reflexen
H.G.L. Peels
De lente en het nieuwe leven
Ideaal om reflexen te schrijven, deze eerste dagen van de maand mei. In het serene zonlicht buiten verstilt de tijd en bloeit het leven open. Wat een verschil met de eindeloos natte winter achter ons! Uniek rijpe lentedagen vol beloften, geur en kleur alom. De vogels overtroeven elkaar verrukt, je wordt er stil van. Fragmenten van psalmen komen boven: Hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde'. Hoe de natuur in ons geloof een plaats krijgt: aarvoor moetje vooral in het Oude Testament zijn, stelt een theologische klassieker' terecht. Het zicht op de natuur en de aanbidding van de Heer der schepping merken we eerder op bij David en Salomo dan bij Paulus en Petrus. Toch gaan mijn gedachten zo tussen Pasen en Pinksteren meer uit naar het Nieuwe Testament, naar dat machtige woord: Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen' (2 Kor. 5:17).
Het is opvallend hoe vaak we in de Bijbel de woorden 'oud' en 'nieuw' tegenkomen, vooral het laatste. Het is een woord vol verlangen, moedgevend, uitzicht biedend. Het hier en nu is niet het een en al; de status quo heeft niet het enige, laat staan het laatste woord. Hoe vaak gebruiken de profeten van het Oude Testament dit woord niet, wanneer ze met de kleuren en vormen van het verleden tastend hun toekomstbeelden schilderen: een nieuwe exodus, een nieuwe reis door de woestijn, een nieuw verbond, een nieuw Jeruzalem, een nieuwe David, een nieuw hart, een nieuwe tempel, een nieuwe hemel en aarde. Deze pertinente toekomstgerichtheid was in de wereld van het oude Nabije Oosten iets ongekends, en menige theorie is dan ook ontwikkeld om de herkomst van Israels eschatologie te verhelderen. De dingen blijven echter duister voor wie geen oog heeft voor de realiteit van een levende God die in woord en werk zijn volstrekt unieke weg gaat met deze wereld, en met zijn volk in het bijzonder. Wiens barmhartigheden elke morgen nieuw zijn en die beloofd heeft: Ik maak alle dingen nieuw.
Datzelfde woord 'nieuw' krijgt in het Nieuwe Testament een adembenemende verankering in onze werkelijkheid. De Naam van onze gestorven en opgestane Heiland is onder de hemel gegeven tot eeuwig behoud. Zeker, ook het Nieuwe Testament is boek der verwachting, ook wij zijn nog steeds onderweg, in Israël ingelijfd. Daarbij wandelen we in geloof en nog niet in aanschouwen. Direct aan elkaar gerelateerd staan de woorden over de kennis van Christus, van de kracht zijner opstanding én de gemeenschap aan zijn lijden
(Flip. 3:10). Via lucis via crucis. Maar het beslissende is geschied! Vast staat dat de steen van het graf is weggewenteld, de toekomst reeds heden is geworden en het Koninkrijk dagelijkse werkelijkheid. Daarom klinkt het op menige kansel in deze vroege meimaand: verwinning op de dood, opstanding, nieuw leven, uitzicht. En buiten lijkt de taal van de natuur deze prediking alleen maar te illustreren en te onderstrepen.
De oorlog en het oude bestaan
Maar toen werd het oorlog. Ditmaal zo dichtbij, dat de vijf mei-viering bewust sober werd gehouden. Immers, ook 'onze' jongens bombarderen Servië en Montenegro. Zij zullen de oorlog niet meer leren, heeft eens Jesaja geprofeteerd. Maar tot welke graad van perfectie reikt de moderne oorlogsvoering, met de ontwikkeling van slimme raketten die geleid door ruimtesatellieten hun doel op honderden kilometers afstand (doorgaans) trefzeker weten te vinden, en met de training van insecten die mijnenvelden kunnen opsporen. De twintigste eeuw was de bloedigste uit de geschiedenis der mensheid, zo meldde (= stelde) onlangs het World Watch Institute te Washington.
