heiligkeit, Neuheit und Wiedergeburt allhie ein Absterben eigens Willens"i3.

Duidelijk is, dat binnen het raam van deze gedachten het werk van Christus niet tot zijn recht kan komen. Als bij Tauler en in de „Theologia Deutsch", gaat het hier vooral om de tegenstelling tussen het éne en het vele, niet om die tussen de heilige God en de zondaar. De verzoening treedt dan ook geheel op de achtergrond. Terecht oordeelt Luther dat Karlstadt de leer des geloofs geheel verwaarloost. De centrale betekenis van het geloof wordt door hem inderdaad miskend. Het gaat bij hem wezenlijk om de „imitatio Christi", zij het ook, dat deze , , imitatio" niet allereerst bedoeld is als een uiterlijke navolging van de door Christus gegeven voorschriften. Nadrukkelijk stelt Karlstadt op de voorgrond, dat de gezindheid, waardoor het handelen en lijden en sterven van Christus gedragen werd, in het subjectieve bewustzijn opnieuw werkelijkheid moet worden, zal er van verzoening en verlossing sprake kunnen zijn. De betekenis van Christus' verschijning in de wereld bestaat voor Karlstadt vooral daarin, dat zij

voor het religieuze leven der gelovigen de hoogste, onomstotelijke normen heeft gebracht. Het werk van Christus omvat, welbeschouwd, niets anders, dan de vervulling van die eisen, die Karlstadt aan alle gelovigen stelt. Zijn lijden en dood openbaren op ideale wijze de , , himmlische Gelassenheit". De offerdood van Christus houdt voor Karlstadt een waarborg in, dat verlossing mogelijk en de weg tot haar de gelovigen voorgeschreven is. „Gott hat uns Christum, seinen Sohn, als einen Weg, Wahrheit und Leben gesandt, insonderheit von wegen dieser Tugend Gelassenheit, auf dasz wir einen wahrhafftigen und lebendigen Weg hatten, der sollich gelassen Leben am höchsten und besten geführt hat, welchem wir mochten desto gewisser nachvolgen und wissen, dasz wir unbetrogen seind, so wir ihm nachschreiten und gehen, als er gegangen ist"i4. Luthers opmerking is dan ook volkomen juist, dat Karlstadt „aus Christo nur eyn exempel und gepieter macht, daraus nichts denn wercke gelernt werden''^^.

Ook wijst Luther er terecht op, dat Karlstadt de door God met betrekking tot de heilstoeëigening gestelde orde omkeert. Woord en sacrament worden inderdaad door Karlstadt niet gewaardeerd als de uiterlijke middelen, waardoor de Geest innerlijk werkt. Wij zagen reeds, dat de Schrift bij hem slechts een secundaire plaats inneemt: zij dient slechts om achteraf te bevestigen wat Christus onmiddellijk door zijn Geest geschonken heeft. Hiermee stelt Karlstadt zich aan de zijde der Schwarmer met hun spiritualisme.

Tegelijk is er bij hem ook een omkering van de rechte orde inzake hetgeen de Geest innerlijk werkt. Wat bij Luther vrucht is van het geloof, zoals de , , mortificatio carnis" en de werken der liefde, is bij Karlstadt, in de grond der zaak, voorwaarde voor het deel krijgen aan het heil. Karlstadts opvatting van de heilsweg is gekenmerkt door een verfijnde werkgerechtigheid en als zodanig is zij niets minder dan een fundamentele verloochening van de „articulus stantis et cadentis ecclesiae": de „iustificatio sola fide".


1 Zelf heeft Karlstadt dit ook duidelijk erkend. In een tot Staupitz gerichte voorrede van zijn in 1517 uitgegeven kommentaar op Augustinus' geschrift „De spiritu et litera", schrijft hij o.m.: „Exurrexit dei ope quidam de nostris Venerandus Pater Martinus Luther et arcium aoutissimus et theologiae doctor acerrimus atque eorundem fratrum per Saxoniam Vicarius, qui meraciores sanctae seripturae litteras perdidicit et earum succum ultra fidem epotavit asserebatque scholasticos doctores et a Christi non solum documentis sed et intelligentia tam Augustini ('cuius documenta frequentius citat) tam aliorum similium esse alienissimos". Zie Ernst Kahler, Karlstadt und Augustin, p. 4, in Hallische MonograpMen Nr 19, Halle (Saaie), 1952.

2 Hermaim Barge, Andreas Bodenstein von Karlstadt, Leipzig 1905, I, S. 404f; C. F. Jager, Andreas Bodenstein von Carlstadt, Stuttgart 1856, S. 263. Barge moet critiseh gelezen worden; de bedoeling der reformatie blqkt hij niet te verstaan, zodat zijn oordeel over Karlstadt ook beslist onjuist is. Bovendien is zijn historisch exposé niet altijd betrouwbaar. Vgl. Karl Muller, Luther v/nd Karlstadt, Tubingen 1907.

3 Barge, a.a.O. I, S. 405; II, S. 115.

4 Een brede uiteenzetting van Karlstadts mystiek geeft Barge, a.a.O., II, S. 1-94. Zie ook Jager, a.a.O., S. 300-3.38.

5 Karlstadt, Von Mannigfaltiglceit des einfaltigen einigen Willen Gottes , 1.523. Belangrijk ig ook Karlstadtg geschrift: „Was gcsagt ist, sich gelassen und was das Wort Gelassenheit hedewt und wa es in heil. Geschrifft hegriffen", 1523. Het citaat is te viaden bij Barge, a.a.O., II, S. 25. Helaas bleken deze geschriften van Karlstadt, die van grote betekenis zijn voor het verstaan van zijn mystiek, in geen enkele Nederlandse bibliotheek aanwezig, zodat wij aangewezen waren op de gelukkig uitvoerige citaten bij Barge en Jager.

6 Barge, a.a.O., II, 8. 37.

7 Barge, a.a.O., II, S. 37; Jager, a.a.O., S, .327.

8 Barge, a.a.O., II, S. 42.

9 Barge, a.a.O., II, S. 44; Jager, a.a.O., S. .3.34.

10 Barge, a.a.O., II, S. 45f; Jager, a.a.O., S. 330.

11 Jager, a.a.O., S. 331.

12 Jager, a.a.O., S. 338.

13 Jager, a.a.O., 8. 314.

14 Jager, a.a.O., S. 336, ef. Anm.

15 D. Martin Luthers Werke. Kritische Gesamtausgabe, Weimar, 1883 ff., 18, S. 196 f.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958

Theologia Reformata | 203 Pagina's

ENKELE OPMERKINGEN BIJ LUTHERS CONTROVERSE MET KARLSTADT

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1958

Theologia Reformata | 203 Pagina's

PDF Bekijken