Bekijk het origineel

VIER LEIDSE HOOGLERAREN IN DE GOUDEN EEUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VIER LEIDSE HOOGLERAREN IN DE GOUDEN EEUW

32 minuten leestijd

DE SYNOPSIS PURIORIS 1 HEOLOGIAE ALS THEOLOGISCH DOCUMENT (I)

C. A. Tukker

Inleiding

Geen der auteurs van de Leidse Synopsis purioris theologiae stamde uit de Noordelijke Nederlanden. Polyander a Kerckhoven was geboortig uit Metz in Vlaanderen, Rivetus uit St. Maxent (Poitou) in Frankrijk, Thysius kwam van Antwerpen en Walaeus uit Gent. Samen vormen zij een blijk van de grote invloed, die Vlaanderens en Frankrijks zonen hebben uitgeoefend op het kristallisatieproces van de Reformatie in de Noordelijke Nederlanden.

Door de vorm van verzameling disputationes, die de Synopsis vertoont, paste het boek bij uitstek in de universitaire opleiding van de zeventiende eeuw, welke goeddeels haar publiciteit vond in het uitgeven en doen uitgeven van theses, orationes en disputationis. Inhoudelijk valt de vraag te stellen, welke plaats het werk heeft ingenomen temidden van de theologische posities in de eerste helft van de zeventiende eeuw. A. Kuyper jr. heeft opgeworpen dat de Synopsis vooral aan Walaeus zijn scholastiek karakter te danken heeft'^, welke bewering door B. Glasius in zijn algemeenheid ontkend is2, terwijl H. Bavinck in zijn praefatio tot de negentiende-eeuwse uitgave volstaat met een aanhaling over de bedrevenheid van Walaeus in de scholastieke theologie^. Blijkt in een ander verband, dat Polyander a Kerckhoven een regent en een subregent tot hun werk aan het Statencollege inwijdt met een rede, waann hij waarschuwt tegen de invloed van de scholastiek op de prediking^, dan rijst de vraag als vanzelf: wat hebben wij in dit verband onder scholastiek te verstaan? En het beste antwoord is hetgeen de Synopsis ons zelf dienaangaande leert.

De Synopsis bestaat uit tweeënvijftig disputationes, waarbij het een open vraag is of de vier hoogleraren de onder hun leiding en voorzitter-

schap geconcipieerde en door de als respondentes in de Synopsis genoemde studenten verdedigde stellingen hebben gecompileerd tot een handboek, zoals O. J. de Jong verondersteitS, of dat de professoren de disputationes zelf van het begin tot het eind hebben geschreven. Voor het eerste pleit dat er respondentes genoemd worden, terwijl het tweede een zekere bevestiging vindt in auteurselementen, waardoor van een disputatie uit soms terugverwezen wordt naar een vorige, en soms vooruit naar een volgende. Sepp onderscheidt de disputaties waar ook de Synopsis een verzameling van vormt en waarbij de student slechts het bewijs had te leveren dat hij de door de hoogleraar geformuleerde stellingen met de eraan toegevoegde bewijsplaatsen begrepen had, van die disputeer-oefeningen, waarbij hij met door hemzelf in grote vrijheid ontworpen stellingen in het krijt trad*. In dat geval is het een uitgemaakte zaak, dat de stof van de Synopsis geheel op naam van de hoogleraren is te stellen. Maar de waarheid ligt waarschijnlijk in het midden.

Tenslotte is juist aan de Synopsis als hand-en leerboek de vraag eigen, waar zijn invloed begint en wanneer die eindigt. Het werk verschijnt na de veroordeling der remonstranten in 1619; een van de redenen waarop de Synopsis zo weinig ingaat op de ketterij der remonstranten, is gelegen in het feit dat de faculteit apart in 1626 en 1630 respectievelijk in de door Walaeus vertaalde Censura en in het Specimen calumniarum antwoord geeft op de z.g. confessie der remonstranten. Wel is de Synopsis vrucht van het verlangen der Leidse faculteit om niet volgens kerkelijke eis van de Zuid— hollandse synode door ondertekening van de formulieren van enigheid, maar door een eigen verklaring uiting te geven aan haar rechtzinnigheid en om diezelfde reden de Staten van Holland en West-Friesland lof toe te zwaaien'^.

Bij dit laatste komt overigens terdege de overwinning op de remonstranten met de inhaerente zuivering van de Leidse academie van arminiaanse gevoelens om de hoek kijken. Het vernieuwde college van curatoren der academie heeft immers de theologische faculteit na de afzetting van Vorstius en Episcopius aangevuld met drie onverdachte contraremonstranten, Rivetus, Thysius en Walaeus, die nu samen met de als enige overgebleven hoogleraar Polyander - zoals hij zichzelf kortweg noemt - het werk gingen voortzetten. Welnu, vanaf 1620, toen Rivetus' inauguratie hun getal vol maakte, heeft de theologia purior geheerst tot de dagen van Heidanus en Coccejus toe.

Hoewel in 1652, toen alle auteurs van de Synopsis reeds overleden waren,

nog een vierde druk en zelfs in 1658 een vijfde verscheen, waren rond het midden van de zeventiende eeuw de dagen van de onbetwiste heerschappij der theologia purior en daarmee van de Synopsis als enchiridion geteld. Een andere methode deed zich gevoelen , .et Synopsis paulatim in oblivionem abiit" (Bavinck). Die andere methode is te typeren met het cartesianisme van Heidanus, de Institutiones van Hoornbeek en het biblicisme van Coccejus. In Franeker verkreeg het Collegium theologicum van Maresius, hoewel inhoudelijk niet zozeer verschillend van de Synopsis, toch mede door de gemakkelijker te hanteren vorm als leerboek gaandeweg de overhand, en te Utrecht vond het voetianisme ruim baan. Dus is de betekenis van de Synopsis historisch te localiseren tussen 1625 en 1650. Een kwart eeuw heeft zij de orthodoxie hier te lande beheerst en was zij een spiegel van wat er theologisch ook internationaal gaande was.