Groter kan het contrast met de lentezon en de paasprediking niet zijn. Keiharde realiteit: die van het oude bestaan, in al zijn verschrikkingen uitvergroot. Hoe onwerkelijk lijkt daarbij de verkondiging van het nieuwe leven. Hoe kwetsbaar zijn we als we pogen om een antwoord te geven op die oude maar steeds weer actuele vraag: unde malum? In de zondagse voorbeden zoeken we voorzichtig naar de juiste woorden, als we bidden voor Kosovaarse vluchtelingen en voor de verbreking van het kwade. Hoe zouden de gebeden in de Servische kerken luiden in deze dagen? Het zal bij een ieder heel wat wakker hebben geroepen, de recente gebeurtenissen op de Balkan. Gevoelens van vermoeidheid, de déja-vu ervaring: Wat hebben wij mensen ontstellend weinig van de geschiedenis geleerd. Van verontwaardiging, om de niets ontziende terreur, de updating van Blut-und-Boden theorieën, het machtsmisbruik. Van pijn en medelijden, bij het zien van zoveel leed. Maar ook van machteloosheid - wie is in staat om de juiste weg te wijzen?
De emeritus hoogleraar dr. G. Huntemann veroordeelt in Idea het NAVO-ingrijpen als 'politiek, economisch en juridisch, maar ook anderszins, absurd'; rabbijn R. Evers meent in het Nieuw Israëlitische Weekblad dat er een bijbelse basis is voor de bommen op Servië. Je vraagt je af: Waarom is het zover gekomen? Hadden de westerse landen niet eerder, eensgezinder, krachtiger tegengas moeten geven tegenover Servische aspiraties? In hoeverre worden we geconfronteerd met de vrucht van interne verdeeldheid en belangenstrijd? We wisten toch van al dat oude zeer op de Balkan, van het zaad van de haat dat daar sinds het einde van de vorige eeuw veelvuldig gezaaid werd? En waarom nu wel ingegrepen, en in eerdere/andere situaties (bijv. Ruanda) niet? Hoe het ook zij: terecht heeft de NAVO niet werkeloos toegezien hoe etnische zuiveringen voortgang vonden. Arrogant en expansief nationalisme moet een halt worden toegeroepen. Nog vers ligt immers in het geheugen wat Italië met Abessinië deed, Japan met China, Duitsland met Tsjechoslowakije, enz.
Het gebod zich het lot van de zwakke aan te trekken, met alle consequenties daarvan, behoort tot de grondwet van het Koninkrijk. Daarom kan het gebruik van geweld soms onontkoombaar zijn, ondanks alle kritische vragen. Maar schone handen houd je er niet aan
over. Geweld roept geweld op en niemand komt weer uit die spiraal zonder bevuild te zijn. Eens te meer beseffen we hoe krachtig de stuiptrekkingen zijn van het oude bestaan, van de dood, de duivel, en zijn ganse rijk. En waar is de vinger Gods... Temidden van dit alles ontvingen wij opnieuw de boodschap van Pasen, en van Hemelvaart, als een teer geschenk. 'Es wird regiert'. Dat is de werkelijkheid van het geloof dat zicht heeft gekregen op een troon in de hemel.
In de winter van 1943/1944 hield K.H. Miskotte voordrachten (primair voor niet-kerkelijken!) over het boek Openbaring, later gebundeld en uitgegeven onder de titel Hoofdsom der historie (Nijkerk, 1945). Hoe herkenbaar: 'De wereld is diep verzegeld in de "Fragwürdigkeit"' (blz. 95). Daarbij spreekt hij over het 'droge wenen' in verband met de verbijsterende geschiedenis van onze mensheid, de boekrol die niemand openen kan. 'Maar wat wij bekennen: het beste te missen ondanks den zang die door het heelal trekt, dat wij orde en schoonheid Gods in het menschelijk leven missen, in de wereldgeschiedenis de hand Gods niet zien (om niet te spreken van Zijn aangezicht), dat is ons levensleed en dat te blijven voelen is christelijk' (blz. 94).
