Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

ORIËN­TATIE IN DE THEOLOGI­SCHE WETENSCHAP

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

ORIËN­TATIE IN DE THEOLOGI­SCHE WETENSCHAP

6 minuten leestijd

P. J. Roscam Abbing, ORIËN­TATIE IN DE THEOLOGI­SCHE WETENSCHAP, 418 blz., / 65, —, Kok, Kampen, 1982.

Sinds lang is er in het Nederlandse taalgebied geen theologische Encyclopedie verschenen van het formaat, dat Roscam Abbing ons biedt. Men herkent aan tal van kenmerken in dit boek zijn schrijver. De ver doorgevoerde detaillering, de alomvattende aanpak, die niet alleen de theologie maar ook de wetenschap in het algemeen omvat, en een poging om de theologie binnen het geheel van de wetenschap te integreren. Men herkent de schrijver ook daaraan dat hij het algemeen menselijke én het bijzondere, het specifiek christelijke wil combineren.

Het boek bestaat uit drie fundamentele hoofdstukken. Na een kort eerste hoofdstuk over Leven en wetenschap, volgt een hoofdstuk o\er wetenschap met vijf paragrafen: Omschrijving - Objecten - Disciplines - Methoden - Eenheid. Deze vijf paragrafen treft men ook in de volgende twee hoofdstukken aan. De titel van hoofdstuk drie is: Godsdienstwetenschap, en van hoofdstuk vier: Theologie. Dit laatste hoofdstuk is, zoals te verwachten valt, verreweg het grootste.

In een Uitleiding wordt de lof op de duplex ordo, die reeds was bezongen (blz. 207), nog eens herhaald. Deze epiloog is eigenlijk ook de vooronderstelling van het boek. Ik meen de auteur

met deze kenschetsing geen onrecht aan te doen. Immers: het boek gaat uit van de toestand (vakkenpakket) aan de Nederlandse universiteiten. Het overzicht op blz. 41 bijvoorbeeld is regelrecht aan de RU Groningen ontleend, zoals de schrijver zelf stelt.

Wat zien we nu? Er is een (betrekkelijk klein) middenhoofdstuk over godsdienstwetenschap (nog niet de helft van het hoofdstuk over wetenschap in het algemeen, en nog geen kwart van dat over theologie). Dit middenhoofdstuk doet in het boek helemaal mee (tot en met de verdeling in de genoemde vijf paragrafen). Niettemin kan het in de praktijk niet functioneren, want er is geen faculteit voor godsdienstwetenschap. De in dit hoofdstuk besproken vakken blijken in de theologie door de staatshoogleraren te worden gedoceerd. Wel vraagt men zich af onder wie van hen het onderdeel 'toegepaste godsdienstwetenschap' valt.

Onder theologie worden dan de zeven vakken van kerkelijke hoogleraren behandeld. De schrijver tracht wel een parallel te trekken tussen deze vakken en die uit het hoofdstuk: Godsdienstwetenschap. Men zie de schema's op blz. 232 en 368. De schrijver pleit ervoor de zendingswetenschap een plaats te geven in de vakgroep voor specifieke godsdienstwetenschap van de staatsfaculteit. Dit voorstel lijkt mij een principiële doorbreking van de duplex ordo. (Men zie blz. 231.)

Voor de ethiek betekent deze aanpak een tweedeling van algemene én christelijke ethiek. De ethiek komt trouwens ook reeds in het hoofdstuk over wetenschap ter sprake (blz. 101-119). Juist vanwege dat feit moet de vraag gesteld worden wat dan het specifieke van de ethiek in het kader van de godsdienstwetenschap is. Binnen dit kader kan de ethiek toch eigenlijk niet anders dan wijsgerige ethiek zijn. Doch dat vak wordt ook buiten de godsdienstwetenschap beoefend, zoals de schrijver in het hierna te geven citaat van blz. 376 zelf ook stelt. Hier klopt de opzet niet. Godsdienstwetenschap is wel een apart hoofdstuk in het boek. Encyclopedisch is zij dat onderdeel van de theologie dat door de staatshoogleraren wordt gegeven. Het zou interessant zijn hiernaast de visie te leggen, die Dr. A. van de Beek in zijn Leidse oratie (God kennenmet God leven) heeft ontwikkeld.