Wanneer wij nu gaan letten op de verschillende aspecten, aan verschijning en verbreiding van de Synopsis in die halve eeuw eigen, dan proberen wij in onderscheid van G. P. van Itterzon^ onze aandacht voor De auteurs, de inhoud en de methode van het werk tevens te richten op wat van meer dan nationale betekenis is.

De auteurs

Johannes Polyander a Kerckhoven, geboren 1568 te Metz en gestorven 1646 te Leiden, was de zoon van de scriba der synode van Emden, Johannes Polyander, die - gevlucht uit Lotharingen - via de Palts in 1570 predikant van de Franstalige gemeente te Emden werd. Johannes jr. studeerde te Emden, Bremen, Heidelberg en Geneve, en werd in 1591 Waals predikant te Dordrecht, om na twintig jaar die plaats te verwisselen met het hoogleraarschap te Leiden in de vacature Gomarus.

Schotel heeft ons doen zien wat een voortreffelijk schoolopziener Polyander te Dordrecht geweest is en wat hij als hoogleraar in logica en theologia moralis speciaal voor de Illustre School te Dordrecht heeft betekend". Eén jaar vóór Episcopius te Leiden gearriveerd, heeft hij zich aanvankelijk fel verzet tegen diens benoeming en ging hij zelfs bij Van Oldenbarnevelt op audiëntie om te verklaren dat hij een jaar geleden zijn benoeming kon aanvaarden, omdat die van Vorstius niet geëffectueerd werdi". Hoewel de

commissie uit curatoren, die met hem in 1611 ging confereren, hem rondweg had te kennen gegeven dat hij Vorstius als ambtgenoot moest tolereren. Daarop had hij volgens Sepp geantwoord, te begrijpen „dat men het niet alle man passé kon maken"ii. Wellicht heeft dit diplomatieke antwoord iets uit te staan met de wetenschap dat curatoren juist te Dordrecht een hoogleraar zochten, omdat die stad zich het felst tegen Vorstius' benoeming verzet had! 12

Hoe dit alles ook zij, Episcopius en Polyander hebben het nadien blijkbaar goed met elkander kunnen vinden, en Van Oldenbarnevelt - toch kennelijk onder de indruk gekomen van Polyanders optreden tijdens voornoemde audiëntie - gevoelde zich gedrongen om tegenover hem, alsook in diezelfde tijd tegenover Hommius, een orthodoxe belijdenis inzake de predestinatie af te leggen en strikte onpartijdigheid in de geschillen van het Bestand te beloven'3. Toen de Alkmaarse predikant Venator een boekje schreef, getiteld Theologia vera et mera, dat van socianisme verdacht werd, trachtte Van Oldenbarnevelt zijn belofte van onpartijdigheid te staven door aan de Staten met succes voor te stellen, dat het werk door Polyander en Episcopius zou worden beoordeeld. Zij beiden wezen het boekje af, en Venator werd als predikant afgezeti*.

Polyander was naar het oordeel niet slechts van Trigland in zijn Oratio in obitum C. VEmpereur, doch ook naar dat van Grotius en Vossius in hun lofdichten, een goed en vredelievend man, die de religie van harte toegedaan was. Den Tex noemt hem gematigd orthodoxi^^ Knappert wellicht iets zuiverder, gematigd calvinist'i^. Van drieërlei soort godgeleerdheid was hij afkerig, getuige zijn rede waarmee hij Hommius en Sinapius tot het Statencollege inwijdde: van ethnicorum Christum ignorantium; Judaeorum Christum aspernantium; et scolasticorum vanis suis quaestionibus Christum ipsiusque doctrinam tam Judaeis, quam gentibus risui ac ludibrio exponentium. Noch bij de laatste, die hij vervolgens sophisten noemt, noch bij de twee anderen is de ware religie te zoeken, welke mèt de ware theologie slechts gevonden wordt bij hen die terecht doctores orthodoxi heten, „id est integrae veritatis custodes et recta sectantes'"!"^. Hij was kennelijk een man, die voorzag, welke kant een versteende orthodoxie uit zou koersen, getuige zijn lofrede op Johannes Becius, die als enige , , in de furieuse tumulten van de Synode nationael, voir ende naer, in jonst was by allen, omdat hy partyen vremd, naer de waerheid joegh, ende meer aen godsalighe progres-

sen als aen opinien hechtte". En Polyander verzucht dat, indien Becius' wens vervuld was, „de Remonstrantsche en Contra Remonstrantsche troublen nooyt soo heftigh (souden) syn uitgebarsten; maer minnelyck syn geschikt"'i'S. Zulke woorden zeggen tevens iets over de man die ze schrijft.

En ook iets over de invloeden die hij heeft ondergaan. In ditzelfde verband zij de brief genoemd, welke Duplessis Mornay in 1616 van Saumur uit aan hem schrijft en die eindigt in de uitdrukkelijke raad om toch naar alle vermogen een formele breuk te voorkomen, omdat er geen terugweg is en omdat hijzelf kan zien waar de situatie „en Allemagne" toe leidt'i'^. Zijn vredelievendheid moge grenzen gehad hebben, hij heeft toch gedaan wat hij kon, speciaal ook in de wereld der studenten, om elke strijd zoveel mogelijk te bezweren.

Polyander was niet alleen thuis in logica en theologia moraJis, maar kennelijk ook in bijbelse vakken erudiet genoeg om Nieuwe Testament te doceren, zoals hij in 1619, wanneer de leerstoelen weer bezet zijn, aankondigt^o. Als afgevaardigde van de Staten van Holland had hij zitting in de Dordtse Synode, waar trouwens ook Walaeus en Thysius aanwezig waren. Op oudejaarsavond 1618 preekte hij voor de synode over Jesaja 52 vers 7, een tekst die van vrede spreekt en die niet toevallig gekozen zal zijn^i. Met Walaeus had hij zitting in de commissie tot opstelling van de Dordtse Canones, en het is mede aan hen beiden èn aan Thysius' stem in dezen te danken dat de leerregels een infralapsarisch karakter dragen22.

