Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE REFORMATIE EN DE STRUCTUUR VAN DE KERK*

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE REFORMATIE EN DE STRUCTUUR VAN DE KERK*

42 minuten leestijd

W. van 't Spijker

Conflict met Rome

Het lijkt mij gewenst om aanstonds een zekere beperking aan te brengen in de titel van ons onderwerp. Wanneer wij spreken over de Reformatie bedoelen wij daarmee met name die tak van de grote evangelische beweging uit de 16e eeuw aan te duiden, die gestalte heeft gekregen in de kerken van gereformeerde signatuur. Daarmee is ons onderwerp enerzijds afgegrensd tegenover rooms-katholieke opvattingen, die in de bewogen hervormingstijd opgeld deden, terwijl wij anderzijds met opzet slechts weinig aandacht zullen besteden aan de gedachten, die in de kringen van de grote Wittenberger Reformator van kracht waren, alsmede aan die van hen, die men tegenwoordig wel pleegt aan te duiden als de linker vleugel van de Reformatie, of ook als „derde reformatie": de opvattingen van de dopersen en spiritualisten.

De gereformeerde visie op de structuur van de kerk is onmogelijk te verstaan zonder enig inzicht in de antithese tegenover de roomse opvattingen. Weliswaar zouden deze eerst duidelijk geformuleerd worden uitgesproken op het concilie van Trente. Maar dat betekent niet, dat wat daar geformuleerd werd ook eerst daar zich liet gelden. Reeds veel eerder tekende zich binnen de roomse kerk een opvatting af, die wel het verzet van velen moest oproepen. Het algemeen verlangen naar hervorming van de kerk in hoofd en leden is alleen te verklaren uit onbehagen over de kerkelijke praktijk en kerkelijke structuur, die haar zwaartepunt vond in de hiërarchie. Woordvoeders als Joh. Eek, Albertus Pighius, Barth. Latomus en anderen hebben reeds vóór Trente uitdrukking gegeven aan wat volgens hen wezenlijk was voor de structuur van de kerk. Ondanks sommige nuances in hun opvattingen, waaraan wij nu geen aandacht kunnen schenken heerst er bij hen een grote mate van overeenstemming wanneer het gaat om wat volgens hen wezenlijk is voor de kerk. Op het volgende komt het dan aan: „Twee dingen vormen een punt van geschil - aldus Pighius in een verweerschrift tegen Martin Bucer - het eerste is, of uw ordinatie tot het priesterschap en het episcopaat wettig is. Het tweede: of uw priesters en bisschoppen, door een onafgebroken aaneenschakeling in opvolging, als

't ware door de handen, hun gezag ontvangen hebben van de apostelen. Elk van beide is noodzakelijk voor kerken die de gemeenschap met en de band aan de katholieke kerk pretenderen te bezitten"!.

In dit citaat blijkt de w^ettigheid van de ordinatie als sacrament van de wijding samen met de apostolische successie te functioneren als waarborg voor de zuivere structuur van de kerk. Door het sacrament van de priesterwijding ontvangt de ambtsdrager een volheid van ambtelijke macht, die hem bekwaam maakt, het sacrament van het altaar te bedienen en de absolutie te verlenen in de biechtstoel, d.w.z. de gemeente wordt gestructureerd rondom het misaltaar en de biechtstoel. In overeenstemming daarmee is de tweeërlei potestas, die door het sacrament van de priesterwijding met een onvernietigbaar karakter wordt ingedrukt: n.l. de potestas ordinis, die voornamelijk beschouwd kan worden als de macht om het offer van Golgotha op een onbloedige wijze te herhalen, en de potestas juridictionis, die in verband staat met de macht om de zonden te vergeven. Naast deze sacramentele opvatting van de priesterwijding staat de apostolische successie als tweede kenmerk van deze kerkstructuur. Eerst dan is er van een wettig ambt en van een wettige gemeente sprake, wanneer de band aan de apostolische kerk duidelijk naar voren springt. Wezenlijk is hier het episcopaat, hetzij het gedacht is als uitvloeisel van het pauselijke ambt, zoals het naar voren komt in het zuiver curialistisch gedachte-systeem, hetzij het min of meer als een zelfstandig gegeven in de kerk kan opereren, zoals het immers optreedt in het conciliaire standpunt - maar hoe dan ook, het sacrale, hiërarchisch gekarakteriseerde episcopaat is wezenlijk bepalend voor het apostolisch karakter van de kerkelijke structuur^.

De reformatorische visie op de boete drong de biechtstoel op de achtergrond. De reformatorische kritiek op het sacrament van het altaar verschoof de aandacht van de magisch opgevatte sacramentsbeschouwing naar de dis van het Verbond. De roomse kerkstructuur, bepaald door altaar en biechtstoel moet wijken voor de reformatorische, waarbij de kansel en de

avondmaalstafel centraal komen te staan. De gemeente constitueert zich niet in de ambten, zij ontvangt haar structuur niet van het hiërarchisch en sacramenteel gedachte episcopaat, maar de gemeente constitueert zich rond de kansel, en zoekt gestalte rond de dis van het Verbond. Dit belangrijke gegeven heeft de Reformatie gewonnen in haar antithese tegenover Rome. Ook andere punten zouden daarbij nog genoemd kunnen worden, maar zij staan alle min of meer in verband met deze fundamentele tegenstelling. De hiërarchische structuur van de kerk stond bij Rome vast in een massieve onaantastbaarheid, die bij tijden onwezenlijk aandoet, maar die niettemin wezenlijk was voor de roomse opvatting en die als zodanig wel de kritiek der Reformatie wakker moest roepen.

Rechtvaardiging en Kerkstructuur

De leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen, dé grote ontdekking van Maarten Luther, vormde het dynamiet onder deze kerkbeschouwing. Niet de mis en het onbloedige offer daarbij gebracht, maar de kansel, het „fides ex auditu" staat centraal in de gemeente. De functie van de leer der rechtvaardiging is in tweeërlei zin van beslissend belang voor de kerkbeschouwing.

In de eerste plaats wordt het accent verschoven van de sacramenten naar de woordbediening. De kerk heeft haar grootste schat niet in een magisch opgevatte schat van genaden, die door middel van de sacramenten haar leden geïnfuseerd worden, maar de grootste schat van de kerk is het Woord Gods. De reformatie heeft predikers voortgebracht. En de kracht van de evangelische beweging is het Woord geweest, zoals Luther opmerkte: „Neem mij bijvoorbeeld, Ik verzette mij tegen de aflaat en alle papen, maar nooit door kracht. Ik onderwees eenvoudig, preekte en schreef het Woord van God, anders deed ik niets. En terwijl ik sliep, of Wittenbergs bier dronk met Philippus en Amsdorf verzwakte het Woord het pausdom zo sterk, dat nimmer een prins of de keizer zulk een schade er aan kon berokkenen. Ik deed niets. Het Woord deed alles"^. Dit Woord heeft ook de forma - men zou kunnen zeggen, de structuur van de kerk grondig gewijzigd.

