Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VERBERGING VAN GOD - SCHULD OF LOT

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VERBERGING VAN GOD - SCHULD OF LOT

41 minuten leestijd

Over de verberging van God in het Oude Testament

W.J. Dekker

Inleiding

Er is de laatste jaren al veel geschreven over de 'Godsverduistering'.' Deze term verwijst naar het levensgevoel van velen in onze tijd, dat God zich teruggetrokken heeft. We leven in de tijd van de verborgen God. Hij is uit het dagelijks leven geweken. Hij speelt daarin geen rol van betekenis meer. Vroeger wel, maar nu niet meer. Voor steeds meer mensen is God verleden tijd; ze missen Hem ook niet. Laten we maar dicht bij huis blijven. Hoeveel gemeenteleden zegt het werkelijk wat, wanneer God ter sprake komt? We worden als predikant geroepen grote woorden te spreken, maar komen ze echt aan? De harde werkelijkheid is, dat velen niets of nauwelijks iets ervaren wanneer ze deze woorden horen. De bodem van ervaring is onder die woorden weggeslagen.^

Dit levensgevoel is overigens niet iets van de laatste jaren. Is het niet met name K.H. Miskotte geweest, die dit reeds existentieel beleefd en theologisch doordacht heeft? In zijn beroemde werk Als de goden zwijgen omschrijft hij dit levensgevoel als volgt: 'De goden zwijgen. De notie ligt nog in de lucht, maar ze is stom; de gestalte verschemert aan de horizon, maar in zwijgende nevelen; de woorden klinken nog als uit een vreemde taal of als een kinderlied; ze zeggen ons niets

meer (...) De 'vierde mens' (...) huivert som.s nog voor de Overmacht; maar deze heeft geen stem, geeft taal noch teken.'^ God zwijgt. Hij laat niet meer van zich horen, zo lijkt het. Zo wordt het door velen ervaren.

Vraagstelling

In de bezinning op deze Godsverduistering houden twee vragen mij bezig: is deze ervaring nu alleen een ervaring van onze tijd of is zij misschien een ervaring van alle tijden en plaatsen? En: zijn wij nu zelf schuldig aan deze Godsverduistering of overkomt zij ons? Met andere woorden: is de verberging van God schuld of lot? In dit artikel wil ik deze thematiek en vragen belichten vanuit het oudtestamentisch getuigenis. Het is namelijk opmerkelijk, dat we reeds in het Oude Testament" het thema van Gods verberging tegenkomen.

Nu is de term 'Godsverduistering' het O.T. vreemd. Wel treffen we de voorstelling aan, dat God zichzelf of Zijn aangezicht verbergt. De vraag is nu: hoe spreekt het O.T. over de verberging van God? En wat heeft dit ons dan te zeggen in deze tijd van de verborgen God? Kunnen we de Godsverduistering nu vergelijken met de verberging van God toen? M. Buber stelde de vraag als volgt: 'Laten wij ons afvragen, of het niet woordelijk waar zou kunnen zijn, dat God vroeger tot ons sprak en nu zwijgt en of dat niet zo moet worden verstaan, als de Hebreeuwse bijbel het verstaan wil hebben, nl. dat de levende God niet alleen een Zich-openbarende maar ook een Zich-verbergende God is.''

De vraag die ons nu interesseert is: hoe spreekt het O.T. over de verberging van God? We koppelen daar meteen de volgende vraag aan vast: is deze verberging van God schuld of lot? Om hierop antwoord te geven, gaan we als volgt te werk. We werpen eerst een blik over de grenzen van Israël. De thematiek van Gods verberging is namelijk niet specifiek oudtestamentisch, maar komt ook in andere oud-oosterse literatuur voor. Vervolgens richten we ons op het O.T. en laten onze zoektocht uitlopen op een korte bespreking van Jesaja 54. Tenslotte proberen we met enkele overwegingen de brug naar de Godsverduistering vandaag te slaan.*"

Een gebed

'Hoe lang nog, mijn meesteres, bent u toornig, is uw aangezicht afgewend', zo klaagt een vrome uit het oude Mesopotamië. Het is een fragment uit het bekende

'Gebed aan Istar', een Akkadische gebedstekst uit het tweede millennium v.Chr.' Deze tekst was ook buiten Mesopotamië bekend, waaruit we kunnen opmaken dat vromen uit andere delen van het Oude Nabije Oosten zich er kennelijk in herkenden. Het gebed verwoordt hun eigen ervaring: hun god verbergt zich; hij heeft zijn aangezicht afgewend. Of deze tekst ook in Israël bekend was weten we niet. De overeenkomsten tussen deze tekst en oudtestamentische klaagpsalmen is in elk geval opmerkelijk. Deze overeenkomsten zijn zowel structureel als inhoudelijk van aard. Het is ons nu vooral om de laatste te doen.*

Wanneer we het 'Gebed aan Istar' lezen, komen we de volgende motieven tegen. De vrome verkeert in nood. Het is echter niet duidelijk waarin die nood bestaat. Eén ding is wel heel duidelijk: de ik-persoon ervaart deze nood als de verberging van het aangezicht van zijn god; Istar toomt op hem.' Dat is voor hem zijn diepste nood. Daarom klaagt hij: 'mij overkwam verschrikking, afwending van het aangezicht en razende toom.' Vertwijfeld roept hij uit: 'Hoe lang nog, mijn meesteres, bent u toornig, is uw aangezicht afgewend? ' De afwending van het aangezicht van de god betekent onheil en de toewending ervan heil, zo is de oud-oosterse voorstelling.'" Zij is een teken, dat de god toornig is.

Deze toom van de god is de reactie op de zonden van de gelovige, zo belijdt de vrome van het Oude Oosten." Deze vrome echter is zich helemaal niet bewust, dat hij een zonde heeft begaan. Hij bidt wel om vergeving van zonden, maar weet niet van echte, persoonlijke schuld.'^ We komen in zijn gebed dan ook geen schuldbelijdenis tegen. Integendeel, hij begrijpt niet waarom zijn god toomt: 'Wat

heb ik gedaan, mijn god en mijn godin? Als een, die mijn god en mijn godin niet vreest, ben ik geworden!' Zijn lijden is voor hem Een groot raadsel.

Toch is het treffend, dat de aangevochten vrome zich niettemin biddend tot zijn god richt om redding. Hij weet dat er alleen een wending in zijn situatie komt, wanneer Istar haar aangezicht weer tot hem wendt. Daarop richt zich zijn indringend gebed: 'De godin, die in woede is, kere om!' en even later: 'Keer uw nek om, die van mij afgekeerd is, wendt uw aangezicht vriendelijk toe!' Zal Istar zijn gebed verhoren? Dat is nog maar de vraag! Zekerheid heeft hij niet. Zijn gebed heeft dan ook een open einde. Het komt niet tot rust in een vertrouwensvolle overgave aan zijn god.'^

Dit 'Gebed aan Istar' geeft ons een goede indruk hoe ook de vrome gelovige buiten Israël de verberging van zijn god ervaren heeft. Meer dan een indruk kan het ook niet zijn, want we hebben maar één tekst gelezen.