Polyander wordt door de synode benoemd in de commissie, die moet aandringen bij de Staten-Generaal op goedkeuring en onverwijlde uitvoering van de besluiten, welke de synode in de zaak van de bijbelvertalingen heeft genomen23. Hem en Thysius vinden wij respectievelijk voor Zuid-Holland en Gelderland in de eerste vergadering van reviseurs en translateurs ten huize van Bogerman, waar Polyander tot plaatsvervangend voorzitter gekozen wordt en met Bogerman, Revius en Gomarus een werkplan ontwerpt voor het Oude Testament. Walaeus wordt het jaar daarop voorzitter van dezelfde commissie voor het Nieuwe Testament^^. Zelfs heeft Rivetus nog iets uit te staan met de Statenbijbel, omdat hij op voorgaand verzoek van de stervende Bogerman en in diens plaats van 's-Gravenhage uit de plechtige

aanbieding van het eerste exemplaar aan de Staten-Generaal heeft bijgewoond^s.

Polyander was niet een theoloog van klein formaat, zo heeft Sepp in onderscheid van veler oordeel gesteld^s. Wat zijn internationale reputatie als theoloog betreft, kan men wijzen op de voltooiing van zijn studies te Geneve onder Beza en De la Faye , , magno cum applausu", zoals Spanheim zegt. Duidelijker bewijs is zijn strijd met de Franse monnik Anastase Cochelet, nadat deze hem - nog in zijn Dordtse jaren, in 1610 - had bestookt met het werk Galvinus infernus. Verder gaf hij Thomas Cartwright's commentaar op Spreuken uit, voorzien van een eigen praefatio. In zijn Dordtse jaren bezorgde hij een Franse vertaling van Andreas Demetrius' werk Der Griecken Opganck ende Onderganck, terwijl zijn Poëmata Juvenilia, wellicht samen met andere gedichten gebundeld tot Varia poëmata, reeds in 1587 door vrienden te Geneve en te Heidelberg waren uitgegeven^T. Zijn weerlegging van een brief van een Augustijner doctor uit Luik, 1608 te Leiden gepubliceerd, beleefde een uitgave te Londen in het Engels 1610, terwijl zijn Disputatie tegen de aanroeping van reliquiën van gestorven heiligen, in 1611 te Dordt uitgegeven, eveneens in het Engels vertaald werd. De Medulla van Tournemain, bevattende meditaties op Colossenzen zag te Frankfurt in 1625 en 1626 het licht, door toedoen en met een praefatio van Polyander^s.

Wat internationale contacten betreft, geeft Polyander in de strijd tussen Grotius en Sibrandus Lubbertus door, dat hem een brief bereikte uit Engeland, waarin de verwachting wordt uitgesproken dat Lubbertus toch voortga met de ontmaskering van Grotius' intriges aan het hof van Jacobus I en met een antwoord op Grotius' verdediging tegen Lubbertus' Commentarii^^. Aan zijn oude studievriend vraagt hij tevens om diens voorspraak voor Georgius Sculthisius, een Praagse hoogleraar in het staatsrecht, in een vacature te Franeker, waar Polyander van gehoord had^o. Zijn boekerij is, geheel in de lijn van zijn werk te Dordrecht en zijn liefde voor de studenten, aan de lUustre School van Breda geschonken.

Andreas Rivetus, geboren 1572 te St. Maxent in Poitou en gestorven 1651 te Breda, was van 1595 tot 1620 predikant te Thouars en werd in 1618 door Lodewijk XIII verhinderd om samen met de andere Franse afgevaardigden de Dordtse synode bij te wonen^'i'. Deze delegatie bestond eigenlijk uit een commissie die het jaar daarvoor te Vitré benoemd was om zich te bezinnen op de eenheid van leer naar aanleiding van de Nederlandse geschillen32. Ook zijn zwager Pierre Dumoulin behoorde tot deze commissie.

Beiden waren van een scherp calvinistische geest, zodat het ons niet verbaast wanneer er een strijd ontbrandt tussen Grotius en Rivetus, die mogelijk zijn oorsprong vindt op de synode van Alès waar tot groot ongenoegen o.a. van Grotius en onder druk van Dumoulin de Dordtse Leerregels waren aangenomen^s. In dat geval was Grotius reeds in 1620 op de hoogte van wat Dumoulin en Rivetus bewoog, en dat hij Rivetus in zijn carriëre volgde, bewijst het feit dat diens werken zich in Grotius' bibliotheek bevonden en duchtig door hem gelezen waren34. Toch lieten Dumoulin en Rivetus hun preken en andere werken niet opgaan in polemiek en dogmatiek, naar de mode van hun tijd.

Evenmin was Rivetus een strijdvaardige natuur, hoewel onverzettelijk wanneer de gereformeerde waarheid in gevaar kwam. Van Opstal schrijft over hem wellicht iets te rooskleurig, wanneer hij beweert dat Rivetus niet besmet was met het stof der arena van de remonstrantse en contraremonstrantse twisten^^. De Fransman mag dan pas in 1620 in ons land komen, dit neemt niet weg dat hij en zijn zwager, die sedert zijn compromittering te Parijs hoogleraar was te Sedan, geducht zijn opgetrokken tegen het amyraldisme en elk ander spoor van pelagianisme of semipelagianisme^G.