In nóg sterker zin blijkt de leer van de rechtvaardiging door het geloof van beslissende betekenis te zijn voor de kerkelijke structuur, doordat in de kerk in feite slechts één vraag van belang is: die naar het geloof. Slechts geloof maakt onderscheid. De priesterwijding, die de roomse kerk opsplitste in geestelijken en leken komt als criterium niet meer in aanmerking. Zij wordt als een uiterst verfijnde vorm van werkheiligheid afgewezen. Slechts door het geloof wordt een mens vrij voor God en mensen en gebonden aan God en de mensen. En zo wordt de vraag naar het wezen van de kerk be-

antwoord in die zin dat zij als vergadering der gelovigen gekenmerkt moet worden.

Luther heeft vanuit deze visie op de rechtvaardiging de vrijheid gevonden ten opzichte van het kerkelijke instituut als zodanig, hetgeen tot uitdrukking kwam in het verbranden van de pauselijke bul op 10 december 1520 buiten de Elsterpoort te Wittenberg. „Hij bedoelde een protest", schrijft F. L. Rutgers, „niet slechts tegen het vonnis dat over hemzelven was uitgesproken, maar veeleer tegen het beginsel waaruit dat vonnis voortkwam, tegen het gehele stelsel waarvan het slechts de toepassing was".

Wij laten nu verder Luthers gedachten ten aanzien van de kerkelijke structuur rusten. Door zijn opvatting van de twee rijken heeft hij de theologische basis gevonden waardoor de kerkelijke structuur voor een groot gedeelte zou worden bepaald door de wereldlijke vorsten. Niet vreemd hieraan is geweest de omstandigheid dat de Lutherse reformatie in eerste instantie te maken kreeg met landsvorsten, terwijl de gereformeerde reformatie in eerste instantie een zaak was van vrije rijkssteden.

Een tweede factor van betekenis is geweest, dat Luther in de vormgeving van zijn kerkbeschouwing niet in dezelfde mate als deze laatste is beïnvloed door de opvattingen van dopersen en spiritualisten. Zwingli, Bucer en Galvijn hebben ook op dit front in kerkelijk opzicht een sterke strijd te voeren gehad. De sporen daarvan laten zich duidelijk in de gereformeerde kerkbeschouwing terugvinden. Tot deze laatste beperken wij ons nu verder.

Lichaam van Christus

De eerste vraag is dus die naar de gemeente als zodanig. Hoe hebben de reformatoren de gemeente beschouwd?

Eén van de kernwoorden die in de gereformeerde ekklesiologie telkens weer gebruikt worden is die van het corpus Christi mysticum. De kerk is het mystieke Lichaam van Christus. Bucer en Calvijn hebben het begrip Lichaam van Christus gehanteerd, niet slechts bij wijze van vergelijking. Maar zij hebben daarin een reële aanduiding gezien van de werkelijkheid der gemeente. Veel en veel sterker dan in de lutherse zienswijze is in die der gereformeerden de brief van Paulus aan Efese van beslissende betekenis geweest. Wanneer er gesproken wordt van Lichaam van Christus duidt dit op en allerinnigste betrekking: „Welke verbinding zou sterker kunnen zijn dan die van de leden van één lichaam onder elkander."

Van dit Lichaam is Christus het Hoofd. Dat ziet niet alleen op de levendmakende kracht die van Christus uitgaat, waardoor al de zijnen tot geloof komen, maar veel meer zien Bucer en Calvijn ook daarin een aanduiding van de regering die Christus uitoefent en de gehoorzaamheid die Hij vordert. Het Hoofd-zijn van Christus correspondeert met Zijn koningschap over de gemeente. Hier wordt duidelijk de doorwerking van een specifiek gereformeerd accent in de christologie: van de drie ambten van Chris-

tus domineert het koninklijke ambt. Christus is als koning de Middelaar die zijn profetische werk toepast en als priester-koning bemiddelend optreedt bij de Vader.

Deze christologische bijzonderheid krijgt een ecclesiologische spits: Christus is Hoofd van zijn gemeente. Zijn koningschap is beslissend voor het zijn én voor het welzijn van de gemeente. De regering van de kerk is christologisch gefundeerd. Voor alle delen van de kerkbeschouwing hebben de gereformeerden deze gedachte in meerdere of mindere mate uitgewerkt.

Hier ligt de oorzaak van de afwijzing van iedere vorm van hiërarchie. Het Hoofd-zijn van Christus verdraagt eenvoudig geen vicariaat van de paus of van de priester. Elke vorm van gezag als een autonome kerkelijkhiërarchische functie vormt een bedreiging van de koninklijke heerlijkheid van Christus. „Er bestaat onder de leden van Christus een maximale verbintenis, veel sterker dan bij alle anderen aangezien zij van Godswege en door de Geest Gods en niet door een natuurlijke of politieke indruk tot één vergaderd zijn. Daarom wordt zo veel te meer in de meest eigenlijke zin hun vergadering een Lichaam genoemd, waarin Christus leeft, terwijl het Lichaam leeft in Christus. .. Hij zelf reinigt haar door zijn eigen bloed, door zijn Geest maakt Hij haar levend; hoewel Hij daartoe verschillende diensten gebruikt, toch is Hij zelf de voornaamste bestuurder, de eerste en de machtigste" (Bucer, Eph.-commentaar, 1562, p. 73).

Bucer past dit alles toe, niet op de universele kerk allereerst. Veeleer ziet Bucer in de plaatselijke kerken de tastbare realiteit van het Lichaam van Christus. De hantering van het begrip corpus Christi mysticum dient niet om uit de werkelijkheid weg te vhachten. De kerk is immers de vergadering van mensen, die in afzonderlijke streken, steden, parochies en huizen samenkomen om door hetzelfde geloof dezelfde God aan te roepen en te dienen. Samen vormen deze coetus de universele kerk. Maar daar, in de huizen en parochies, in de menselijke gemeenschappen komt de kerk openbaar in haar ministerium en in de gehele beoefening der religie in Woord en sacrament naar de bediening en regering van de Geest. Van deze kerk geldt: haec est Ecclesia cum consideratione, Hic et Nunc: dit is de kerk in de volle zin, hier en nu. Zij is zichtbaar. En wanneer dan ook en waar dan ook, bij haar dienen wij vergaderd te worden om haar te horen.

Wij vinden hier een wezenlijk kenmerk van de gereformeerde kerkbeschouwing, dat ook van beslissende betekenis is voor de visie op de kerkelijke structuur: men gaat uit van de plaatselijke kerk, de ecclesia localis. ledere gemeente van Christus dient erkend te worden als civitas Dei, als corpus et sponsa Christi*. In iedere gemeente van Christus is ook de totus Christus

aanwezig, en werkt Hij de tota redemptio. Daarom is ook aan iedere gemeente de potestas ecclesiastica toevertrouwd. Vooral in het verzet tegen de rooms opgevatte ecclesia universalis heeft de gereformeerde Reformatie de nadruk gelegd op de plaatselijke kerk, die als zodanig beschikt over een plenitudo potestatis. Hier berust de „autonomie" van de plaatselijke kerk ten diepste op de presentia realis van Christus.

Wij kennnen het begrip presentia realis vooral uit de avondmaalsstrijd. En wij gebruiken het in een sacramentele context, wanneer het gaat om de vraag naar de aanwezigheid van het Lichaam van Christus in brood en wijn. Maar men kan met evenveel recht de gedachte van de presentia realis toepassen op het Lichaam van Christus, dat Zijn gemeente is. Door de Heilige Geest is Christus werkelijk present in Zijn eigen Lichaam, dat is de gemeente. En Hij zelf werkt er alle heil. Weliswaar gebruikt Hij daarbij de dienst van mensen, maar in feite werkt Hij zelf het heil. Een zeer belangrijke en altijd weer terugkerende tekst is die van de reële tegenwoordigheid van Christus: Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben ik in het midden.