We komen tot de conclusie, dat de vrome uit het O.T. de ervaring van de verberging van God deelt met andere vromen uit het Oude Nabije Oosten. Het gaat om een algemeen voorkomende en ook heel existentiële ervaring.''' De verberging van God wordt ervaren in de bedreiging en ondergang van het concrete, alledaagse bestaan. Deze verberging is voor deze door lijden getroffen mens een groot raadsel. Hij bidt weliswaar om vergeving van zonden, maar hij weet niet waarin hij gezondigd heeft. De verberging van God ervaart hij dan ook niet als eigen schuld. We zijn benieuwd hoe dit nu in het Oude Testament ligt.

Een verborgen God

'Hoe lang nog, JHWH; vergeet U mij voor eeuwig? Hoe lang nog verbergt U Uw aangezicht voor mij? ', horen wij de dichter van Psalm 13 klagen." Ons treft meteen de overeenkomst met de klacht van de vrome in het 'Gebed aan Istar'. We komen straks nog op deze vergelijking terug. Nu proberen we eerst een beeld te krijgen hoe het O.T. als geheel de verberging van God ter sprake brengt. In het bestek van dit artikel zullen we met enkele grote lijnen moeten volstaan.

De ervaring van Gods verberging loopt als een rode draad door de geschiedenis

van Israël. Steeds weer en met name op de dieptepunten van zijn geschiedenis ervaart het volk en daarbinnen de individuele gelovige, dat zijn God zich verbergen kan. Dat is steeds een geweldige schok, want het gaat om die God, die zich als JHWH aan Zijn volk openbaarde. Was die openbaring niet het begin geweest, het begin van de gemeenschap van JHWH met zijn volk? Deze gemeenschap is het fundament van Israels Godsgeloof.'* Wanneer God zich dan verbergt, wordt deze gemeenschap onder grote druk gezet en komt dat Godsgeloof onder flinke spanning te staan. We zien dus, dat de verberging van God alles te maken heeft met Zijn openbaring. Zij veronderstelt haar zelfs.

Nu spreekt het O.T. steeds met twee woorden over deze openbaring. God openbaart zich, Hij komt uit zijn verborgenheid te voorschijn en maakt zich bekend.'^ Maar toch blijft Hij ook verborgen. Hij laat zich niet helemaal kennen. Kennis van God is daarom slechts in zoverre mogelijk als Hij zich laat kennen. Hij geeft zich in Zijn openbaring niet prijs.'* Hij blijft ook in Zijn openbaring de Heilige, de Gans Andere en daarom verborgen God. Dat Hij gemeenschap met Zijn volk zoekt, doet niets af aan Zijn volstrekte heiligheid en heft de afstand tussen God en mens niet op. '...de onmetelijke distantie wordt nooit opgeheven. Ook daar, waar liefde en trouw de boventoon voeren, blijven ontzag en ootmoed de ondertoon', merkt B.J. Oosterhoff treffend op."

We zien dus, dat God ook in Zijn openbaring de verborgen God blijft. Er is sprake van verberging in de openbaring. Hier staat Gods verberging niet tegenover Zijn openbaring, maar zegt deze alles over de wijze waarop God zich openbaart: Hij openbaart zich nooit helemaal. Om met K.H. Miskotte te spreken: 'De verborgenheid is de donkere aura rondom dit wonen, deze tegenwoordigheid. Tegenover de verborgenheid staat niet de Openbaring, maar veeleer de tegenwoordigheid in het 'Zelt der Vergegenwartigung'.'^" Miskotte spreekt dan ook

wel van de presentie ener Afwezigheid}^

Hier stuiten we op de eerste manier waarop het O.T. over Gods verberging spreekt. God is de naar Zijn wezen verborgen God. Deze verberging van God wordt ook niet opgeheven, want is met God als de Heilige God gegeven. We gaan nu na hoe dit in het O.T. zelf naar voren komt.

Wanneer God zich aan mensen openbaart, is steeds sprake van zelfopenbaring. Hoe God zich ook bekend maakt, Israël is steeds overtuigd, dat God zelf tegenwoordig is; de levende God zelf openbaart zich.^" We kunnen dit ook opmaken uit de reactie van mensen op Gods openbaring: men is verslagen, buigt voor God en vreest Hem. Wel is de ene openbaring directer dan de andere. Zij kan zo onmiddellijk zijn, dat we kunnen spreken van een persoonlijke ontmoeting. God wordt zelfs gezien. Denk aan die geschiedenissen, waarin het O.T. getuigt van het 'verschijnen' van God, zoals aan de aartsvaders.^' God verschijnt daar in de gedaante van een mens of van de mal'akJHWH, de Engel des HEEREN.

God verschijnt ook aan profeten. Deze openbaringen zijn minder direct, want visionair, maar zeker niet minder reëel. De profeten verhalen ons namelijk steeds wat zij met hun eigen ogen zien. Jesaja ziet JHWH zitten op een hoge en verheven troon (6 : 1); Amos ziet JHWH op het altaar staan (9 ; 1) en Ezechiël ziet 'de gestalte als van de heerlijkheid van JHWH' (1 : 28). Ook in de Psalmen en de wijsheidsliteratuur komen we plaatsen tegen, waar sprake is van een persoonlijke ontmoeting met de levende God. Er zijn vromen die getuigen, dat zij God in het heiligdom hebben aanschouwd.'^''

Wanneer God zich openbaart in een droom of in een natuurverschijnsel zoals de donderen de bliksem, de wind en de storm, wordt Hij niet meer echt 'gezien'. Zijn openbaring is minder direct, zou je kunnen zeggen. Toch weet het volk Hem nabij.^' Denk ook aan de verschijning van de kabod JHWH, de heerlijkheid des HEEREN, in een wolk. Deze wolk is voor Israël het teken dat God zelf aanwezig is. Tenslotte openbaart God zich ook in Zijn woorden en daden. Hier is helemaal geen sprake meer van een 'zien' van God, maar wel van een doorzien van de geschiedenis als handelen van God. Hoewel Gods openbaring hier nog minder

direct is, toch weet Israël dat zijn God in de geschiedenis reëel aanwezig is. Hierover straks meer.

Maar hoe God zich ook openbaart, meer of minder direct, nergens wordt Zijn gestalte precies beschreven, soms wel bij benadering omschreven.^* Hij is en blijft in Zijn openbaring de Heilige. Hij is in geen beeld te vatten. Elke poging daartoe is een aantasting van Zijn heiligheid. Hierin past de voorstelling, dat wie God ziet sterven moet, zoals we o.a. lezen in Exodus 33.^' Mozes vraagt of hij het aangezicht van God mag zien. De HEERE laat hem 'slechts' zijn rug zien. Treffend, God laat zich zien, maar niet helemaal. Zijn 'ware gezicht'. Zijn wezen blijft verborgen.