Het gaat echter te ver om hem in navolging van Knappert een polemische natuur te noemen^T^ zoals het evenmin juist is om speciaal aan hem te denken, wanneer sprake is van het scholastieke karakter van de orthodoxie^s. Hij had als persoon en als theoloog een goede naam in Frankrijk en Nederland en ook overigens in Europa, . En zijn toon was meestal gematigder ten opzichte van zijn omgeving, dan zijn aan polemiek gewoon geraakte tijdgenoten zich uitten. Houders noemt hem zelfs een verzoenings-

gezinde figuur, hetgeen onder andere blijkt uit de inzet tot erkenning van Karel II bij de Schotten, waaraan Rivetus een belangrijke bijdrage heeft geleverd39. Zoals ook Thouars van hem getuigt bij zijn benoeming te Leiden, dat hij heeft gediend als band van vrede en eendracht temidden van de burgerij40.

Rivetus' benoeming heeft vooral, zij het tegen het advies van Gomarus in, gediend om de Franse studenten naar ons land te lokken en de bloei van de universiteit te doen herleven. Dit is gelukt. Reeds in 1621 trok zijn persoon tal van zijn landgenoten aan, en hierbij deden zich twee van 's mans kwaliteiten gelden, zijn „mérite" als theoloog doch niet minder zijn fungeren als , , abri", waaruit zijn zorg voor de studenten sprak^i. In de jaren sedert 1618 valt een relatieve toename te constateren van 8, 4% theologen op het geheel der studenten in 1618, tot 14, 7% in 1619; 14, 5% in 1620; 18, 9% in 1621, en 13, 7% in 1622. Rekenen wij daar de zuivering van de academie bij in, dan spreken de volgende cijfers vooral voor het credit van Rivetus. Kwamen er in 1619 drie Franse studenten om theologie te studeren op een geheel van 13 Fransen die te Leiden ingeschreven waren, dan veranderde dat in 1620 in 10 theologen op een totaal van 26 ingeschreven Franse studenten, en in 1621 in 17 theologen op een geheel van 50, en in 1622 12 theologen op een geheel van 39*2.

Rivetus' vaderlijke zorg strekte zich ook uit over niet-theologen die uit Frankrijk hier kwamen studeren , , pour la consideration de la religion", en \oor wie hij zoveel als een adviseur was. Adviseur en toeverlaat was hij ook voor zijn collega's en vrienden in Frankrijk, die na de inname van La Roebelle in moeilijkheden geraakten^s^ zijn gouverneurschap en invloed aan het stadhouderlijk hof hebben hem in belangrijke mate hiertoe in staat gesteld.

Geen wonder dat de man van alle kanten lof verkreeg, die hij ook verdiende. Zijn werken worden zeer begeerd, velen dragen hem hun werk op. Voetius wijdt aan hem het eerste deel van zijn disputationes en vraagt Rivetus' mening over zijn Desperata Causa Papains. Vossius wil Rivetus' oordeel hebben over zijn De Tribus Symbolis, en Maresius zendt hem in 1642 een manuscript ter beoordeling toe. Omgekeerd draagt Rivetus zorg voor uitgave van Spanheims Vindiciae en van Daillé's geschrift over de beelden en diens werk over boete en straf, bij Elsevier. Mede door zijn toedoen kwamen de Instructiones historico-theologicae van Forbesius te Aberdeen klaar, en zo ook de Métaphysique van Solon uit Clairac^*. Zijn in-

vloed strekte zich uit over benoemingen te Deventer aan de lUustre School, te Utrecht - Voetius schrijft dat hij Rivetus onsterfelijke dank verschuldigd is - en te Leiden bij de benoeming van Bisterveld^^. Zijn correspondentie richtte zich niet slechts over de grenzen van de theologie - hij was, toen zijn gouverneurschap van Willem II afgelopen was, zoveel als privé-secretaris van Frederik Hendrik en diens directe verwanten - en over de grenzen van het land, maar ook over de grenzen van de kerken heen. Hij voerde een uitgebreide en gedurige briefwissling met Marinus Mersenne, de vriendelijke en zachtzinnige pater van de Minimieten te Parijs, gedurende twntig jaren**». Sixtinus Amama mag Mersenne gelaakt hebben wegens zijn commentaar op Genesis l-S*", Rivetus heeft veel adviezen van zijn vriend ter harte genomen, o.a. die waarin Mersenne hem het opvoedkundig werk van De la Mothe Ie Vayer aanbeval, een boek dat Rivetus prompt ten behoeve van zijn prinselijke adept Willem II ging gebruiken'*^.

Een van de weinige zaken, waarin Rivetus de afbraak van zijn eigen werk heeft gezien, is het verloop van de door Frederik Hendrik na het ontzet van Breda gestichte Illustre School. Rivetus werd een half jaar vóór zijn dood tot curator van die instelling benoemd en zou in Breda wonen om toezicht op professoren, studenten en de hele gang van zaken te houden. Hij heeft dat gedaan met de hem eigene nauwgezetheid, maar alle arbeid voorkwam niet dat de school \an het begin af een kwijnend bestaan heeft geleid49.

Zijn beste krachten - zegt Honders - heeft hij gedurende de twaalf jaren van zijn professoraat aan de Leidse hogeschool (1620-1632) gegeven aan de exegese van het Oude Testament^*', en daar zullen wij ons nu toe beperken. Rivetus is genoemd een theoloog die schriftuurlijkheid voorstond, welke hoogstens aan de consensus van de vroege Kerk mocht worden getoetst. Hij begeerde in zijn theologie niets liever te zijn dan orthodoxkatholiek^i. Honders acht hem in het licht van de theologische verschuivingen rond het midden van de zeventiende eeuw in de richting van puritanisme, ascetisme, biblicisme en cartesianisme „de laatste waardige vertegenwoordiger van het Frans-Zwitsers protestantisme in ons land"52,

Rivetus werd qua discipline aan Thysius toegevoegd in het doceren van exegese van het Oude Testament, en hoewel Walaeus' zoon Johannes in de Vita van zijn vader hem „versatior in controversiis pontificiorum" noemde.

lag toch in de bijbelse vakken naast de patristiek Rivetus' grote kracht. Trouwens, daar komt ook de beroemdheid vandaan die hij verwierf door invoering van een nieuw vak, de isagogiek, waartoe hij in 1624 een nieuw college opende en voor de bestudering waarvan hij als eerste evangelische theoloog in 1627 een handb)oek uitgaf^s. Rivetus mag dan bedoeld hebben aan de studenten „scholastico methodo" de Schrift te verklaren, er is toch dit nieuwe element bijgekomen dat de auteur het humanistisch-textkritisch materiaal ten volle heeft gehonoreerd en de basis heeft gelegd voor de critique sacrée^^ Geen wonder dat hij voorstander was van een niet-allegorische, exacte en reële exegese, en daar in zijn hermeneutische lessen geen geheim van maakte.