Zo krijgen allerlei centrale begrippen in de gereformeerde theologie een ekklesiologische spits. De inlijving, incorporatio, of insitio in Christus wordt ook toegepast op de gemeente. Vandaar dat naast de aanduiding van de gemeente als Lichaam van Christus ook die andere centraal staat: de gemeente als gemeenschap der heiligen^.

Communio sanctorum

Ook hier praevaleert de gemeenschap met Christus. Primair is het feit, dat de gelovigen door een waar geloof Christus worden ingelijfd. Maar dat moet dan ook blijken uit de vruchten. In een nauwe samenhang met gereformeerde gedachten over de verhouding van Wet en evangelie, van geloof en werken, van rechtvaardiging en heiliging staat het feit, dat krachtens zijn inzet de gereformeerde beschouwing van het heil kerkinstituerend werkt, gemeentevormend. Vanuit de eenheid met het Hoofd Christus komen de reformatoren tot de eenheid der gelovigen. „Zeer zeldzaam is echter

deze koinonia sanctorum", omdat de mensen niet geloven, dat zij in Christus op elkander zijn aangewezen. Het Lichaam van Christus moet wasdom kennen. En daarbij moet een ieder der leden worden ingeschakeld.

In alle onderlinge en intermenselijke verhoudingen moet de communio sanctorum doorstralen, n.l. als een actieve liefdesgemeenschap, als heilsgemeenschap en als tuchtgemeenschap. Door de doop wordt men in het Lichaam ingelijfd. Bij de confirmatie schaart men zich bewust in de rij der belijders^. Rondom het Avondmaal constitueert zich zichtbaar voor het oog van allen de gemeente midden in deze wereld.

Bij dit alles werkt Christus zelf. Maar, zoals gezegd, Hij schakelt daarbij de mensen in. Dat wil niet zeggen, een enkeling, die op een bijzondere manier handelt, maar de totaliteit van de gemeenschap wordt gebouwd door elk der leden afzonderlijk. Christus is geen Christus otiosus, geen ledigzittende Heiland. Evenmin kent Hij in zijn Lichaam leden die ledig zouden zitten. Ieder heeft zijn eigen opdracht, zijn eigen roeping, die hierin gelegen is, dat de een de ander opbouwt in de kennis van Christus. Wasdom van de gemeente is voor Bucer, dat er zovelen als maar mogelijk is, worden toegebracht tot de gemeente, en dat zij, die tot de gemeente behoren steeds meer en meer wassen en toenemen in Christus en in het leven voor Hem. In de praktijk betekende dit, dat de pastorale zorg vooral zich richt op zo gemakkelijk mogelijk te bewerken pastorale eenheden, en dat grote waarde wordt gehecht aan een rationele wijkindeling. Dit laatste was één van de eisen, die Calvijn stelde voor zijn terugkeer naar Geneve.

Een praktisch uitvloeisel van een en ander is geweest, dat Bucer in Straatsburg op een gegeven moment ging experimenteren met kleine wijkgemeenten, waar de onderlinge bekendheid, een eerste voorwaarde voor onderling dienstbetoon, geen wensdroom zou behoeven te blijven. De mensen, die van Christus zijn horen bij Hem, maar zij behoren ook bij elkander. Bijbelkringen, samenkomsten ter bespreking van schriftvragen en praktische problemen, de z.g. profetieën zijn op gereformeerd erf een legitiem ver­

ts Onjuist is de uitspraak in „Gemeentevormen en Gemeenteopbouw", dat de vorm van catechisatie als onderricht aan jongeren met de openbare belijdenis als afsluiting waardoor men om zo te zeggen kerkelijk volwassen wordt, pas uit de vorige eeuw stamt (p. 55). Niet ten onrechte wordt Bucer de vader der confirmatie in de gereformeerde kerken genoemd. Vlg. Bjarne Hareide, Die Konfirmation in der Reformationszeit, Göttingen 1971. De verschuiving in het leerproces zoals dat in het rapport Gemeentevormen wordt gesignaleerd en gestimuleerd hangt samen met een ontbreken van het besef dat wat in het leerhuis der gemeente plaats vindt in feite niets anders is dan een bedienen van de sleutelmacht. Geen vrijblijvende informatie wordt daar verstrekt doch heengeleid naar de dis van het verbond. Vgl. in dit verband K. Frör, Zur Interpretation der Kasseier Konfirmationsordnung, in: Reformatio und Confessio, Festschrift für D. W. Maurer, Berlin/Hamburg 1965, S. 161-179. De onontkoppelbare relatie tussen doop, catechese, belijdenis en avondmaal geeft uitdrukking aan de breedheid van Gods verbond en tegelijk aan het geestelijk karakter ervan. Maakt men deze zaken van elkander los dan geeft men een positie prijs die de gereformeerden gewonnen hebben in hun conflict met Rome ener-, en met de dopersen anderzijds.

schijnsel. Bucer heeft ze nagestreefd als uitdrukkingswijze van de gemeenschap der heiligen, als een manier van zichtbaarmaking van de gemeente. Anabaptisch en spiritualistisch misbruik hoeft niet noodzakelijk reformatorisch gebruik uit te sluiten'^.

Ambt en gemeente

Een vraag de nu onvermijdelijk naar boven komt is die naar de plaats en functie van het ambt in de gemeente.

De Reformatie heeft duidelijk onderscheid gemaakt tussen twee motieven, wanneer het gaat om de fundering van het ambt. Deze twee motieven hebben bij Luther in zekere zin de kans gehad om uit elkander te groeien, zodat tot op de dag van heden de discussie in Lutherse kringen nog steeds voortduurt of men het ambt moet zien als een instelling van God ten behoeve van de gemeente, zodat tot op zekere hoogte het ambt een zelfstandige opstelling ten opzichte van de gemeente ontvangt, óf dat men het ambt heeft te beschouwen als een verbijzondering van het ambt der gelovigen, een speciale ontwikkeling van het algemeen priesterschap.

Dikwijls heeft men de problematiek van de relatie tussen ambt en gemeente zoeken te verstaan vanuit deze lutherse tegenstelling. Vandaar dat men tot op heden interpretaties van het gereformeerde standpunt kan aantreffen die men als hoogkerkelijk pleegt aan te duiden, terwijl anderzijds een typering van het gereformeerd standpunt als laagkerkelijk verdedigers blijft vinden. Afgedacht van de vraag of men terecht een kenschetsing van de Reformatie mag ontlenen aan probleemstellingen die behoren tot latere ontwikkelingen, zou ik willen wijzen op het geheel eigene van de gereformeerd reformatorische visie op de relatie ambt en gemeente.

Door het accent, dat mannen als Bucer en Calvijn en velen met hen hebben gegeven aan het nieuwtestamentische begrip charisma als grondleggend voor deze relatie, is er op het gereformeerd standpunt geen plaats meer voor een tegenstelling tussen ambt en gemeente.