Kortom, we moeten steeds met twee woorden spreken. De God die zich openbaart is en blijft de verborgen God. Zijn openbaring is daarom een zaak van vreugde èn van vrees.

Een God die zich verbergt

Hiermee is nog niet alles gezegd. De verberging van God komt in het O.T. op nog een andere manier naar voren. God is niet alleen de verborgen God. Hij kan zich ook actief verbergen voor Zijn volk. Hij trekt zich terug uit de geschiedenis met Zijn volk. Hoe moeten we dat zien?

Israël weet zijn geschiedenis gedragen door Gods daden. Deze daden zijn van fundamentele betekenis voor zijn geloof.^** Want juist daarin heeft het zijn God leren kennen als de levende en tegenwoordige God. Niet alleen in Gods heilsdaden, maar ook in Zijn oordelend optreden. Zijn geschiedenis is de geschiedenis van zijn God, JHWH, zouden we kunnen zeggen.^^ Zij is een afwisseling van licht en donker: God verbergt zich evenzeer als Hij zich openbaart.'" We zien dat door heel het O.T. heen.

Al in vroege tijden ervaart Israël Gods verberging. Denk aan de woestijnreis. Wanneer eten en drinken ontbreekt, komt onder het volk de vraag op of JHWH wel onder hen is (Ex. 17 : 7). Later ziet Gideon in de onderwerping aan de

Mideanieten een signaal, dat JHWH zijn volk verlaten heeft (Ri. 6 : 13). Niet alleen in de historische boeken van het O.T., ook in de Psalmen komen we deze ervaring tegen. Daar wordt zij ervaren in de concrete nood van het bestaan, zoals we hieronder nog zullen zien. Wie denkt niet aan de bekende klacht uit Psalm 22: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten? ' (22 : 2). Luisteren we naar de profeten, dan komt Gods verberging weer heel anders naar voren. Zij is Gods oordeel over de zonden van het volk. 'In een uitstorting van toom heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen', lezen we bij Jesaja (54 : 8). Ook daarover hieronder meer.

Tenslotte komen we deze ervaring ook in de wijsheidsliteratuur tegen. Dat God zich verbergt wil hier zeggen, dat God ondoorgrondelijk is in zijn optreden. Wij vatten Gods daden niet. God is de verborgen God, omdat ons de samenhang in de geschiedenis ontgaat, meent de Prediker (7 : 23vv.; 11 ; 5) en ook Job (36 : 26; 37 : 5, 23). Maar hoezeer Gods optreden voor de Prediker ook onverstaanbaar is, God zelf staat bij hem niet onder kritiek. Zijn klacht over het leven is geen aanklacht van God.''

Samenvattend concluderen we, dat het O.T. op twee manieren over Gods verberging spreekt: God is de verborgen God; Hij is en blijft verborgen naar Zijn wezen (1). Maar God kan zich ook actief verbergen in de geschiedenis met Zijn volk (2). We zouden kunnen spreken van een passieve verborgenheid en een actieve verberging van God. In het eerste geval betreft de verberging Gods wezen, in het tweede geval Gods handelen.'^ Kortom, de God die zich verbergt, is de in wezen verborgen God.

De ervaring van Gods verberging is voor Israël een ervaring van alle tijden. Steeds weer heeft het volk ervaren, dat zijn God een verborgen God is, die zich bij tijden ook actief verbergen kan. Daarom is de verberging van God m.i. een even wezenlijk element van Israels Godsgeloof als de openbaring van God.''

De centrale uitdrukking voor de verberging van God in het O.T. is 'verberging van het aangezicht', str panim, zo heeft S.E. Balentine op overtuigende wijze aangetoond.''' In samenhang met deze uitdrukking treffen we in het O.T. nog vier

voorstellingen aan: God vergeet de vrome of zijn volk''; Hij verwerpt'*; Hij is ver weg" en Hij zwijgt.'*

Heel opvallend is, dat we al deze uitdrukkingen in hoofdzaak in de Psalmen en Profeten tegenkomen. De vraag die ons nu interesseert is hoe Psalmen en Profeten over Gods verberging spreken.

Een groot raadsel

In de Psalmen komen we vaak de klacht tegen, dat God zich verbergt. 'Verberg Uw aangezicht niet voor mij', horen we David in Psalm 27 bidden. In Psalm 42 vernemen we de klacht, dat God de vrome vergeet: Mijn Rots, waarom vergeet U mij? ' (42 : 10). Een ander weet zich door zijn God verworpen: Waarom verstoot U mij? ' (43 : 2). God is ver weg en de aangevochten vrome roept tot God: Wees niet ver van mij!' (22 : 12). God zwijgt, Hij antwoordt niet, maar de dichter houdt aan: Antwoord mij!' (69 : 18).

Deze ervaring is een heel existentiële ervaring. Zij raakt het concrete, alledaagse bestaan. Dat wordt met de ondergang bedreigd. We hebben gezien, dat de vrome uit de Psalmen deze ervaring deelt met de vrome uit Mesopotamië. Lijden is voor allebei een teken dat God zich uit hun leven teruggetrokken heeft. Dat is hun diepste nood.

Nu is het vaak niet duidelijk waaruit de concrete nood van de dichter bestaat. Vijanden, ziekte en verderf, duisternis, dood of benauwdheid? Wat dan ook, de verberging van Gods aangezicht is voor hem de dood zelf: 'Ik ben gerekend onder hen, die in het graf neerdalen', jammert Heman in Psalm 88.

Toch richt de door lijden getroffen gelovige zich tot zijn God. Gods verberging betekent voor hem kennelijk niet, dat God onbereikbaar is. Zijn klacht heeft een duidelijk adres. Maar waarom werpt hij zich op zijn God? Omdat hij God niet begrijpt. Gods verberging brengt hem in grote vertwijfeling. Daarom klinkt nogal eens de bange vraag: 'Waarom? ' of 'Hoe lang nog? ' De vrome begrijpt niet waarom God zich voor hem verbergt.

Opvallend is, dat hij dan niet spreekt over persoonlijke schuld. Slechts een enkele keer, zoals in Psalm 30. De hoofdlijn in de Psalmen is, dat de verberging van God niet het gevolg is van persoonlijke zonden en schuld. De dichter van Psalm 44 is zelfs overtuigd van zijn onschuld: Dit alles is over ons gekomen, hoewel wij U niet vergeten, noch Uw verbond verloochend hebben' (44 : 18).

Zoals voor de vrome uit Mesopotamië, zo is ook voor hem Gods verberging één groot raadsel: Waarom verbergt Gij Uw aangezicht? ' (44 : 25).