Er is nog veel meer te noemen, o.a. de uitgave op zijn instigatie van Casaubonus' brieven door Gronovius, waar Sepp gewag van maakt^^^. En zijn aandeel in de commissie, waarin ook Polyander zitting had, en die contact opnam met de Staten-Generaal over het lot der gereformeerden in landen die met het onze verbonden waren'''*'. En de brief van Rivetus over de pest en de houding die geestelijken bij epidemische ziekten betaamde, en die door de medicus Adolph Vorstius bij de door hem in 1636 opnieuw bezorgde uitgave van Beza's Dissertatio de pestis contagio et fuga werd gevoegd^T,

Genoeg echter. Gomarus mag dan in zijn advies aan curatoren in 1602 het afgeraden hebben om een Engels of Frans theoloog te benoemen vanwege de omstandigheden in die tijd en omdat de ervaring leerde, dat binnenlandse theologen zich „beter schikken naar de humeuren hier te lande"^^, de bloei van de Leidse faculteit na 1620 is niet in het minst te danken aan het hoogleraarschap van Rivetus, terwijl vooral in de jaren na 1632, toen hij aan het stadhouderlijk hof verbonden was, de internationale betrekkingen met zijn vaderland zowel als met andere landen in theologicis en anderszins op veel punten zijn invloed vertonen^".

Anihonius Thysius, geboren 1565 te Antwerpen en gestorven 1640 te Leiden, genoot onderwijs te Lier, te Dendermonde en onder rector Vulcanius te Antwerpen. In 1580 trekt hij met deze naar Leiden om er letteren, wiskunde en theologie te studeren, het laatste vak als leerling van Daneau. Toen deze vertrok, ging Thysius naar Neustadt, Frankenthal en Geneve waar hij onder Beza en Casaubonus studeerde, en vervolgens naar Lausanne, Bern, Zurich en Bazel, waarna hij via Straatsburg in Heidelberg terecht kwam en o.a. met Gomarus bevriend geraakte*"'. Niet ten onrechte noemt G. Cohen voor veel Nederlandse theologen, onder wie Junius, Gomarus, Lubbertus, Polyander en Thysius, Heidelberg een „étape vers Leyde" en voorts „université germanique du Refuge''^!'.

Van Heidelberg uit heeft Thysius Oxford en Cambridge bezocht, waarop in 1590 zijn predikantschap gedurende drie maanden te Haarlem volgde^z. Het sterven van zijn vader bracht hem in Frankfort aan de Oder, waarna hij via Pruisen, Polen en Saksen terugkeerde in de richting van de Nederlanden en te Emden vijftien maanden op proef preekte. Hij bezocht familierelaties in Holland en werd in de jaren 1594-1595 tweemaal in Dordrecht beroepen, doch hij bedankte. Na een reis door Frankrijk, waarbij hij in Saumur, Montpellier en Toulouse terecht kwam, de Hugenotenkring leerde kennen en deel nam aan theologische disputen en besprekingen, schijnt hij voor enige tijd in Amsterdam werkzaam te zijn geweest als een soort hulpprediker^s Wïj krijgen de indruk dat Thysius' reislustige natuur invloed heeft uitgeoefend op zijn besluit, zich niet te vast en voor al te lange tijd aan een gemeente te binden.

Van 1601 af is de avontuurlijke man achttien jaren achtereen hoogleraar in grammatica en logica gebleven te Harderwijk, en uit de verslagen in kerkelijke acta valt op te maken dat hij zich in die tijd te Harderwijk en ook later te Leiden voornamelijk met binnenlandse belangen heeft bemoeid.

Knappert misbruikt hem tot staving van het gevoelen dat zelfs tussen 1610 en de Dordtse synode onder onverdachte lieden de anticonfessionele stroming sterk was64. Het getuigenis van Walaeus' zoon over de vier Leidse hoogleraren doet ons anders zien. Wel beval ook Thysius Arminius te Leiden als hoogleraar aanBS gn schreef hij nog in 1612 aan Arent Corneliss te Delft in verband met een rectorsbenoeming te Harderwijk over „Jacobo Harminio nostro", aan wie Corneliss zijn antwoord op Thysius' brief maar moest meegeven en die dan op zijn beurt , , fratri meo Joanni Thysio Am-

sterodamo hue transmittendas reddet"66. Doch zomin als Walaeus' zorg voor Oldenbarnevehs zaken hem stelt aan de zijde van de partij van de raadpensionaris, zomin kan men de Thysius van de Dordtse synode van leerstellige vriendschap met Arminius betichten.