In feite was deze tegenstelling tussen de gemeente, als lekenvergadering gedacht, en de geestelijken, van andere orde dan de leken door het sacrament van de wijding, reeds door Luthers prediking van de rechtvaardiging

door het geloof alleen in principe overwonnen. Zij het ook dat de gereformeerde reformatie wellicht met een andere boventoon spreekt over de rechtvaardiging dan Luther placht te doen, reeds hier zou genoeg aan argumentatie zijn om ook op gereformeerd terrein de tegenstelling tussen geestelijken en leken die zo diep ingeworteld was in het middeleeuwse theologische denken, voorgoed uit te bannen.

Maar behalve vanuit de rechtvaardiging heeft de gereformeerde reformatie een nog veel sterker argument gevonden om de tegenstelling tussen leken en geestelijken, tot een onmogelijke tegenstelling te maken. Dat was, zoals gezegd het hanteren van het begrip charisma. De visie, die de Reformatie had op dit gegeven uit het Nieuwe Testament, behoedde haar enerzijds voor een verglijden in het anabaptisme, terwijl het anderzijds bewaarde voor een visie op ambt en gemeente, die in feite nog rooms-katholiek genoemd zou moeten worden. In het charisma zag Bucer een genadegave van Christus ten behoeve van Zijn Lichaam, de kerk, en functionerend binnen de gemeente. In het begrip schuilen twee facetten, die men nimmer stuk voor stuk kan benadrukken. Altijd klinken de twee samen door.

Ieder christen heeft een charisma. En ieder christen heeft zijn eigen charisma. Ieder heeft zijn eigen taak ten aanzien van de opbouw van het Lichaam. Juist hier blijkt hoezeer de beschouwing van de brief aan Efeze en die van Rom. 12 en 1 Cor .12 van grote betekenis is geweest voor de gereformeerde ekklesiologie. Met deze gegevens hebben Bucer en Calvijn volledig ernst gemaakt. Juist hier zijn er sporen, die wijzen op een wederzijdse beïnvloeding van de twee reformatoren.

Ambt en charisma

Bucer heeft de twee begrippen: ambt en charisma, op een gelukkige wijze weten te verbinden. Dat behoeft geen verwondering te wekken, wanneer wij weten, dat in Bucers kerkbeschouwing de lijnen van zijn christologie en pneumatologie zichtbaar worden. Op een organische wijze komt nu het ambt midden in de gemeente te staan. Krachtens het geheel eigen charisma van de dienaar, is deze niet waardiger of hoger, of beter dan de andere leden van het Lichaam. Hoe zou iemand waardiger worden door een aan hem verleende genade? Ook heeft immers iedere gelovige de Heilige Geest ontvangen en daarmee ook een eigen gave om een geheel eigen plaats in de gemeente in te nemen. Niemand krijgt ooit verlof om ledig te zitten. Ieder heeft zijn eigen roeping. Maar krachtens het hem verleende charisma heeft nu ook de dienaar juist vanwege dat aan hem verleende charisma zijn eigen opdracht waaraan hij zich geheel heeft te wijden. Hij mag dan krachtens zijn roeping niet beter, of waardiger of hoger zijn dan de anderen - zijn roeping is wèl anders. Omdat de gaven verschillen zijn de opdrachten ook niet gelijk. Niemand is zonder gave, maar een ieder heeft zijn eigen gave.

Door het ambt te verbinden aan het charisma heeft Bucer het op een hechte wijze aan de gemeente verbonden. Inderdaad kan men niet zeggen, dat het opkomt uit de gemeente, of dat het wortelt in de gemeente, men kan ook niet zeggen dat het boven of tegenover de gemeente staat. Indien er al sprake is van een „tegenover" dan is dat het „tegenover" van het Woord Gods, waaronder beide, ambtsdrager en gemeente, gewillig zich buigen. Het dilemma: óf van onderen op, óf van boven af is niet meer aan de orde. Het Lichaam van Christus laat zich niet opsplitsen in een hiërarchische bovenbouw en een laïcale onderbouw. Het gezag van de ambtsdrager is dan ook niets anders dan het door de gemeente controleerbare gezag van het Woord Gods. De autoritas van de ambtsdrager is nimmer een immanente autonome aangelegenheid. Het is de potestas ecclesiae, die door Woord en Geest wordt uitgeoefend. Het gezag is immer het gezag van het Woord Gods. En het wordt toegepast door de Geest^.

Van een concurrerende verhouding is geen sprake. Slechts in een levende gemeente functioneert het gezag van het Woord, dat is van de dienaren des Woords. Een illustratie daarvan vinden wij in één van de bijzondere functies van het ambt: n.l. dat van de tuchtoefening.

Geen concurrentie, maar coöperatie

Ook wat de woordbediening betreft is er activiteit van de gemeente. De sleutelmacht wordt ook door de enkelingen uitgeoefend: Wie zijn broeder ziet zondigen, moet hem waarschuwen en binden tot boete. Hij moet hem van het heilige weghouden wanneer hij niet tot berouw wil komen, of op een ergerlijke wijze gezondigd heeft: „iedere willekeurige broeder is de priester van zijn naaste en een dienaar van bekering en vergeving der zonden".

Hoe weinig ambt en gemeente tot elkander in een concurrerende verhouding staan blijkt uit een citaat als dit: „Hoewel de kerk één Lichaam van Christus is, en allen wederkerig leden en daardoor ook allen heiligen en priesters en koningen in Christus zijn en zij allen elkander onderling dienen te onderwijzen en te vermanen, nochtans heeft de Heilige Geest gewild, dat déze orde streng onderhouden zou worden in zijn volk, dat n.l. het volk in het openbaar zich zou schikken op de plaats van hen, die onderwijs ont-

vangen en gaarne en met hoogachting zou luisteren naar de openbare dienaren van de leer en tucht van Christus".

Bucer is ervan overtuigd, dat zo op geen enkele manier de onderlinge vermaning, die de Here voorschreef in Matth. 18, of ook de gemeenschap van de heilsgaven van de Geest, die de Heilige Geest leert in 1 Cor. 14, wordt verhinderd, maar dat integendeel, terwijl de orde van de Geest wordt bewaard, zelfs deze broederlijke correctie en de wederzijdse opbouw in het geloof en leven van Christus met meer vrucht voor de vroomheid en met minder ergernissen verricht worden, door allen, door allen namelijk, aan wie de Here iets van deze gaven geschonken heeft.

Slechts in een gemeente waar ieder zijn eigen taak en roeping vervult kan het ambt functioneren als een eigen gave aan de gemeente en in de gemeente. Geen concurrentie maar coöperatie is het karakter van alle arbeid tot opbouw van het Lichaam. De ambtelijke dienst heeft ten doel dat een ieder zijn eigen gave zal aanwenden ten nutte en ter zaligheid van de anderen. Zij kan nimmer in mindering gebracht worden op de onderlinge dienstvaardigheid van het gehele Lichaam van Christus. De fraterna consolatio wordt door de dienst der ambtsdragers niet belemmerd maar veeleer bevorderd.

Zo heeft de gereformeerde Reformatie de relatie ambt en gemeente beschouwd als een onverbrekelijke relatie. Het ambt wortelt in de gemeente. Niet omdat het eruit opkomt, maar omdat God déze planting gebruikt om Zijn gehele wijngaard te doen groeien^.