Deze vraag is ten diepste de vraag naar Gods gerechtigheid. 'Als God zich afwezig houdt, laait de vraag naar Gods gerechtigheid hoog op', zo zegt B.J. Oosterhoff.'' Kan de vrome wel op God aan? Hoe is het toch mogelijk, dat achter zijn lijden dezelfde God zit als van wie hij heil verwachten kan? Is Hij JHWH, de God van trouw? Dat is de aanvechting van deze vrome. De verberging van God leidt tot vragen, 'omdat de Here zich geopenbaard heeft als déze God, rechtvaardig en geduldig, groot van goedertierenheid en toom. En het komt niet uit; en het eigenlijke komt; en wij komen er niet uit! En Israël leert daarmee te léven', merkt K.H. Miskotte op.""

Deze aanvechting is een wezenlijk element van de klacht. Hoewel de vrome vertrouwt, dat zijn nood door God zal worden afgewend omdat Hij in het verleden een God van trouw gebleken is, wordt hij door de harde realiteit daarop juist aangevochten. Hij weet van Gods heilsrijke tegenwoordigheid, maar juist daarom is Gods afwezigheid voor hem zo bitter."' Maar nergens slaat deze bittere ervaring om in ongeloof en verwijdering van God. Integendeel, in zijn aanvechting en nood houdt deze vrome zich vast aan zijn God."^

Zijn klacht gaat dan ook over in een gebed om redding. Waarin zal deze anders bestaan dan in de toewending van Gods aangezicht? 'Aanschouw toch, antwoord mij, JHWH, mijn God', bidt David in Psalm 13. 'Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij wanneer ik benauwd ben; wanneer ik roep, antwoord mij met spoed', lezen we in Psalm 102.

Nu was het voor de vrome uit het 'Gebed aan Istar' nog maar de vraag of zijn god zijn gebed zou verhoren. Hij verkeerde in grote onzekerheid. Voor de door lijden getroffen gelovige van de Psalmen ligt dat anders. Zijn aanvechting betreft Gods gerechtigheid, maar deze is tegelijk zijn enige houvast. Hoe diep zijn klacht ook is, zij is niet zonder uitingen van vertrouwen. Het geheim van dit vertrouwen is de trouw van God; Hij is JHWH."' Juist hier vinden de vrome uit de Psalmen en die uit het 'Gebed aan Istar' elkaar niet meer. Hun wegen scheiden waar God ter sprake komt. Ze delen wel dezelfde ervaring, maar niet dezelfde God.

Kortom, in de Psalmen is de verberging van God voor de vrome een groot raadsel. Zij houdt geen verband met persoonlijke zonde of schuld. Daarom begrijpt deze vrome God niet en komt voor hem Gods gerechtheid onder grote druk te staan.

Een oordeel van God

Bij de profeten stuiten we op een heel andere kijk op Gods verberging. Nu treedt er een verschuiving op. In tweeërlei zin. In de eerste plaats is zij niet langer een individuele ervaring, maar de ervaring van Israël als volk, het volk van JHWH. JHWH trekt zich terug uit de geschiedenis met dit volk, Zijn volk, en brengt die geschiedenis daarmee tot een einde. Hierin nu ligt het eigene van Israël in de thematiek van de verberging van God.'*''

In de tweede plaats heeft volgens de profeten deze verberging wel een duidelijke oorzaak. In tegenstelling tot de Psalmisten zien zij haar als Gods reactie op de zonden van het volk."^ De profeten spreken dan ook vaak over Gods verberging in de context van oordeel en gericht.

Zoals in de Psalmen komen we nu ook bij de profeten verschillende voorstellingen van de verberging van God tegen. Dat God Zijn aangezicht verbergt, lezen we o.a. bij Ezechiël: Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen', (Ez. 39 : 24)."* Daarmee verwante uitdrukkingen zijn dat God Zijn volk vergeet (o.a. Ho. 4 : 6) en verwerpt. Zo horen we Jeremia zeggen: JHWH heeft het geslacht van Zijn verbolgenheid verworpen en prijsgegeven' (7 : 29). Het volkervaart Gods verberging ook in Zijn zwijgen: Hij zal hun niet antwoorden, maar Zijn aangezicht in die tijd van hen verbergen', verzekert Micha (3 : 4).

Nu is het opmerkelijk, dat dezelfde werkwoorden ook worden gebruikt met het volk als subject. Daarmee wordt het verband tussen Gods verberging en de schuld van het volk heel direct gelegd. Heel duidelijk is dat bij Hosea: Omdat u de kennis verworpen hebt, heb Ik u verworpen (...) omdat jullie de wet van jullie God vergeten hebben, zal Ik, zelfs Ik, uw kinderen vergeten' (4 : 6). Een heel belangrijke bewijsplaats in dit verband is Jesaja 59 : 2: ...uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding maken tussen u en uw God, en uw zonden hebben [zijn] aangezicht van u verborgen, zodat Hij niet hoort.'

Kortom, God verlaat Zijn volk, omdat het Hem verlaten heeft. God trekt zich

van Zijn volk terug, omdat het zich van Hem afgetrokken heeft.

Zo tekenen de profeten de geschiedenis van Israël als een geschiedenis van schuld, die uitloopt op het oordeel van de ballingschap in 587 v.Chr. Een heel andere interpretatie van Gods verberging dan in de Psalmen dus. Een interessante vraag is of er ondanks dit verschil enig verband tussen beide bestaat. Dat dezelfde uitdrukkingen en voorstellingen voorkomen, is immers opmerkelijk.

Het is heel goed mogelijk, dat de profeten met het oog op hun verkondiging het motief van Gods verberging opgepakt en vervolgens verbonden hebben met de voorstelling van Gods toom over de zonden van het volk. Zo actualiseerden en herinterpreteerden zij dit als klacht reeds bekende motief met het oog op hun eigen historische situatie en kon hun boodschap een antwoord zijn op de voor Israël meest bittere ervaring van Gods verberging: de ballingschap."^ De klacht tot God in het klaaglied van de vrome wordt bij de profeten de aanklacht van God tegen Zijn volk.''*

We constateren, dat Gods verberging voor de individuele gelovige een groot raadsel is, maar voor de profeten een teken van Gods oordeel over de zonden van zijn volk. We kunnen dus niet zonder meer zeggen, dat Gods verberging schuld is. We zullen zoals het O.T. met twee woorden moeten spreken.

Toch gebeurt dit niet altijd, zo blijkt wanneer we de oudtestamentische literatuur rond deze thematiek bestuderen. Men versimpelt dan de problematiek van de verberging van God tot een oordeel van God over de zonde en men noemt dan Psalmen en profeten ten onrechte in één adem.""

Een verrassende wending

Het verrassende van de boodschap van de profeten is, dat deze door het oordeel heen perspectief geeft op een nieuwe toekomst. Het dieptepunt van Israels geschiedenis, de ballingschap, is tegelijk het keerpunt. Juist de profeten die het einde ervaren, verkondigen een nieuw begin: Jeremia, Ezechiël en Deutero-Jesaja.'" Dit

nieuwe begin valt samen met het einde van Gods verberging.

Met name DJ brengt het volk vanuit de diepte van het oordeel op de hoogte van Gods heil: In een uitstorting van toom heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik mij over u, zegt Hij die u lost, JHWH' (54 : 8). Gods verberging is dus niet het laatste. Sterker nog: od verwijdert zich opdat men tot Hem terugkeert. Hij verbergt zich om zich te doen vinden."