Door de Grote Synode wordt hij aan D. Latius toegevoegd om van elke classis te vernemen wat sedert 1600 is voorgevallen aan „troublen deser kercken", zodat daar een historisch rapport over verschijntS''. Als ouderling bezocht hij de provinciale synoden van Gelre, als ouderling werd hij afgevaardigd door die synode naar de Nationale Synode, als ouderling te Leiden bezoekt hij ook de particuliere synode van Zuid-Holland^s. Als zodanig heeft hij de meeste activiteit aan de dag gelegd in de synoden van Gelre: in de zaak van D. Piscator, reeds in Frankrijk behandeld, en tot onderzoek van diens geschriften wordt een beroep op Thysius gedaan^s. Hij krijgt het verzoek om een schadelijk boek van de jezuïet Lesius, hoogleraar te Leuven, in het latijn te weerleggen en het vervolgens in het Nederlands te vertalen, doch ziet ervan af, aangezien reeds in Duitsland in het latijn, in Nederland in het „nederduytsch" en in Frankrijk in het Frans tegen Lessius geschreven is^o. Aan de vooravond van de Nationale Synode hebben de remonstranten binnen de synode van Gelre nog gepoogd om o.a. Thysius' deputaatschap ter synode ongedaan te maken, doch het is hun niet gelukt''i. In de strijd der partijen gedurende het Twaalfjarig Bestand heeft Thysius tot tweemaal toe, namelijk door zijn bestrijding van Petrus Baro's gevoelen inzake de predestinatie en door zijn Leere ende order, respectievelijk in 1613 en 1615 getracht de twee kampen terug te brengen tot de hoofdinhoud der leer'^^. Dat dit werk een rol heeft gespeeld in de strijd, valt te betwijfelen. Disputatie XVII in de Synopsis - over de vrije wil - en zijn aandeel in de discussie over de predestinatie tijdens de Dordtse synode alsmede in de compilatie van de Canones, en ook zijn werk aan het gereedmaken van een authentieke tekst van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en zijn reviseurschap bij de Statenvertaling van het Oude Testament stellen hem geheel aan contraremonstrantse zijde, waarbij zijn infralapsarisch standpunt geen geheim is.

Thysius' bekendheid met de Engelse orthodoxie en patristiek bleek uit zijn Brevis et dilucida explicatio van 1613, een werk dat de voorbeschik-

king, verkiezing en verwerping behandelde'''^. Sepp schijnt gelijk te hebben, wanneer hij stelt dat Thysius met zijn komst te Leiden in de schaduw der andere hoogleraren ging''*. Wellicht heeft hiertoe enigszins bijgedragen de taak die hij als professor textus bibliae opgedragen kreeg, en waarvan de Zuidhollandse synode verwachtte dat hij „binnen den tijt van weynich jaren den gehelen bibel cortelick" zou verklaren, „alleenlick aenwijsende den eygen sin van de woorden'''''^. Leonard neemt de moeite niet om hem in zijn Histoire Générale du Protestantisme zelfs maar één keer te vermelden. Twee werken van hem zijn te vinden in de Nederlandse afdeling van de universiteitsbibliotheek van Herborn, namelijk De Usura et Foenore en Der freymütige Batavier •*. Hij was een goed hebraïcus en had als hoogleraar te Leiden grote invloed op de senaat in de kwestie van oprichting van het ter concurrentie opgezette Amsterdamse Athenaeum'^'^.

Antonius Walaeus, geboren 1573 te Gent en gestorven 1639 te Leiden, was de zoon van een naar Gent uitgeweken vertrouweling van graaf Egmont. Reeds in zijn jeugd maakte hij kennis met al de moeiten van vervolging om redenen van geloof. Na de latijnse school te Middelburg te hebben bezocht, studeerde hij drie jaren aan de Leidse universiteit onder protectie van Gomarus en op een beurs van de Staten van Zeeland. Van 1599 tot 1601 reisde hij door Frankrijk, Zwitserland en Duitsland. Vervolgens was hij predikant te Koudekerke van 1602 tot 1605, waarna hij naast het predikantschap ook het hoogleraarschap van de in wording zijnde lUustre School te Middelburg aanvaardde. De verstandhouding met zijn vroegere hospes Gomarus liet echter zoveel te wensen over, dat hij in 1614 de stad veriiet, overigens met behoud van titel, hetgeen ook de reden is dat wij hem als zodanig op de Dordtse synode aantreffen'^'*. Overigens schijnt hij wel, toen door het vertrek van Gomarus de illusie van de oprichting der Illustre school verdween, zijn lessen aan de oorspronkelijke Latijnse school te hebben gecontinueerd, vermeerderd met onderwijs in de geloofsleer^^.

Over zijn werk aan de Statenvertaling van het Nieuwe Testament spraken wij reeds in verband met Polyander. Den Tex heeft uitvoerig de betekenis van Walaeus toegelicht in zijn begeleiding van Oldenbarnevelt

tijdens diens laatste levensdagen^o. Van internationale betekenis uit de tijd vóór zijn twintigjarig hoogleraarschap te Leiden is Het Ampt der kerckendienaren van 1615, dat Walaeus' visie op de verhouding tussen kerk en overheid van het ambt uit beschrijft en tegelijk als weerlegging van Wtenbogaerts Tractaet van 't ampt ende authoriteyt eener hoogher christelicker overheydt van 1610 bedoeld is. Walaeus' werk was niet alleen onderwerp van correspondentie tussen De Groot en Vossius^i, doch verkreeg tevens een Franse en een latijnse vertaling tijdens het leven van de auteur, tenvijl Simeon Ruytinck het overtuigend prees van Londen uit in zijn Geschiedenissen ende Handelingen^^. Walaeus mag dan in de ogen van A. Kuyper jr. de man geweest zijn, aan wie de Synopsis haar scholastieke trekken te danken had^3^ B Glasius wees erop dat hij zeker in zijn Compendium ethicae van 1627 heeft gepoogd aan het scholastiek systeem te ontkomen^*. Zijn geduld en ruim standpunt bleken, toen hij bij prins Maurits een goed woord deed voor Grotius' plan om een generale synode van alle protestantse kerken bijeen te doen roepen in het verlengde van de Dordtse synode^^. Zijn instemming met Grotius' standpunt inzake geloofsvervolging bleek uit de in 1611 geschreven, maar onuitgegeven Meletius.

In de Nederlandse afdeling van de universiteitsbibliotheek van Herbom zijn van Walaeus aanwezig zijn tractaat over de sabbat van 1628, een theologische disputatie over de val van Adam, en de uitgave van zijn werken, zoals die in 1647 te Leiden door toedoen van zijn zoon en biograaf Johannes Walaeus verscheen^s. In 1625 ging hij uitvoerig in op het oordeel van Corvinus over het Anatomen Arminianismi van Dumoulin.