Vele andere vragen moeten nu blijven rusten, als b.v. de wijze waarop de ambtsdragers geroepen, gekozen, onderzocht en geordineerd worden, en ook de vragen rondom de tuchtoefening over ambtsdragers en dergelijke.

Ambt en ambten

Een volgende kwestie die de aandacht verdient is die naar de relatie tussen de ambten onderling.

Kenmerkend voor het gereformeerd standpunt is de pluriformiteit van het kerkelijke ambt. Een duidelijk onderscheid treedt hier aan de dag ten opzichte van de ontwikkeling in de lutherse kerken. Op twee oorzaken wil ik wijzen.

In de eerste plaats heeft het gereformeerd protestantisme sterker dan het lutherse een open oog gehad voor de pluriformiteit der behoeften in de gemeente. Was Luther vooral in zijn latere jaren geneigd zich ten aanzien

van de kerkelijke diensten vooral terug te trekken op de woordbediening - veelal was de diaconale taak reeds door overheidsinstanties ter hand genomen, terwijl er met name wanneer het om de tucht gaat bij Luther van een zekere resignatie is te spreken - in de ontwikkeling der gereformeerde kerken viel sterker de nadruk op een verscheidenheid in ambtelijke bedieningen, die noodzakelijk zijn voor het zijn en welzijn van de gemeente. Primair staat ook hier de prediking van het Woord. Maar deze woordbediening geschiedt in zulk een pluriformiteit, dat er reeds hier van verscheidene behoeften sprake is.

Bucer onderscheidt niet minder dan zeven manieren waarop het Woord tot zijn recht moet komen. Naast de prediking is er sprake van de opleiding, van de catechisatie, van de disputen tot verdediging van de doctrina etc. Als tweede functie van het kerkelijk ministerium geldt de bediening van de sacramenten. Door de doop wordt iemand bij de gemeente ingelijfd. Maar de feitelijkheid van deze incorporatie treedt aan de dag bij het Avondmaal. Wezenlijk voor het gereformeerde standpunt is daarbij het derde facet van alle ambtelijke dienst: de uitoefening van de discipline. De mensen moeten naar het Woord leven. Het discipelschap moet gestalte krijgen in heel het leven. Christen-zijn is op dit standpunt een zaak van theocratische allure. Deze disciplina vitae christianae dient wel onderscheiden te worden van de disciplina poenitentiae, de boetetucht, een zaak die wij in de regel plegen aan te duiden met het begrip kerkelijke tucht in engere zin.

Vanuit deze veelheid van functies, die alle hun middelpunt hebben in het Woord Gods, hetzij als gepredikt Woord, hetzij als zichtbaar Woord, hetzij als krachtdadig Woord in respectievelijk de verkondiging, de sacramentsbediening en de kerkelijke tucht, vanuit deze veelheid van functies ontstaat de vraag naar een verscheidenheid in ambten, en in bedieningen.

Daarbij komt als tweede oorzaak voor een ontwikkeling van de pluriformiteitsgedachte de gereformeerde visie op de verscheidenheid van gaven. De charismata zijn zeer verschillend. De een heeft een gave om te prediken, een ander mist deze gave, maar is in staat om particulier onderwijs te geven. Een derde heeft bestuurlijke kwaliteiten. Een vierde kan uitnemend zielen leiden. Zo hebben de reformatoren onderscheid opgemerkt in de geestelijke gaven, die God aan de dienaren verleent.

Pluriformiteit der diensten

Er heerst enige onzekerheid over de vraag hoeveel ambten er volgens de visie der gereformeerden zouden moeten zijn. Bij Bucer treft men soms twee, soms drie ook wel vier of nog meer ambten aan. Bij Calvijn kan men twisten over de vraag of hij zich beperkt tot een drietal, of dat hij mét het doctorenambt komt tot een viertal, zoals hij schrijft in de kerkorde van 1541. Maar wezenlijk voor de gereformeerde visie is naar mijn gedachte niet het aantal, maar wel de pluriformiteit der bedieningen. Er moeten er

zoveel zijn als de gemeente behoeft en naar een zodanige specialisatie als beantwoordt aan die behoefte. In feite komt het erop neer, dat er ten aanzien van het kerkelijke ambt twee grondpatronen zijn, die van de zielzorg en die van de lichamelijke verzorging. Elk van beide kan naar mogelijkheden en behoefte weer worden gespecialiseerd.

In de gereformeerde traditie hebben zich vrij duidelijk een drietal ambten gekristalliseerd: dat van de prediker, dat van de ouderling en dat van de diaken. Vraagt men op welk ambt de nadruk valt, dan moet zonder twijfel het antwoord luiden: op het ouderlingenambt. Kenmerkend voor Bucer en ook voor Calvijn is de nadruk op het presbyteraat. Episkopos en presbyteros zijn synonieme begrippen. Met een beroep op Hand. 20 en op 1 Petr. 5 wordt dat telkens weer verdedigd. De prediker wordt een leer-ouderling, de presbyter werd een regeerouderling, zoals Calvijn het stelt, terwijl Bucer spreekt van de predikers als ouderlingen van de eerste soort, de presbyters als ouderlingen van de tweede soort, terwijl hij zelfs - zo presbyteraal is Bucer ingesteld - de diakenen kan aanduiden als ouderlingen van de derde soort. Met het oog hierop kan men inderdaad spreken van een presbyteriale kerkstructuur.

Doordat de gereformeerde visie een onverbrekelijke samenhang legt tussen het ambt en het charisma ligt hier ook de theologische wortel van het presbyterium, de kerkeraad. Slechts in gezamenlijk overleg kan de gemeente van Christus gediend worden. Ieders stem is daarbij geldig. Krachtens de verleende genadegaven kan de verhouding van de dienaren onderling slechts die zijn van pariteit, gelijkheid. Niemand kan zich boven de ander verheffen. Het is merkwaardig, hoe deze theologische visie aansloot bij een historische ontwikkeling in de kerk van Straatsburg zelf, zoals dat in zekere zin ook het geval is bij het ouderlingenambt. Wekelijks vond er, sinds het begin van de Reformatie in Straatsburg een broederlijk beraad plaats tussen de predikers der stad, dat na verloop van tijd uitgroeide tot de z.g. Convocatie, een voorvorm van onze consistories of kerkeraden.

Binnen het college van kerkedienaren komt aan één de leiding toe. „Een moet de anderen voorgaan". Maar deze vorm van superintendentschap (lat.) of episcopaat (gr.) heeft niets gemeen met een hiërarchisch getinte bestuursfunctie, of met een episcopaal gekleurde ambtsopvatting. Dat één de leiding heeft is een zaak van ordelijkheid, maar het tendeert niet naar een episcopale inslag. Het hoogste ambt is voor Bucer en Calvijn geweest dat van het dienen van de kerk in praktische zielzorg. Het doctorenambt verleent daarbij hulpdiensten. Het diakonaat doet hetzelfde in een andere zin. Gezien de historische ontwikkeling is een verstaan van het diakonaat als „Vorstufe" van het presbyteraat verklaarbaar.