We hebben gezien, dat de profeten in de zonden van het volk de oorzaak van Gods verberging zien. Maar wat veroorzaakt nu deze verrassende omslag? Wat beweegt God zich opnieuw heilrijk aan Zijn volk te openbaren? Jesaja 54 onthult ons het geheim hierachter. Het voert te ver in het verband van dit artikel een uitvoerige exegese van Jesaja 54 te geven, hoewel dit zonder meer de moeite waard is." Daarom volsta ik met de volgende opmerkingen bij dit hoofdstuk.

Gods onwankelbare trouw

Het tekstfragment waar het om draait is Jesaja 54 : 7-8. Daar staat: Een klein ogenblik heb Ik u verlaten, maar met eeuwige ontferming zal Ik u verzamelen. In een uitstorting van toom heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik mij over u, zegt Hij die u lost, JHWH.' Wanneer we deze verzen goed lezen, merken we, dat sprake is van een grote verandering. Gods verlaten slaat om in verzamelen en Zijn verberging in ontferming. Deze omslag in het optreden van JHWH heeft grote gevolgen voor de situatie van een vrouw, die hier persoonlijk wordt aangesproken.

Deze vrouw is kinderloos en ongehuwd, maar er voltrekt zich een geweldige verandering in haar leven. Ze zal moeder worden en een man hebben. Met deze

vrouw wordt naar algemene opvatting Sion bedoeld en Sion staat voor het volk Israël.^' DJ tekent met het beeld van de kinderloze, ongehuwde moeder de ellendige situatie van dit volk: de ballingschap. Maar er komt verandering in deze situatie! Er breekt een heilrijke toekomst aan.

Deze wending heeft nu alles te maken met die genoemde verandering in het optreden van JHWH. Daarop legt DJ in dit hoofdstuk alle nadruk. Het is zo opgebouwd, dat de schijnwerpers steeds meer op JHWH worden gericht. DJ wil laten zien wie JHWH is en wat Hij doet. Daar ligt het hart van zijn boodschap. Maar hoe moeten we deze verandering bij JHWH zien? Hoe kan er bij Hem sprake zijn van zo'n tegengesteld optreden: eerst verlaat Hij die vrouw en verbergt Hij zich, maar even later ontfermt Hij zich weer over haar? Met deze vraag raken we de vraag van de aangevochten vrome uit de Psalmen: hoe zit het met Gods gerechtigheid? We letten nu op twee kernwoorden uit deze verzen: 'ontferming' (rhm) en 'goedertierenheid' (hsd).

Gods 'ontferming' wijst op een innige liefdevolle band als van een moeder met haar kind. Zij drukt de diepste gevoelens van liefde uit en laat die liefde ook in daden merken. JHWH weet zich dus in liefde met zijn volk verbonden. Gods 'goedertierenheid' verwijst ook naai deze verbondenheid met zijn volk. Beide begrippen staan in het verband van Gods gemeenschap met de mens. Was deze niet het doel van zijn openbaring? Verbreekt JHWH nu deze gemeenschap door zich te verbergen? Nee, zo luidt de spits van DJ's prediking, want Hij blijft haar trouw.

Met dit woord 'trouw' vatten we Gods ontferming en goedertierenheid samen. JHWH weet zich in liefde met deze vrouw, zijn volk, verbonden en blijft haar trouw. Hoe kunnen we dan daarin zijn toom een plaats geven? Staan zijn liefde en toom niet tegenover elkaar? Het is beter, dat we beide niet tegenover maar naast elkaar zetten. Van een tegenstelling is namelijk geen sprake! Deze kunnen bij God op de een of andere manier samengaan, al is er ook sprake van een zekere spanning.'"*

Let er op, dat DJ een klein ogenblik van toom en JHWH's grote ontferming (vs. 7), als ook een ogenblik van verberging en JHWH's eeuwige goedertierenheid (vs. 8) naast elkaar zet. Hij vergelijkt ze met elkaar. Vergeleken met JHWH's grote ontferming en eeuwige goedertierenheid is Zijn toom maar een ogenblik, al lijkt ze een eeuwigheid te duren. Zo plaatst DJ het lijden hier en nu in het licht van

Gods eeuwige trouw. Juist dat 'eeuwig' is hier van betekenis. Het stempelt JHWH's trouw als een onveranderlijke, constante trouw, die door Zijn toom niet wordt doorkruist. Een ogenblik van toom komt niet in mindering op Zijn eeuwige trouw. Al lijkt de ballingschap een breuk te zijn in de gemeenschap van JHWH met zijn volk, de realiteit is anders: JHWH blijft haar trouw.

In Jesaja 54 : 11-17 verschuift het beeld. Wordt de vrouw in 1-10 als persoon aangesproken, in 11-17 als stad. Het verband met 1-10 is het volgende. De verzen 11-17 schilderen de schitterende (letterlijk: s. 11-12) toekomst die de vrouw te wachten staat. Het haar beloofde heil krijgt hier zijn vaste vorm, in de meest letterlijke zin van het woord. Verrassend is dat de gerechtigheid van JHWH (sdqh), het fundament van deze stad, van dit heil blijkt te zijn! 'Op gerechtigheid zult gij gefundeerd worden', zegt DJ (14a). Verrassend, want was deze gerechtigheid niet het punt van aanvechting? Deze gerechtigheid kwam toch onder grote druk te staan? Nu blijkt zij tenslotte het enige houvast, de grond van een nieuwe toekomst.

Ook deze 'gerechtigheid' staat in het verband van de gemeenschap van JHWH met Zijn volk. Het betreft dat optreden dat in overeenstemming is met, dus trouw is aan die gemeenschap en het welzijn van die gemeenschap dient. Geen wonder, dat in de crisis van de ballingschap de vraag opkomt of Gods verberging wel met deze trouw strookt. Is het dan niet treffend, dat de kem van de prediking van DJ ligt in deze betwijfelde 'gerechtigheid' van JHWH?

Onze conclusie is, dat de verandering bij JHWH - waarin de verandering in de situatie van de vrouw rust - rust in Zijn goedertierenheid, ontferming en gerechtigheid, kortom: in Zijn eeuwige trouw. De verandering bij JHWH betekent dus niet, dat JHWH een Ander geworden is. Hij is juist Dezelfde gebleven en daarin ligt het geheim van de omslag in de verberging.

Het is opmerkelijk dat DJ in dit hoofdstuk geen direct verband legt tussen de verberging van JHWH en de zonden van de vrouw, i.e. het volk, hoewel hij Gods toom ter sprake brengt. Letten we op het geheel van zijn verkondiging, dan ontdekken we dat ook DJ verband legt tussen de crisis van de ballingschap en de zonden van het volk." Deze voorstelling is hem dus niet vreemd, maar zijn scopus is in Jesaja 54 een andere. Hij richt alle aandacht op het toekomstige heil en niet op verleden schuld.