Het is een onuitgemaakte zaak, of Walaeus meer eer heeft ingelegd met zijn standpunt in de ethiek tussen Ramus en Keckerman ter zake van het aristotelisme^'^, dan wel door zijn bevordering van het Collegium Indicum, dat niet zoals Lasonder beweert, tussen 1627 en 1637 heeft bestaan, doch in 1622 ten huize van Wedaeus werd opgericht en volgens A. Eekhof gedurende tien jaren voor twaalf predikanten in de overzeese gebiedsdelen heeft gezorgd****. In 1632 kreeg Walaeus te horen van de heren der Oost-

Indische Compagnie, dat er nu wel genoeg waren en dat hij zijn seminarie, overigens met woorden en tekenen van dank, kon sluiten^^.

Voor ons thema is het Collegium Indicum van uitnemend belang, en dat niet slechts doordat Walaeus zulks deed in nauw verband met mensen als Justus Heurnius die vertaalwerk in het Maleis verrichtte, doch tevens aangezien het jaar van stichting van dit collegium tevens het jaar was waarin te Rome door paus Gregorius XV de congregatie De propaganda fide werd geïnstitueerdso. Aan Walaeus, die door curatoren bereid gevonden werd om aan het verzoek van de kamer van XVII der O.I. Compagnie tot ontwerp van een bestek voor een collegium te voldoen en het uit te voeren, is de eer verbonden van dit ontwakend zendingsbewustzijn tegenover de Contrareformatie en in vervolg op de discussies over zending onder de heidenen op de Grote Synode.


1 A. Kuyper jr., Johannes Maccovius, Leiden 1899, blz. 200.

2 B. Glasius, Geschiedenis der Christelijke Kerk en Godsdienst in Nederland I, Amsterdam 1842, blz. 222-223.

3 H. Bavinck, praefatio ad Synopsin, ed. Lugd. Bat. 1881, p. IV.

4 C. Sepp, Het godgeleerd onderwijs in Nederland gedurende de 16e en 17e eeuw II, Leiden 1874, blz. 27..

5 o. J. de Jong, Nederlandse Kerkgeschiedenis, Nijkerk 1972, blz. 214.

6 Godgeleerd onderwijs II, blz. 43-44.

7 A. Eekhof, De theologische faculteit te Leiden in de 17de eeuw, Utrecht 1921, bijlagen blz. 26-27.

8 G. P. van Itterzon, De , ^ynopsis purioris theologiae", N.A.K. n.s. 23, 1930, blz. 161-213 en 225-259.

9 G. D. J. Schotel, De Illustre School te Dordrecht, Utrecht 1857, blz. 40-43.

10 J. den Tex, Oldenbarnevelt III, Haarlem 1966, blz. 270 en 419. Getuige een brief van Polyander aan IJecius heeft de eerste dan op verzoek van curatoren en collega's en door betuigingen van welwillendheid van Episcopius' zijde bewogen, besloten om diens inaugurele oratie bij te wonen; Sepp, Godgeleerd onderwijs I, Leiden 1873, blz. 227.

11 Sepp, ibidem, blz. 218-219.

Ï2 Sepp, ibidem, blz. 218.

13 Den Tex, ibidem, blz. 270 en 419.

14 Den Tex, ibidem, blz. 465.

15 Den Tex, ibidem, blz. 270.

I'S L. Knappert, Geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk ged. de 16e en lie eeuw, Amsterdam 1911, blz. 112.

17 Sepp, Godgeleerd onderwijs II, blz. 27.

M Schotel, Kerkelijk Dordrecht I, Utrecht 1845, blz. 225.

19 Sepp, Godgeleerd onderwijs I, blz. 229-230.

20 Sepp, Godgeleerd onderwijs II, blz. 30.

21 Knappert, Gesch. I, blz. 135.

22 Hetgeen niet betekent dat het supralapsarisch standpunt door de synode is veroordeeld; K. Dijk, De strijd over Infra-en Supralapsarisme, Kampen 1912, blz. 267-277. E. G. Leonard, Histoire Générale du Protestantisme II, Paris 1961, p. 216, noemt Polyander in vergelijking met Gomarus „orthodoxe aussi ferme mais moins vehement".

23 C. C. de Bruin, De Statenbijbel en zijn voorgangers. Leiden 1937. blz. 282, 289.

24 De Bruin, ibidem, blz. 291.

25 De Bruin, ibidem, blz. 314.

26 Sepp, Godgeleerd onderwijs I, blz. 221.

27 Schotel, Kerkelijk Dordrecht 1, blz. 213; een jaar later werden in Heidelberg de theses theologicae de peccato met als respondens Joh. Polyander F. Metensis, sub praeside G. Sohn uitgegeven; P. Dibon, Le fonds nèerlandais de la Bibl. acadétnique de Herborn (Meded. Kon. Ned. Akad. Wetensch. afd. letterkunde, nieuwe reeks dl. 20 no. 14), Amsterdam 1957, p. 102. C. van der Woude noemt in zijn Sibrandus Lubbertus, Kampen 1963, blz. 61 Polyander als lofdichter in de bundel Gratulatoria, die Lubbertus' amici aan hun oudere studievriend in 1587 bij diens promotie te Heidelberg hebben opgedragen. Het betrof hier de kring rond de hoogleraar Molanus.

2H F. S. Knipscheer in Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek IX, kol. 815-816.

29 c. van der Woude, Sibrandus Lubbertus, blz. 271.

29 c. van der Woude, Sibrandus Lubbertus, blz. 271. 3« Ibidem, blz. 392. Evenzo verzoekt Walaeus, blz. 393.

31 A. G. van Opstal, Atidrc Rivet, een invloedrijk hugenoot aan het hof van Frederik Hendrik, Harderwijk 1937, blz. 7.

32 Ibidem, blz. 6.

33 p. D. Bourchenin, Étude sur les Académies protestante! en France au XVIe et au XVlIe siècle. Paris 1882, p. 430.