Gemeente en gemeenten

Op de wijze zoals wij tot nu toe geschetst hebben zijn in de gebieden van

de Franse en Frans-Zwitserse Reformatie, alsmede langs de boven-en beneden-Rijn overal gemeenten ontstaan met een presbyteriale structuur. Veelal speelde de constitutie van de vrije rijksstad daarbij een grote rol. In de plaats van de bisschoppelijke hoogheid trad de verantwoordelijkheid van de magistraat, die min of meer beperkt de geestelijke bevoegdheden van de bisschop overdroeg aan de predikanten. Op deze wijze traden de consistories van de rijkssteden dikwijls op om de door de bisschoppen uitgeoefende kerkelijke regeermacht over te nemen. De stadskerken beschouwden zich daarbij vaak als wettige erfgenamen van de bisschoppelijke bevoegdheid over de landskerken. Vandaar dat in verschillende steden, als Straatsburg, Geneve, Zurich, Basel etc. de regelmatig gehouden synodale vergaderingen de visitatieplichten van de bisschoppen over de landskerken gingen uitoefenen.

De synoden functioneerden op deze wijze dikwijls als instanties, die dienden tot bevordering van de eenheid in de leer. Op haar vergaderingen werd censura morum uitgeoefend over de predikanten. Hun ijver en gedrag werd daar aan een onderzoek onderworpen en gemeenteleden ontvingen gelegenheid om verslag uit te brengen over de ambtsvervulling van hun dienaren. Deze facetten van het werk op de gereformeerde synoden hebben een wettige plaats gekregen binnen de gereformeerde traditie.

Toch zijn het deze dingen niet in de eerste plaats waaraan wij denken wanneer het gaat om de karakterisering van het gereformeerde stelsel van kerkregering als presbyteriaal-synodaal. Mét deze kenschetsing gaat het immers om de vragen die er liggen ten aanzien van de verhouding tussen de ecclesia localis en de ecclesia van een bepaald land. Hoe zien de gereformeerden de verhouding tussen algemene kerk en plaatselijke gemeente? En wat is daarin de taak en de bevoegdheid van de synode?

Wij willen op deze vragen heel in het kort ingaan doordat wij wijzen op de ontstaansgeschiedenis van het synodale stelsel. De oorsprong daarvan ligt in Frankrijk, waar in 1555 voor het eerst in Parijs een gereformeerde kerk naar het voorbeeld van Geneve werd geïnstitueerd. Term. techn. daarvoor is het werkwoord dresser, aankleden. Het voorbeeld van deze église dressée werd gevolgd door de gelovigen te Meaux, Poitiers, Bourges etc. In 1559 kwamen afgevaardigen van tal van gemeenten (naar een opgave van Beza was het aantal reformatorische gemeenten gestegen tot 2150) bijeen in Parijs, omdat men daar onopgemerkt zou kunnen vergaderen, met het doel zich in de leer en orde van de kerk te verenigen op grond van het goddelijke Woord. Op deze eerste generale synode kwam zowel de geloofsbelijdenis als de kerkorde voor alle gemeenten tot stand. Opmerkelijk is, dat het synodale stelsel als zodanig opgekomen is, toen de kerken van Frankrijk in de vervolging verstrooid dreigden te raken. De synode werd plaats der ontmoeting voor kerken die op de bescherming van de overheid niet konden bogen.

Eenzelfde gang van zaken treft ons wanneer het gaat om de bijeenverga-

dering van de Nederlandse gereformeerde kerken. Toen de vervolging onder de hertog van Alva tal van gelovigen over de grenzen had verdreven naar Duitsland, Oost-Friesland, Londen, Norwich en vele andere plaatsen, heeft men door de nood gedreven elkander gezocht en gevonden, eerst op het convent van Wesel (1568) waar het kerkverband werd voorbereid en later in 1571 waar het kerkverband der Nederlandse gereformeerde kerken werd geconstitueerd. Voorbeeld voor deze gang van zaken zijn de Franse gereformeerde kerken geweest. In een schrijven, dat Marnix van St.-Aldegonde in de zomer van 1571 richtte aan de Nederlandse en Waalse vluchtelingengemeenten te Londen lezen wij: „Het is genoech openbaar ende kennelick hoe grootelicx het inde kerke Godes van noode sy, eene goede, vaste ende onbewegelicke overeenkominge onder elcander te houden, niet alleen inde hooftstucken der reyner leere, maer oock inde wysen, ceremoniën ende regeringhe der kercken, ende daerenboven een onderlinghe ghemeynschap ende goet verstant te houden, So dat de eene vlietich vernemen vanden staet ende gelegentheyt der anderen, ende d'een den anderen in alle voorvallende saecken behulpich vallen. Het welcke opentlick blyckt in het exempel der Francoissche ghemeynten"i'J.

De afgevaardigden naar Emden zouden volgens dit uitnodigend schrijven volmacht moeten ontvangen, „om alles wat inde ghemeyne vergaderinge sal voorgedragen werden te mogen bewilligen ende besluyten even als off u lieden alle met eenander aldaer tegenwoordigh waert"'i'i.

Het is hier niet de plaats om breed op de gang van zaken rond Emden 1571 in te gaan. Verschillende vragen die in de loop der geschiedenis urgent zijn gworden laten wij hier rusten, als b.v.: hoe moeten wij het karakter van de meerdere vergaderingen beschouwen, en wat is hun gezag? Zijn het vergaderingen van kerken of ambtsdragers? Wat dient men te verstaan onder Voetius' belangrijke uitspraak, dat het gezag van deze vergaderingen niet diminutiva, maar wel accumulativa et derivata is?

Al deze vragen moeten blijven rusten. Slechts zij onderstreept, dat de gereformeerde kerken het kerkverband nimmer hebben beschouwd als een belemmering, of vermindering van de macht van de plaatselijke kerk. Ja, dat wanneer de vraag naar de bevoegdheid van de meerdere vergaderingen ten opzichte van de mindere als competentievraag gesteld wordt, dit een bewijs vormt van déraillement. Daarom was de eerste bepaling van de synode van 1559 te Parijs ook deze: Que nulle Eglise ne pourra prétendre principauté ou domination sur l'autre, een bepaling die door de synode te Emden eveneens als eerste werd overgenomen en nog werd uitgebreid ten aanzien van de dienaren der kerken. Geen heerschappijvoering over het erfdeel van Christus bedoelt de arbeid der synode, maar een gezamenlijk

beantwoorden van gemeenschappelijke vragen, en een onderlinge hulpvaardigheid. ,

Constituerend voor het kerkverband is de eenheid in de belijdenis die als basis dient, en die niet alleen door het opstaan der leden werd onderstreept, maar veelal ook door een gemeenschappelijke avondmaalviering werd uitgedrukt. In die belijdenis herkennen de kerken elkander. Zij vormt de band der eenheid. Ten opzichte van deze belijdenis zijn andere factoren secundair. Nimmer hebben zaken, die behoren tot de manier en inrichting van de eredienst een wezenlijke factor gevormd in de constituering van het kerkverband. Een man als Bucer heeft weliswaar de wenselijkheid uitgesproken, dat onder één volk, of in één landstreek een zekere conformiteit zou bestaan in de bediening der uiterlijke dingen, maar tegelijk heeft hij vastgesteld, dat de wijze waarop men het Woord en de sacramenten bedient en de tucht oefent, alsmede de gebeden en de psalmen gebruikt zo moet zijn dat in iedere gemeente het 't meest geschiedt tot stichting, d.i. tot opbouw van het geloofd-. In deze zaken moet aan iedere kerk haar vrijheid worden toegelaten, een beginsel, dat trouwens als zodanig ook in de kerkorde is terug te vinden.