Het is DJ niet om het begin, maar om het einde van Gods verberging te doen. Dan valt alle licht op de trouw van JHWH en niet op de ontrouw van Zijn volk. In die trouw ligt de continuïteit van de geschiedenis van JHWH met Zijn volk. Die verbindt verleden en toekomst. JHWH wordt niet tot Zijn heilrijke optreden

gedwongen, maar Hij weet zich er wel toe gedrongen. Zijn eeuwige trouw is de bedding van de geschiedenis. Deze geschiedenis is één golvende beweging van donker en licht, verberging en openbaring, maar beweegt zich naar een ongekende toekomst, waarvan de contouren in Jesaja 54 al oplichten.

Samenvatting en conclusie

We keren nu terug naar de vraagstelling van dit artikel: hoe spreekt het O.T. over de verberging van God? Is deze schuld of lot? We vatten onze bevindingen als volgt samen en trekken de conclusie.

Met de vrome uit Mesopotamië deelt de vrome uit het O.T. de ervaring van de verberging van God. Deze verberging is de heel existentiële ervaring van een door lijden getroffen mens. Zij is voor hem een volslagen raadsel en hangt niet direct samen met persoonlijke schuld.

In het O.T. komt de verberging van God op twee te onderscheiden manieren ter sprake. God is de naar Zijn wezen verborgen God (1), maar Hij kan zich ook actief verbergen (2).

Binnen het O.T. komen we de voorstelling van Gods verberging vooral in de Psalmen en bij de profeten tegen. Voor de individuele vrome, die in de Psalmen aan het woord is, is zij een groot raadsel; hij legt geen direct verband met persoonlijke schuld. Voor de profeten is zij Gods oordeel over de zonden van zijn volk. Is de verberging van God schuld of lot? Het O.T. zegt beide. Er is niet altijd sprake van persoonlijke schuld als oorzaak van Gods verberging en dat nu maakt deze ervaring zo aangrijpend.

Met name DJ laat ons zien, dat Gods verberging niet het laatste is. Er is een nieuw begin en dit grondt in de eeuwige trouw van JHWH.

Tenslotte

Aan het einde van dit artikel gekomen, wil ik een poging doen een brug te slaan naar de problematiek van de Godsverduistering vandaag. Ik doe dat met grote aarzeling, want kunnen we de verberging van God toen vergelijken met de Godsverduistering vandaag? Toch ben ik er van overtuigd, dat de Bijbel en het O.T. in het bijzonder ook in dezen ons veel te zeggen heeft. Daarom tenslotte een aantal overwegingen.

1. De verberging van God is een even wezenlijk element van het geloof in God als Zijn openbaring. Hij is de in wezen verborgen God. De vraag is of wij dat belijden en aanbidden of zijn we er toch op uit God te vatten in onze begrippen? Dan raken we de God van het O.T. kwijt. Want deze God vatten we niet. Hij is niet te begrijpen. We kunnen daarom slechts met schroom over God spreken. In de theologie gaat het over deze in wezen verborgen God. Daarom

zal zij steeds weer met twee woorden moeten spreken.

2. Gods verberging is voor de vrome uit het O.T. een geweldige aanvechting. Zij is een worsteling met God om God. Pastoraal is dit van grote betekenis. Lijdelijkheid past het levende, vaak aangevochten geloof niet. Deze vrome heeft een adres waar hij met zijn klacht en vragen heen kan. Nu is het aangrijpende dat de moderne mens deze worsteling juist mist, omdat hij God niet mist.^' Daarin ligt een hemelsbreed verschil tussen de verberging van God in het O.T. en de Godsverduistering van nu.

3. Het O.T. brengt lijden in verband met de toom van God. De door lijden getroffen vrome belijdt, dat zijn God op de een of andere manier achter zijn lijden staat. Hoe groot ook zijn nood, hij weet zich met zijn God verbonden. De moderne mens heeft geen band met God. Hij staat dan ook in zijn lijden hopeloos alleen. Dat is zijn diepste nood! Hij heeft geen adres. Wat hem treft is het lot, maar hij herkent niet de hand van God.

Wanneer we ons bezinnen op de vraag naar het lijden, zullen we deze toom van God ook ter sprake moeten brengen, hoe aangrijpend dat ook is. Het O.T. laat ons zien, dat lijden niet buiten God om gaat. Hij staat niet machteloos tegenover het lijden, maar is er - en ik zeg het met schroom - actief in betrokken. Het loopt God niet uit de hand; Hij heeft ons leven - ook alle lijden - in de hand. Dat roept vragen op. Maar ligt hierin niet, dwars door alle bestrijding heen, de troost van de gelovige? Zijn God staat niet als de machteloze 'God van liefde' buiten zijn lijden. Stel, dat dat waar zou zijn... Hiermee is niet gezegd, dat met de voorstelling van Gods toom een antwoord op de vraag van het lijden is gegeven. Het O.T. laat immers ook zien, dat dit lijden vaak een groot raadsel is èn blijft. We zullen echter wel met twee woorden moeten spreken. Wanneer we eenzijdig spreken over God als de 'God van liefde', lopen we in deze vragen èn in die van de Godsverduistering vast.

4. Gods openbaring in Jezus Christus is richtinggevend. In Christus vallen Gods openbaring en verberging samen. Het meest treffend is dat aan het kruis. Waar God zich in het lijden van Christus in toom verbergt, openbaart Hij Zijn liefde voor mensen.

5. De verberging van God in het O.T. betekent niet dat God afwezig is. Hij is aanwezig, in Zijn toom. In de Godsverduistering van vandaag ligt dat heel anders. Zij is de ontkenning van Gods aanwezigheid. God is er niet meer. Hij is verleden tijd. Laten we hierover het licht van het O.T. vallen, dan kon de situatie nog wel eens veel ernstiger zijn dan we denken. Want dan hebben we niet te maken met een dode God, maar met de levende God, die zich in Zijn

toom verbergt. Van een dode God hebben we niets te vrezen, maar van een God die toomt zoveel te meer.

6. We kunnen in het licht van het O.T. niet zonder meer zeggen, dat de Godsverduistering onze eigen schuld is. Maar anderzijds kunnen we niet om de vraag heen of deze crisis - die ons hele volk en onze hele samenleving en kerk raakt - een teken van Gods toom is over onze schuld. Waarin deze schuld dan bestaat is weer een andere vraag.

7. Wanneer wij de Godsverduistering moeten zien als schuld en wanneer we te maken hebben met een God die toomt over die schuld, is dat heel aangrijpend. Maar dan is er nochtans een weg terug. Dat is de weg van de inkeer, verootmoediging en temgkeer tot God. De levende, heilige God, die in Zijn verberging op zoek is naar ons. Wat Hem beweegt? Het is Zijn eeuwige trouw en liefde, in Jezus Christus geopenbaard.

'Voorwaar, U bent een God, die zich verborgen houdt, de God van Israël, de Heiland' (Jesaja 45 : 15).