34 Van Opstal, blz. 114.

35 Ibidem, blz. 14.

36 H. J. Honders, Andreas Rivetus ah invloedrijk gereformeerd theoloog in Holland's bloeitijd, 's-Gravenhage 1930, blz. 21, 63-64, 109-110 en 115. E. G. Leonard. Histoire Générale du protestantisme II, p. 221 et 338.

37 L. Knappert, Geschiedenis I, blz. 150.

38 J. N. Bakhuizen van den Brink, Handboek der Kerkgeschiedenis^ II, 's-Gravenhage 1946, blz. 203. In de derde druk wordt Rivetus niet genoemd.

•TO Van Opstal, biz. 68-70.

t" Ibidem, blz. 137.

41 Ibidem, blz. 99-101. Honders, blz. 2.? .

*2 G. Cohen, Écrivains fratifais en HoUande dans la première moitié du XVIIe siècle. Paris 1920, p. 341-S52.

43 Bourchenin, p. 429. Van Opstal, blz. 102 e.v.

441 Van Opstal, blz. 115 en 117-120.

*B Ibidem, blz. 120-121.

48 Ibidem, blz. 122-123.

*"! Sepp, Godgeleerd onderwijs II, blz. II.

4R Van Opstal, blz. 125.

49 Ibidem, blz. 28. Honders, blz. 30-32.

5U Ibidem, blz. 63. Sepp II, blz. 40-41.

61 Hondens, blz. 162.

B2 Ibidem, blz. 161.

S3 Ypeij en Dermout, Geschiedenis der Ned. Herv. Kerk II, Breda 1822, blz. 395 en aant. 463.

aant. 463. 3+ Honders, blz. 63; G. de Felice, Histoire des Protestants de France, Paris 1856, p. 360-361.

55 Sepp II, blz. 42.

39 Van Opstal, blz. 98.

57 Sepp II, blz. 42.

58 Sepp I, blz. 102.

59 Bijv. zijn schriftelijk advies aan de faculteit over een boekje van Paul Testard en in den brede over de leringen van John Cameron over de verkiezing en de vrije wil. Brief 136 gedateerd Den Haag mei 1633, in U.B. Leiden. Zie Honders, blz. 21 en Van Opstal, blz. I, 54, 57 en voorts passim. Een ander blijk van zijn internationale invloed is, dat van hem 6 werken en 1 dat hij samen met zijn broer Guillaume opstelde, te vinden zijn in de Nederlandse afdeling van de bibliotheek van Herborn, o.a. Grotianae disciissionis dialusis en de Synopsis doctrinae de natura et gratia, die later in ons betoog terugkomt.

60 P. J. Blok in Nieuxv Nederlandsch Biographisch Woordenboek V, kol. 923-924.

61 Cohen, Écrivains franfois, p. 222.

62 Schotel, Kerke!. Dordrecht I, blz. 246.

83 Bloflc in N.N.B.W.

64 Knappert, Geschiedenis I, blz. 82.

63 Evenals Junius, Sepp I, blz. 99 en 113.

«6 Brieven uit onderscheidene Kerkelijke Archieven, Werken Marnixver. III-5, Utrecht 1884. blz. 319 en 321.

6" Reitsma en Van Veen, Acta der provinciale en particuliere synoden 11, Groningen 1893, blz. 100-101; III, Groningen 1894, blz. 425. W. P. C. Knuttel. Acta der particuliere synoden van Zuid-Holland I, 's-Gravenhage 1908, blz. 4.

8« Reitsma en Van Veen 111, blz. 410 en IV, blz. 102 en 110.

69 Ibidem IV, blz. 133 en 141.

70 Ibidem IV, blz. 189 en 202.

"1 Ibidem IV, blz. 296. Thysius en Damman hebben veel gedaan ter bevordering van de Nationale Synode; Reitsma en Van Veen IV, blz. 200 en 224.

72 Sepp I, blz. 173-177.

73 Blok in N.N.B.W.

M Sepp I, blz. 178.

75 Reitsraa en Van Veen III, blz. 329-330.

7ö P. Dibon, Le fonds néerlandms de la Bibt. académique de Herborn (Meded. Kon. Ned. Akad. Wetensch. afd. letterkunde, nieuwe reeks dl. 20 no. 14), Amsterdam 1957, p. 123.

77 Blok in NJ^^.W.

•: x L. W. A. M. Lasonder in N.N^.W. II, kol. 1513-1517.

79 J. D. de Lind van Wijngaarden, Antonius Walaeus. Leiden 1891, blz. 30-31.

Sü J. den Tex, Oldenbaineveit III, Haarlem 1966, blz. 17-18, 152, 492 noot 1, 586, 722 en 726 waar van Walaeus' geduld sprake is; vgl. Sepp I, blz. 105; Den Tex, blz. 728-736.

*l De Lind van Wijngaarden, blz. S8.

82 Werken Marnixvereniging III-l, blz. 267.

83 In Johannes Maccovius, Leiden 1899, blz. 200.

8* In Gesch. der Christ. Kerk I, Amsterdam 1842, blz. 222-223.

85 Den Tex III, blz. 287.

89 Dibon, p. 140.

87 De Lind van Wijngaarden, blz. 175 e.v. Sepp II, blz. 43 acht hem hierom het hoogste onder de vier hoogleraren die de stoelen te Leiden bezetten.

88 A. Eekhof, De theologische faculteit te Leiden in de 17de eeuw, Utrecht 1921, blz. 40.

89 o. J. de Jong, Nederlandse Kerkgeschiedenis, blz. 203.

80 De Lind van Wijngaarden, blz. 202-203.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 1974

Theologia Reformata | 77 Pagina's

VIER LEIDSE HOOGLERAREN IN DE GOUDEN EEUW

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 1974

Theologia Reformata | 77 Pagina's

PDF Bekijken