Wezenlijk voor de gereformeerde visie op de kerkelijke structuur is, dat de plaatselijke kerken elkander herkennen en binden aan de belijdenis die naar de Schriften is. Nog eens, geen belemmering van het kerk-zijn is daarmee gegeven, maar een realisering van wat Paulus zegt, dat slechts mét alle heiligen iets kan worden verstaan van de lengte en breedte van de liefde Gods.

Voorvragen

Wij haasten ons nu naar het slot van onze inleiding. Een enkel woord nog over wat men de voorvragen zou kunnen noemen. Men heeft het Schriftbeginsel genoemd het formele beginsel van de gereformeerde kerkbeschouwing. Onjuist is deze typering omdat alles wat de gereformeerde reformatoren hebben gezegd en gedacht over de structuur van de kerk diende om niet maar formeel, maar materieel aan het Woord van Christus gezag te geven, en elke belemmering voor de doorwerking van dat Woord te voorkomen of weg te nemen. Waar het Woord des konings is daar is gezag, dat is het beginsel. En dat hebben mannen als Bucer en Calvijn en vele anderen uit de Schrift menen te kunnen afleiden. Noemt men dat een formele zaak,

het zij zo, maar achter deze zaak schuilt de overtuiging dat Gods Woord gezag heeft, juist over de kerk en de vragen naar haar structuren'i'3.

Daarbij ging het om de rehgie en de administratio daarvan. In de structuur der kerk staat de bediening van het heil op het spel. Daarom is het zo gevaarlijk en goddeloos een andere administratio religionis uit te denken dan God in zijn Woord heeft geopenbaard. Bucer en Calvijn zijn daarbij uitgegaan van de organische eenheid van heel de Schrift. Een problematiek als door de historisch-kritische school ten aanzien van de canoniciteit der pastorale brieven zou worden geponeerd was hun nog vreemd. Zij hebben daarom de gegevens van de brieven van Paulus aan Timotheus en Titus op een harmonische manier verbonden met die van 1 Cor. 12, Rom. 12 en Ef. 4.

Men kan daarbij de vraag stellen of zij recht hebben gedaan aan de grote schakeringen die er in de nieuwtestamentische gegevens ten aanzien van de dienaren in de gemeente bestaan, en of zij mogelijk niet sommige van de nieuwtestamentische gegevens aan de kant hebben geschoven door te verklaren dat zij slechts behoorden tot de begintijd der kerk, zoals men nog meer vragen zou kunnen stellen. Maar laten wij niet vergeten, dat de identificatie van sommige charismatische diensten ook vandaag aan de schriftverklaarder nog wel grote moeilijkheden baart, en voorts, dat juist de gereformeerde visie tot op heden niet alleen meer dan andere recht heeft gedaan aan alle gegevens omtrent de verscheidenheid van kerkelijke ambten en diensten, maar bovendien, dat juist binnen het gereformeerde standpunt

van oorsprong een ruimte is die elke ambtsvervulling waaraan in de gemeente van Christus behoefte bestaat, mogelijk maakt.

Immers naast het schriftuurlijke karakter, dat de gereformeerde beschouwing pretendeert te dragen is het vooral ook de praktische inslag die een zeer belangrijke rol speelt. Bucer noch Calvijn hebben bij wijze van blauwdruk hun visie op de kerk aan de Schrift ontleend. Hun beschouwing is geen product van een nauwgezet exegetisch onderzoek, dat zich op de studeerkamer afspeelde, ver van de werkelijkheid van het leven. Neen. In een voortdurende confrontatie van de historische situatie met zijn moeilijkheden en mogelijkheden mét de norm der Schrift zijn zij tot hun standpunt gekomen. Dat wil niet zeggen, dat het Schriftgegeven slechts secundair is. Allerminst. Maar het functioneerde als gezaghebbend openbaringswoord ook ten aanzien van de kerkelijke structuur in de geschiedenis van tóén. Daarom waren zij, de reformatoren onverzettelijk, tot in de ballingschap toe, wanneer het ging om Woord, sacrament en tucht. Daarom waren zij tegelijk praktisch wanneer het ging om het zoeken van vormen voor het kerkelijk leven.

Bij de normerende stem van de Schrift, in de vraag naar de praktijk van tóén hebben zij tevens geluisterd naar de les der geschiedenis. Het gereformeerde protestantisme is historisch ingesteld. Ook dat is niet maar een eis van de apologetiek, die hen dwong de Kerk van de reformatie voor het forum van de geschiedenis te rechtvaardigen, maar het is gevolg van de diepgewortelde overtuiging dat Gods kerk er niet eerst vandaag is, maar dat God zijn werk al deed, voordat wij er waren. Of anders gezegd, de reformatoren hebben geweten van de katholiciteit van de kerk, niet alleen in de breedte der oecumeniciteit maar ook in de diepte der geschiedenis. Daarom hebben zij naast de enige canon van de Schrift veel waarde toegekend aan de canones van de oude concilies.

Met het oog op dit alles kan men het woord biblicisme niet gebruiken om hun schriftgebruik te kenmerken. Veeleer is dat van toepassing op dopersen en spiritualisten van hun dagen. Voluit, in de zin van openbaring, die geschiedenis gemaakt heeft en in de concrete situatie gehoorzaamheid zoekt, hebben zij geluisterd naar de stem der Schrift. Voor hen was dat geen tegenstelling met het Haec dicit Dominus, aldus spreekt de Here. Dat was de kracht van hun overtuiging, en daardoor hebben zij een kerkelijke structuur nagelaten, die waard is, niet gecopieerd te worden zonder hun geestkracht, maar beleefd met hun geloof, „dat de Here nimmer iets heeft ingesteld en voorgeschreven, dat voor allen niet uniek is, wanneer zij wat Hij heeft ingesteld en voorgeschreven ontvangen en gebruiken door een waar geloof"'i-4.


* Referaat, gehouden op de vergadering van de Vereniging van Christelijke Gereformeerde predikanten, 1 april 1970 te Baarn.

1 Apologia Alberti Pighii Campensh adversus Martini Buceri calumnias quas et solidis argumentis et clarissimis rationibus confutat, Parisiis, 1586, p. 16 recto. Over dit geschrift vgl. H. Jedin, Studiën über die Schriftstellertatigkeit Albert Pigges, Munster, 1931, S. 45 f.

2 Nog in de besluiten van het tweede Vaticaanse Concilie blijkt in feite hetzelfde standpunt. In het decreet over het Oecumenisme, afgekondigd in de plechtige zitting van 21 november 1964, neemt het hoofdstuk over de hiërarchische structuur van de kerk en over het episcopaat een centrale plaats in. Bekend is dat het ontbreken van de volledige eenheid tussende verschillende kerkelijke gemeenschappen en Rome werd toegeschreven aan het ontbreken van het sacrament van de wijding bij de gescheiden gemeenschappen. Artikel 2 van het ontwerp van een Grondwet van de kerk (uitgegeven door de pauselijke commissie voor de herziening van het kerkelijk wetboek) handelt over de in de kerk ingestelde hiërarchie. In feite is ook daar sprake van eenzelfde visie op de structuur van de kerk. De besluiten van het pastoraal concilie geven op dit punt een afwijking te zien in de nederlandse situatie ten aanzien van Vat. II. Vgl. het ontwerp-rapport „De eenheid welke de Heer maakt" ter voorbereiding van de plenaire vergadering op 5-8 april 1970, blz. 30 V.

