Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

SELBSTFINDUNG UND GOTTESERFAHRUNG

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

SELBSTFINDUNG UND GOTTESERFAHRUNG

4 minuten leestijd

Johannes Tenzler, SELBSTFINDUNG UND GOTTESERFAHRUNG, 400 S., kart. DM 38, —, Verlag Ferd. Schöningh, München, 1975.

Grote psychologen kunnen het ons niet verbieden om hen psychologisch te onderzoeken (I. A. Caruso). In dit werk wordt de complexe psychologie van Jung in nauwe relatie met zijn persoon getekend. Vandaar de titel, nader omschreven als: de persoonlijkheid van C. G. Jung en de persoonlijke neerslag daarvan in zijn complexe psychologie. De auteur schrijft met gedegen kennis en met veel respect over deze geniale denker, die hij vele malen aanduidt als der Zürcher Weise am Zürcher See.

Terwijl Freud anti-of in elk geval a-religieus was, was Jung uitgesproken religieus georiënteerd. De invloed van zijn jeugdjaren heeft zich ook daarin zijn gehele leven doen gelden. In zijn Erinnerungen, Traume, Gedanken ligt het materiaal om dit te bewijzen bergenhoog opgestapeld. Deze outsider van de theologie wordt hier genoemd de epochale grensgestalte tussen psychologie en theologie. De psychoanalyse heeft niet meer dan een rationalistische opvatting van het onbewuste, het is geen levensbeschouwing.

Jung legt grote nadruk op het persoonlijke leven: dragers van het leven zijn individuen. Onze natuurwetenschap reduceert alles tot de doorsnede, maar de mensen zijn geen doorsnee-nummers; als alles naar de statistiek gaat, dan berooft men de mens van de scheppende achtergrond van zijn persoonlijkheid. Hier laat hij het woord vallen van degraderende atrofie. Hij maakt onderscheid tussen het bewustzijn, het persoonlijk onbewuste en het collectieve onbewuste; dit laatste is de geweldige geestelijk erfmassa van de mensheidsontwikkeling, in elke individuele hersenstructuur wedergeboren (Struktur der Seele). Deze archetypen zijn energiecentra, neerslagen van de zich steeds herhalende ervaringen van de mensheid.

G. Quispel noemde de complexe psychologie van Jung de belangrijkste gnosis van onze eeuw, waarbij hij de gnosis definieert als mythische projectie van zelfervaring. Op die zelfervaring valt in dit boek een sterk accent. Psyche is het allerreëelste wezen, omdat het het enige directe (Unmittelbare) is. Alles wat wij weten kunnen bestaat uit psychische stof. Wel spreekt Jung van een transcendente functie der ziel, maar dat betekent niet een persoonlijke binding van de existentie

aan het transcendente, maar veelmeer een synthese van de bewuste en de onbewuste persoonlijkheid; bedoeld wordt een binnen-psychologisch aanpassingsproces, een overgang naar een nieuw verworven innerlijke instelling.

Als Jung schrijft, dat de godservaring de meest evidente is van alle ervaringen, dan moet de vraag wel aan de orde komen naar de realiteit Gods. Wat als God wordt aangeduid is iets overweldigends, zegt Jung: Gott ist die Ergriffenheit der Seele. God is een collectief archetype. En daarbij kan de psychologie geen onderscheid maken tussen imago Dei en God zelf (d.i. tactisch niet, wel begripsmatig). Maar worden dan God en afgod, , religie en surrogaat-religie niet in één vat gestopt? Wordt dan in de godheid niet de energie van het archetype vereerd? Dan antwoordt Jung scherp, dat hij geen idioot is: het 'zelf' is nooit en te nimmer in de plaats van God, maar wellicht een vat voor de goddelijke genade. Hier — zo Tenzler — ligt het eigenlijke hiaat in Jungs beschouwing. Aan Jungs idee van transcendentie ontbreekt de persoonlijke kwaliteit van God: tot wie spreekt de biddende mens? Hij wijst op de labyrintisch-uitwegsloze positie als Jung er — toch — op wijst, dat God een beeld van zichzelf in de mens gemaakt heeft. — De religie is voor Jung onbetwistbaar één van de vroegste en algemeenste uitingen van de menselijke ziel, waarmee hij zich diametraal opstelt tegenover Freud met diens Unvermögen das religiose Erleben zu verstehen. Psychologische en theologische aspecten raken elkaar voortdurend, vullen elkaar aan, doordringen elkaar. Ik denk aan de telkens terugkerende beschouwingen over de menselijke Job-situatie, aan de opvattingen over het offer van Christus, die de schrijver wel moet afwijzen.

In het eerste deel van deze studie houdt de auteur zich intensief bezig met de persoonlijkheid van Jung: de indivi­ duele eigen structuur van Jung heeft zijn neerslag gevonden in de complexe psychologie; het tweede deel handelt over de anthropologische werkelijkheid van de religie en in het slot wijst de schrijver op het verschil tussen Augustinus en Jung: imaginatieve mystiek bij deze, persoonlijke mystiek bij Augustinus. Jung waarschuwt voor Verkümmerung der menschlichen Persönlichkeit, nu, in de moderne tijd tot de grondverzoekingen behoren een a-sociaal individualisme en anderzijds een collectivisme zonder gelaat.

Dit boek was voor mij aanleiding om weer eens bij Jung te lezen o.a. over Synchronizitat als Prinzip akausaler Zu-.sammenhang.

Gaarne beveel ik dit boek aan bij onze lezers met psychologische belangstelling.

H.

Bt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1976

Theologia Reformata | 100 Pagina's

SELBSTFINDUNG UND GOTTESERFAHRUNG

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1976

Theologia Reformata | 100 Pagina's

PDF Bekijken