1 Zie o.a. het rapport van de Hervormde synode Kerk-zijn in een tijd van Godsverduistering (1988); F.G. Immink, 'Spreken over God in een tijd van secularisatie', Theologia Reformata 32 (1989), 140-158; C. Graafland, Gereformeerden op zoek naar God; Godsverduistering in het licht van de gereformeerde spiritualiteit. Kampen 1990; G.D.J. Dingemans, De tijd van de verborgen God, 's-Gravenhage 1990; B. Rootmensen, 40 woorden in de woestijn, 's-Gravenhage 1990'; W.H. Velema, Nieuw zicht op gereformeerde spiritualiteit. Kampen 1990; W. Verboom, 'Prediking in een tijd van Godsverduistering', T/jeo/ogia Reformata 32 (1991), 115-134; W. Dekker, 'Prediking in een tijd van Godsverduistering', Theologia Reformata 32 (1991), 135-150 en W.J. Ouweneel, Godsverlichting: de evocatie van de verduisterde God: een weg tot spiritualiteit en gemeenteophouw, hm& xexAdxn 1994.

2 W. Dekker, a.an., 136.

3 K.H. Miskotte, Als de goden zwijgen. Over de zin van het Oude Testament, Kampen 1983", 16.

4 In het vervolg afgekort tot O.T.

5 M. Buber, Godsverduistering, Nederlandse vertaling 1954, 73v.

6 Voor een uitgebreider onderzoek van deze thematiek verwijs ik naar mijn doctoraalscriptie Verberging van God - vraag en teken. Een onderzoek naar de relatie tussen de verberging van God en het handelen van Israël in Jesaja 54, Utrecht 1993.

7 We baseren ons op de tekstuitgave en vertaling van E. Ebeling, Die akkadische Gebetsserie 'Handerhehung' von neuem gesammelt und herausgegehen, Berlin 1953, 130-137. Vgl. voor datering S.E. Balentine, The hidden God. The hiding of the face of God in the Old Testament, Oxford 1983, 34v. en L. Periitt, 'Die Verborgenheit Gottes', in: H.W, Wolff (Hsgb.), Probteme biblischer Theologie (FS G. von Rad), München 1971, 367.

8 Zie m.b.t. de struktuur C. Westermann, 'Struktur und Geschichte der Klage lm Alten Testament', TBü 24 (1964), 270; H. Ringgren, Die Religionen des Alten Orients, Göttingen 1979, 178v.; S.E. Balentine, Hidden God, 34 en 50; Th.C. Vriezen, Literatuur van Oud-lsraël, Katwijk aan Zee 1984 , 72.

9 Istar is zowel de godin van de liefde en de vruchtbaarheid als van de oorlog. Zij is dus zowel aan het begin als aan het einde van het leven aanwezig. Begrijpelijk dat zij een van de belangrijkste goden in de religie van de Assyriërs en Babyloniërs was. Haar symbool is de achthoekige ster.

10 Cf. F. Nötscher, 'Das Angesicht Gottes schauen' nach biblischer und babylonischer Auffassung, Darmstadt 1969, 119-126.

11 Cf K. van der Toom, Sin and Sanction in Israel and Mesopotamia. A Comparative Study, Assen/Maastricht 1985, 56vv.

12 Dit hangt samen met wat K. van der Toom, a.w., 94vv. het probleem van de verborgen zonde noemt; een wezenlijk element in de Akkadische gebeden. Deze onbekendheid hangt samen met de beperkte blik van de vrome; hij is niet op de hoogte van de wil en bedoelingen van de goden. Een overtreding is daarom meer een misverstand dan schuld.

13 Het is heel goed mogelijk, dat dit samenhangt met het polytheïstisch karakter van de godsdienst van Mesopotamië: zoveel goden, zoveel zinnen. De vrome weet niet wat de wil en bedoeling van de goden is. Hun beleid geeft dan ook wel de indruk van willekeur: de goden kunnen slecht noemen, wat bij mensen goed is, en omgekeerd. De vrome is aan deze grilligheid overgeleverd. Dat is de tragiek van zijn leven, cf. Th.C. Vriezen, 'De overwinning van het tragisch levensgevoel in Israël', Kernmomenten 1947, 39vv. en K. van der Toom, a.w.

14 Cf. L. Periitt, 'Verborgenheit Gottes', 370 en S.E. Balentine, Hidden God, 35v.

15 Wanneer het O.T. geciteerd wordt, geef ik een eigen vertaling van de Hebreeuwse tekst.

16 Th.C. Vriezen, Hoofdlijnen der theologie van het Oude Testament, Wageningen 1987*, 171. Volgens Vriezen is deze gemeenschap basiselement en telos van de openbaring, a.w., 193.

17 In zijn artikel 'Offenbarung im Alten Testament', in: H.W. Wolff (Hsgb.), a.u'., 208v., citeert Rolf Knierim H. Fries, die van mening is, dat openbaring veronderstelt, 'daB Gott ein verborgener Gott ist'. Wanneer God zich openbaart wil dat zeggen, 'daB die Verborgenheit, die Unsichtbarkeit Gottes enthiiUt und kund wird, daB der verborgene Gott aus seiner Verborgenheit heraustritt, den Schleier gleichsam zurückschlagt und sichkundtut.'

18 Joh. de Groot en A.R. Hulst, Macht en wil. De verkondiging van het Oude Testament aangaande God, Nijkerk z.J., 74.

19 B.J. Oosterhoff, De vreze des HERREN in het Oude Testament, Utrecht 1949, 129; cf ibidem, 1 lOv. en Th.C. Vriezen, a.w., 193.

20 K.H. Miskotte, a.w., 204v. Terence E. Fretheim, The Suffering of God. An Old Testament Perspective, Philadelphia 1984, 35 zegt het zo: 'God is transcendent not in isolation from the world, but in relationship to the world (...); God remains transcendent in His immanence, and related in His transcendence.'

21 Ibidem, 48. S. Terrien, The Elusive Presence. Toward a New Biblical Theology, New York 1978, XXVII, spreekt van een verborgen presentie: 'This presence, however, is always elusive.'

22 Th.C. Vriezen, a.^., 198v.

23 Zie o.a. Gen. 12 : 7; 26 : 2 en Gen. 28. Het O.T. gebruikt dan de nif'al vorm van r'h; we kunnen ook vertalen: En JHWH werd zichtbaar/liet zich zien.'

24 Ps. 11 : 7; 17 : 15; 63 : 3; ook Job heeft God gezien, 42 : 5, cf. 19 : 26.

25 Zie o.a. Gen. 26 : 24 (droom), Ex. 19; Dtr. 4 : 11; 1 Kon. 19 : 11 vv. (natuur) en Ex. 33 : 9v.; Lev. 16:2 (wolk); vgl. F. Nötscher, a.w., 20-32 en Th.C. Vriezen, a.w., 223vv., 247vv.