3 Vgl. Gordon Rupp, The old r'eformation and the new, London 1967, p. 9.

* Uitvoerig heeft Bucer zijn gedachten daaromtrent uiteengezet in een advies door hem verstrekt aan de magistraat van Hamburg: Concilium Buceri in causa Hamburgensi, uitgegeven door H. von Schubert in: Schriften des Vereins für schleswigholsteinische Kirchengeschichte, ll.Reihe, Band 3 (1904/1905). Over de betekenis van de plaatselijke gemeente in een wereld van veranderingen vgl. G. Kugler, Zwischen Resignation und Utopie, Die Chancen der Ortsgemeinde, Gütersloh, 1971.

5 Eén van de zwakke zijden van het rapport „Gemeentevormen en gemeenteopbouw" is vooral gelegen in het feit dat in het piincipiële gedeelte dat handelt over de gemeente de betekenis van de nieuwtestamentische notie van het Lichaam van Christus nauwelijks gepeild wordt. Niet toevallig is het dat de gereformeerde ekklesiologie bij Bucer en Calvijn haar inzet kreeg vanuit de brief aan Efese. Dat gaf aan deze kerkopvatting ook haar diepte, wil men haar introvertie. Op de levende band aan Christus komt het aan. Zij moet blijken bij de ekklesia, bij hen die uit de wereld geroepen zijn. Oók de visie op de gemeente als gemeenschap der heiligen komt in het rapport niet duidelijk genoeg uit. Een en ander wreekt zich dan in het vierde deel, dat handelt over de Herstructurering. De vraag naar het geografische kader waarbinnen het gemeentewerk plaats vindt wordt onttrokken aan het principiële gegeven dat de gemeenschap der heiligen geen filosofische aangelegenheid is.

^ Te denken valt aan de gewoonte die in de Nederlandse vluchtelingenkerk te Londen in gebruik was om onder leiding van een aantal ambtsdragers in kleinere kring te handelen over allerlei vragen in verband met de Schrift. Onder invloed van Beza nam de betekenis ervan in de Franse kerken af, en evenzo nd Wezel (1568) in de kerkelijke bepalingen van Emden (1571). Over Bucers gedachten en activiteiten in dezen: W. Bellardi, Die Geschichle der „Christlichen Gemeinschaft" in Strassburg (1546/1530), Leipzig 1934. Van een reformatorisch gebruik van bijeenkomsten binnen de éne gemeente kan echter slechts dan sprake zijn, indien daardoor het gevaar vermeden wordt dat de ene gemeente wordt opgesplitst in verschillende groepen en de totaalgemeente uit het oog wordt verloren. De geschiedenis laat zien dat dit het geval was bij allerlei conventikels uit de dagen van het piëtisme, een reden waarom tal van kerkelijke vergaderingen een zeer gereserveerde houding aannamen tegenover allerlei vormen van gezelschappen.

8 Dit geldt zowel de openbare prediking als het individuele huisbezoek. In beide gevallen gaat het om het uitoefenen van de sleutelmacht der kerk. Dat blijft het criterium. De mogelijkheden van een pastoraal groepsgesprek als onderdeel van het groepspastoraat, voorgestaan in Gemeentevormen en gemeenteopbouw, blz. 61, zijn in dit opzicht beperkt. In dit opzicht! Winstgevend kan zulk een methode zijn wanneer het gaat om cursuswerk etc. Maar een met volmacht gesproken woord inzake de vergeving der zonden vereist een intiemere klankbodem dan een willekeurige groep. Het resoneert daarentegen wèl binnen het gezin. De groep van het gezin leent zich op een natuurlijke wijze voor het pastoraat.

9 Wie deze relatie in het oog houdt zal niet al te veel last hebben van de veranderingen die zich ten aanzien van de gezagsverhoudingen voltrekken. Gezag binnen de gemeente is nooit geweest, of heeft nooit mogen zijn, een gezag van een gezagsdrager op zichzelf. Het was en zal moeten blijven het gezag van Gods Woord dat tot heerschappij moet komen en waaronder in echte bekering dienaar en gemeente gelijkelijk buigen. Dat is geen zaak van oude of nieuwe cultuur.

10 J. H. Hessels, Epistulae et Iractalus cum reformationis turn ecclesiae Londino-Balavae historiam illustrantes, Cambridge 1887-1897, Tom. II, p. 366.

11 Ibidem, p. 368.

12 Bucer, De Regno Christi, ed. F. Wendel, Paris, Gütersloh 1955, p. 87.

13 De beslissing inzake ons standpunt over gemeentevormen en - opbouw staat o£ valt met de voorvragen. Een beroep op veranderde tijden, een verwijzing naar een ander mensbeeld werd door Bucer onherroepelijk afgewezen. „Men zegt dat het nu andere tijden zijn... en dat het nu andere mensen zijn ... Maar zij weten niet dat het rijk van Christus een rijk is van alle eeuwen en van alle mensen die tot de zaligheid zijn verkoren" (De Regno Christi, p. 92). Op de keper beschouwd gaat het om de relevantie van het schriftgezag voor de vragen van onze kerkelijke structuren of anders gezegd het gaat om de betekenis van het lus Divinum. Hier zit m.i. de meest zwakke stee in het rapport Gemeentevormen en gemeenteopbouw. De reformatoren hebben het gezag van het Woord Gods tot gelding zoeken te brengen in de actuele en concrete situatie. Maar zij hebben hun uitgangspunt gezocht in het Woord Gods. Té veel zoekt het rapport haar uitgangspunt in het veld van problemen waarmee de christen nu worstelt. (Vgl. wat gezegd wordt over de differentiatie die in het kerkewerk aangebracht dient te worden, blz. 100). Een verwijzing naar het evangelie zegt op zichzelf niet alles: voor het zoeken van de vormen zal het evangelie de bron moeten zijn (blz. 8). Is het inderdaad waar, dat bij de vormgeving van het werk der innerlijk vernieuwde kerk (gedoeld is op de invoering van de KO 1951) vooronderstellingen meespeelden, die tóen eigenlijk al verouderd waren (blz. 16)? Dient men niet veel meer te zeggen dat in dit rapport sprake is van een totaal andere positiekeuze, een ander uitgangspunt? Bron bij het zoeken van de vormen moet het evangelie zijn. Blijft het evangelie ook norm, gezaghebbend in alle situaties? En welk evangelie? Waar te vinden? Het rapport Gemeentevormen en gemeenteopbouw legt in een nieuwe situatie de oude vraag op tafel naar de noodzakelijkheid en de mogelijkheid van een „geestelijke politie, die ons onze Here heeft geleerd in zijn Woord ... om door dit middel de ware religie te onderhouden". N.G.B. Art. 30. Vgl. J. Hovius, Om „de ware religie te onderhouden", in: Woord en Kerk, Amsterdam 1969, blz. 71-95.

14 Bucer, De Regno Christi, p. 93.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 1 January 1971

Theologia Reformata | 364 Pagina's

DE REFORMATIE EN DE STRUCTUUR VAN DE KERK*

Bekijk de hele uitgave van Friday 1 January 1971

Theologia Reformata | 364 Pagina's

PDF Bekijken