De schrijver heeft oog voor de breuk, die de zonde sloeg en waarop het eigene van de theologische faculteit ingaat. 'De relatie tot God is echter van de mens uit weggevallen. Daarom behoort de theologie niet tot de algemene wetenschap, die ook de algemene ethiek en filosofie omvat' (blz. 376). Kan de godsdienstwetenschap, die van de theologie onderscheiden wordt, dan wel zonder de relatie met God? Blijkbaar wel. Anders zou ze immers wel geheel onder de theologie vallen. Nu zij een hoofdstuk apart vormt, kan men haar niet zomaar in de theologie integreren, hetgeen de schrijver toch eigenlijk wel probeert te doen. Zo er al van discontinuïteit tussen godsdienstwetenschap en theologie sprake is, dan is deze minder groot dan de continuïteit. Daar ligt voor ons de kern van het probleem In deze encyclopedie.

Er is nog een vraag te stellen: Is voor de ethiek de relatie met God niet beslissend?

Men zou de proef op de som kunnen nemen door de vraag te stellen naar het jus promovendi voor de kerkelijke hoogleraren. Deze zaak wordt over het algemeen 'in der minne' geschikt. Wanneer iemand niettemin hun dat recht zou ontzeggen, meent de schrijver dat zij het kunnen claimen via een verwijzing naar het recht dat theologische hoogleraren aan bijzondere universiteiten of Hogescholen hebben. Dit lijkt ons

echter het bewijs, dat de schrijver in zijn opzet de duplex ordo te verdedigen niet is geslaagd. Aan die Hogescholen of universiteiten zou deze encyclopedie naar mijn gedachte niet gevolgd worden. Het lijkt mij onjuist te stellen dat men daar weliswaar niet organisatorisch, doch wel wetenschapstheoretisch met de duplex ordo te maken heeft (blz. 11).

Het vak kerkgeschiedenis heet een bijvak, omdat het niet behoort tot de drie theologische oervakken, te weten de bijbelse, de systematische en de praktische theologie. 'De kerkgeschiedenis is niet een eigen kenbron voor het verstaan van God in zijn Woord en voor het leven uit dat Woord' (blz. 353). Is de kerk geen vrucht van het Woord? En is de praktische theologie wel zulk een kenbron?

Men vraagt zich ook af waarom de geschiedenis van het Christendom in de afdeling wetenschap van de godsdienst geen bijvak is (blz. 145). Opnieuw een discrepantie tussen wat in de ene én in de andere wetenschap gesteld wordt.

Bij de bespreking van het boek 'Predikantswerk' heb ik erop gewezen hoe moeilijk plaatsen zijn terug te vinden, waarnaar verwezen wordt. Men moet dan steeds de uitgebreide inhoudsopgave (van 12 bladzijden) raadplegen. Het ware veel eenvoudiger die verwijsplaatsen via de paginering aan te geven dan door het noemen van de ingewikkelde en gedetailleerde indeling van het boek.

Met voorletters van auteurs heeft de schrijver steeds weer moeite. Van Strien heet P. J. in plaats van B. J. (verg. het literatuuroverzicht met blz 162). Pannenberg heet W. in plaats van D. (blz. 186). Herrmann heet W. in plaats van J. W. (blz. 24).

Het boek biedt wat de titel zegt: 'Een oriëntatie, waarbij het punt van oriëntatie (naar het latijnse woord oriri zou men ook mogen zeggen: de zonsopgang) is de consequent volgehouden verdediging van de duplex ordo. Het is een groots boek, dat niettemin bij ons niet onaanzienlijke bedenkingen oproept.

A.

W.H.V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 1 January 1982

Theologia Reformata | 348 Pagina's

ORIËN­TATIE IN DE THEOLOGI­SCHE WETENSCHAP

Bekijk de hele uitgave van Friday 1 January 1982

Theologia Reformata | 348 Pagina's

PDF Bekijken