26 Dan wordt het bijwoord 'als' gebruikt, zie o.a. Ex. 24 : 10 en Ez. 1 : 26vv.

27 Zie ook Ri. 6 : 22; 13 : 22; Jes. 6 : 5; Da. 8 : 17.

28 Th.C. Vriezen, a.w., 176v.; R. de Vaux, 'Aanwezigheid en afwezigheid van God in de geschiedenis volgens het Oude Testament', Concilium 10 (1969), 15.

29 G. von Rad, 'Man and the Guidance of the Hidden God in the Old Testament', in: The Student World44 (1951), 141: 'Israel considered history as 'the performance of God' (Ludwig Kohier) (...) For Israel it was easier to accept that at times the face of God was a twisted one - even that some of its features were inexpliclable - than to tolerate any exception to the omnipotence and omnicausality of God.'

30 R. de Vaux, a.ar/., 17.

31 Th.C. Vriezen, a.art., 42v.; cf. W. Reiss, "Gott nicht kennen' lm Alten Testament', ZAW58 {1946), 10-9S.

32 C. Westermann, Theologie des Alten Testaments in Grundzügen (ATD Erganzungsreihe 6), Göttingen 1985 , 151: 'Es ist ein Unterschied, ob man aus der Verborgenheit Gottes eine Seinsaussage macht, so also, daB es zum Wesen Gottes gehort, daB er ein deus absconditus ist, oder ob man von der Möglichkeit redet, dafi Gott sich vor einem Menschen verbergen kann; 'ein Gott, der sich verbirgt' ist etwas anderes als ein verborgener Gott.'

33 Cf. S.E. Balentine, a.w., 171.

34 S.E. Balentine, a.w.; cf. L. Periitt, a.art., 370.

35 In Ps. 10 : 11; 13 : 2 en 44 : 25 parallel met süpanTm.

36 In Ps. 27 : 9 en 88 : 15 parallel met str panTm.

37 In Ps. 22 : 2 en 38 : 22 parallel met de verwante uitdrukking 'verlaten', 'zb.

38 In Ps. 69 : 18, 102 : 3 en 143 : 7 parallel met str param.

39 B.J. Oosterhoff, De afwezigheid Gods in hel Oude Testament (AS 1), Kampen 1971, 29.

40 K.H. Miskotte, a.w., 203.

41 S.E. Balentine, a.w., 166.

42 B.J. Oosterhoff, a.w., 38.

43 Th.C. Vriezen, a.art., 42: 'De nood van het leven heeft in Israël wel tot vertwijfeling gevoerd, maar deze wordt steeds opgeheven door het Godsgeloof zelf (...) Gods gerechtigheid en liefde blijven onaangetast, zelfs tegenover de smartelijkste levenservaring en in de diepste zielenood.'

44 Cf. L. Perlitt, a.art., 374; S.E. Balentine, a.w., 164v. en C. Westermann, a.w., 109.

45 L. Perlitt, a.art., 375: 'die richterliche Reaktion folgt der sündigen Aktion'; S.E. Balentine, a.w., 66vv.

46 Zie verder Jes. 8 : 17; 54 : 8; 59 : 2; 64 : 6; Mi. 3 : 4; Jer. 33 : 5; vgl. Jes. 45 : 17 en 57 : 17.

47 S.E. Balentine, a.w., 76; vgl. 157-163.

48 Ibidem, 161.

49 Zo W. Reiss, a.art., 89vv.; F. Nötscher, a.w., 131vv.; R. de Vaux, a.art., 18; R.E. Friedman, 'The Biblical Expression Mastir Pantm', Hebrew Anual Review, Vol. 1 (1977), 139-147; S. Terrien, a.w. en G. Wehmeier, THATII, 178v.

50 In het vervolg afgekort tot DJ. In de oudtestamentische wetenschap worden de hoofdstukken 40-55(66) aan een andere, aan de profeet Jesaja verwante schrijver toegeschreven, die Deutero-Jesaja genoemd wordt. Men signaleert literaire en theologische overeenkomsten, maar ook verschillen tussen de hfdst.1-39 en 40-55(66). Zelf zoek ik een oplossing van deze ingewikkelde materie in de volgende richting. Het boek Jesaja presenteert zich als een eenheid en wil als zodanig gelezen worden. Tegelijk heb ik oog voor de te onderscheiden delen binnen dit geheel. We moeten dus

ook hier met twee woorden spreken. Een zuiver analytische methode leidt tot een fragmentarisering van de tekst. Een zuiver synthetische aanpak leidt tot een versimpeling van de problematiek, want houdt geen rekening met het ontstaansproces van de tekst. Dit betekent, dat ik het mogelijk acht, dat het boek Jesaja zoals wij dat kennen het eindresultaat is van een ontwikkeling, die uitloopt op de eindredactie in de periode vlak na de ballingschap. In die tijd komt men tot een diepgaande reflectie op de vraag waarom het aangekondigde heil uitblijft. De eindredactor heeft gebruik gemaakt van allerlei voorhanden tekstmateriaal en dit met het oog op zijn boodschap met reeds bestaande literaire vormen verwerkt. Reconstructie van dit voorhanden materiaal is m.i. een uiterst hachelijke en riskante zaak. Ik schaar mij hiermee achter C. Westermann, 'Das Heilswort bei Deuterojesaja', EvTh 24 (1964), 355-373; idem, 'Sprache und Struktur der Prophetic Deuterojesajas' TBü 24 (1964), 92-170; R.F. Melugin, The Formation of Isaiah 40-55, BZAW 141 (1976) en W.A.M. Beuken, 'Isaiah LIV: The multiple identity of the person addressed', OTS 19 (1979), 31v.; idem, Jesaja IIA (POT), Nijkerk 1986^ 11-13 en idem, 'The main theme of Trito-Isaiah 'The Servants of YHWH", /SOr 47 (1990), 67v.

51 R. de Vaux, a.art., 18; cf B.J. Oosterhoff, a.w., 31-35; S.E. Balentine, a.w., 76 merkt op: '...the ultimate consequence of God's hiding is not separation, (...) but restoration.'

52 Zie hiervoor mijn scriptie biz. 25-78.

53 Vgl. Jesaja 49 : 14-21; 51 : 17-52:6.

54 Cf. Joh. de Groot en A.R. Hulst, a.w., 167; Th.C. Vriezen, a.w., 343 en H.G.L. Peels, De wraak van God. De betekenis van de wortel NQM en de functie van de NQM-teksten in het kader van de oudtestamentische Godsopenbaring, Zoetermeer 1992, 248-250.

55 Zie 40 : 2; 42 : 24v.; 43 : 24v. en 50 : 1.

56 Cf. B.J. Oosterhoff, a.w., 35v. en W.J. Ouweneel, a.w., 30.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 1 January 1995

Theologia Reformata | 340 Pagina's

VERBERGING VAN GOD - SCHULD OF LOT

Bekijk de hele uitgave van Sunday 1 January 1995

Theologia Reformata | 340 Pagina's

PDF Bekijken