Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE VERHOUDING TUSSEN DOGMATIEK EN GODSDIENSTWETENSCHAP BINNEN DE THEOLOGIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DE VERHOUDING TUSSEN DOGMATIEK EN GODSDIENSTWETENSCHAP BINNEN DE THEOLOGIE

5 minuten leestijd

Albert de Lange, DE VERHOUDING TUSSEN DOGMATIEK EN GODSDIENSTWETENSCHAP BINNEN DE THEOLOGIE. Een onderzoek naar de ontwikkeling van het theologiebegrip van J.H. Gunning Jr. (1829-1905), 294 blz., ƒ 35, - , Uitgeverij Mondiss, Kampen 1987.

Dit boek diende als dissertatie voor de Theologische Academie te Kampen op 9 oktober 1987, en het is een goed stuk werk geworden, niet helemaal congeniaal geschreven maar wel uiterst zakelijk en betrouwbaar.

Het probleem dat hier aan de orde wordt gesteld is eigenlijk dat van de duplex ordo aan de theologische faculteiten van 1876, en dan in het bijzonder toegespitst op de ontwikkelingsgang van Gunning. Het woord ontwikkelingsgang heeft dan een dubbele bodem. Enerzijds is daar de ontwikkeling van Gunnings leven. Van 1882 tot 1889 is hij hoogleraar in de dogmatiek te Amsterdam, maar komt hij in 1889 naar Leiden dan wordt zijn vak de godsdienstwetenschap, en wordt hij in plaats van kerkelijk hoogleraar staatshoogleraar. Dan komt ook de stroomversnelling van Gunnings innerlijke ontwikkeling op gang en na anderhalfjaar ruilt hij van leerstoel en staat hij de zijne af aan C.P. Tiele.

Het geweldige probleem waardoor de duplex ordo in die tijd belast werd was dat van de opkomst van de godsdienstwetenschap. Daaronder valt dan te verstaan: de wijsbegeerte van de godsdienst; de historisch-vergelijkende godsdienstwetenschap (Tiele!); en de geschiedenis der godsdiensten. Gunnings leeropdracht te Leiden is wel een geheel andere dan die te Amsterdam, en is daarom zo zwaar omdat de tijd voorbij is, ook voor Gunning, waarin de theologia naturalis de vanzelfsprekende onderbouw vormde voor alles wat men dogmatisch te zeggen had. Het supra-naturalisme met zijn rationalistisch fundament voor de openbaring en zijn dito geloofsleer heeft plaats moeten maken voor meer historisch en organisch denken en voor meer betrokkenheid op de wordingsgeschiedenis van de bijbel, en bovenal zijn de andere godsdiensten in het vizier gekomen.

Als Gunning in Leiden komt zet hij zich tot de taak het hem toegewezen vak te ontvouwen vanuit de grondslagen van het geloof der gemeente om het zo in relatie met de openbaring te ontwikkelen. Deze doelstelling vervangt dan de oude supra-naturalistische benadering, en is echt ethisch, en wel in deze zin dat het geloof der gemeente aan de dogmatiek vooraf gaat. Gunning weigert God te postuleren in het religieus besef-Schleiermacher of Ritschl - dat dan

in de plaats zou moeten treden van de vroegere rationalistische onderbouw, de theologia naturalis, en hij wil het wezen van de christelijke - en andere - godsdiensten ontvouwen vanuit het christelijk leven. Tevens is dit zijn alternatief voor de religie-filosofie van mannen als Fichte en Rothe.

Gutming loopt echter vast met zijn poging om vanuit het christelijk leven de andere godsdiensten te verstaan. Maakte hij aanvankelijk nog gebruik van de typologie, al meer komt hij tot de overtuiging dat hij het primaat van het godsdienstig leven in moet wisselen voor dat van de openbaring waar de gemeente van leeft. Zowel geloof als leven, en dan in deze volgorde, zijn daaraan ondergeschikt

Het gevolg is nu echter dat zo het vak godsdienstwetenschap door Gunning binnen de theologie niet meer kan worden gehandhaafd. Wanneer het besef hiervan tot hem door begint te dringen, ruilt hij met Tiele. Daar wordt Gunning dan heel eenzaam door. In het Leidse klimaat is het christendom exponent van de religie in het algemeen en heersen vergelijking en apologie van het christendom in zijn relatie tot andere godsdiensten. Guiming daarentegen is tot het uiterste op zijn hoede dat de dogmatiek niet zal worden tot een systematisering van het hoogste type van religie, om zo zichzelf te verliezen. Al meer wordt bij Gimning de theologie tot een hermeneutiek van het christelijk geloof, tot ontvouwing van de inhoud daarvan, zodat dogmatische en godsdienstwijsgerige behandeling van dit geloof onverenigbaar zijn. Al meer verzet hij zich tegen het aanleggen van ieder criterium dat niet aan de openbaring is ontleend maar aan een ander werkelijkheidsgebied.

Boeiend zijn vooral de gedeelten waarin gewezen wordt op de voortdurende contacten met Valeton van wie Gunning, in vriendschap verbonden, al meer afstand nam. Voorts de tekening van de achtergronden die geleid hebben tot de duplex ordo. En vooral die van zijn eenzaamheid: enerzijds zo meevallend omdat weinigen in Leiden zoveel gehoor vonden als hij bij de studenten; anderzijds zo fundamenteel omdat Guiming was als een man die 'naar adem gaapt' temidden van het naturalistische klimaat van zijn tijd zoals Leiden dit vertegenwoordigde (Noordmans).

Moet verbanning van de goddienstwetenschap uit de theologische faculteit nu volgen? Gunning heeft een enkele navolger gehad (Korff) maar G. van der Leeuw valt al weer op de theologia naturalis terug, terwijl Kraemer juist voor opname van de godsdienstwetenschap biimen de theologische faculteit pleit. Hij kan dit doen, omdat deze wetenschap door hem niet belast wordt met de vooronderstelling dat alle andere godsdiensten in wezen voorbereiding zijn op het christendom, iets wat er bij Gunning toch altijd doorheen speelde. De vraag is dan echter weer of een zozeer beschrijvende wetenschap wel zo objectief is als zij zich aandient.

In feite staat in Gunnings latere positiekeuze het hele bestaan van de duplex ordo op het spel. De Lange verdedigt deze, op grond van het feit dat de universiteit de ontmoetingsplaats heeft te zijn met andere culturen en in deze ontmoeting heeft de godsdienstwetenschap zijn functie. De denk dat er dan nog wel het één en ander gezegd moet worden over wat dit vak naar inhoud en doelstelling is, en vooral: wat het niet is. Maar daarover handelt dit boek nu eermiaal niet.

Doordat dit boek zich vooral op de kenvraag als kern-vraag concentreert valt veel van de worsteling van Gunning buiten het bestek. Daarvoor zijn echter weer andere broimen.

L.

S.M.

Dit artikel werd u aangeboden door: Theologia Reformata

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1988

Theologia Reformata | 170 Pagina's

DE VERHOUDING TUSSEN DOGMATIEK EN GODSDIENSTWETENSCHAP BINNEN DE THEOLOGIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1988

Theologia Reformata | 170 Pagina's

PDF Bekijken