'Nochtans heb ik met al mijn kracht / die Godsregering overdacht / maar 't was een stuk, dat in mijn oog / mij moeilijk viel en veel te hoog' (Psalm 73, berijming 1773). Wat houden we over, in de wirwar van de geschiedenis, waarin al het nieuwe door het oude verslonden lijkt te worden? Dit: Ween niet, zie, de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen' (Openb. 5:5). Het antwoord op het raadsel van de geschiedenis is niet een kloppende theorie, niet een theodicee, maar een lam staande als geslacht - de gekruisigde Christus.
Verouderde economie?
Over oud en nieuw gesproken: deze woorden vallen ook in recente discussies over de economische ontwikkelingen in ons land. Volgens het CDA-kamerlid J.P. Balkenende, bijzonder hoogleraar christelijk-sociaal denken over economie en maatschappij aan de VU, is het vigerende economische systeem dat alle accent op de marktwerking legt, duidelijk verouderd. Zulke berichten lees ik altijd met bijzondere interesse. Niet dat ik terzake kundig ben, maar zoveel is me wel duidelijk dat de uitdrukking 'economisering van het leven' niet uit de lucht gegrepen is. Ieder kan het in zijn directe leefomgeving opmerken, hoezeer markt en kapitaal, verdienen en consumeren de geesten zijn gaan beheersen. Van overheidswege wordt marktwerking steeds meer als norm opgelegd; door alle deregulering krijgen prijs, vraag en aanbod het voor het zeggen. Tegelijk wordt gesneden in de sociale zekerheid. Het dagelijkse gezinsleven lijkt ook onder kerkleden - jong en oud - in toenemende mate bepaald te worden door de vraag naar inkomen en besteding, met alle gevolgen vandien. De koopkracht van de westerse consument is in deze eeuw verzesvoudigd, maar of we er gelukkiger op zijn geworden? De volksziekte stress, psychosomatische klachten, geweld en criminaliteit, lange wachtlijsten bij psycholoog en psychiater - dat wijst allemaal een andere kant op.
Genoemde Balkenende nu is van mening dat het gangbare economische denken op den duur de sociale cohesie op alle mogelijke terreinen van de samenleving aantast. Hij stelt dat deze visie bovendien achterhaald is, en spoedig zal worden ingehaald door een nieuw
economisch paradigma waarin begrippen als vertrouwen, integriteit en verantwoordelijkheid centraal staan. Immers, door de toenemende globalisering van de economie en de opkomst van het Internet neemt de invloed van de nationale overheid af, en komt het steeds meer aan op integer handelen conform goede gedragscodes. Of dit klopt weet ik niet, maar ik proef in deze ideeën iets van een evangelisch zuurdesem en daarom hoop ik het van ganser harte.
De naam van een andere christen-econoom moet hier genoemd worden: prof.dr. B. Goudswaard, die op .30 maart jl. afscheid nam van de VU. Een man met singuliere gaven, die het aandurfde vanuit zijn christelijke overtuiging tegendraads te zijn in het propageren van een duurzame economie contra het groeidenken. Gevleugeld werd zijn uitdrukking: de 'economie van het genoeg'. Als rector van de CNV-kaderschool, als VU-hoogleraar en als politicus (hij was inspirator achter het CDA-verkiezingsprogram 'Niet Bij Brood Alleen') heeft hij ongetwijfeld veel invloed uitgeoefend. Onvermoeibaar heeft hij zich gekeerd tegen een steeds jachtiger wordende economie, de uitbuiting van de rijkdom van de schepping en het gangbare dogmati.sche vooruitgangsgeloof.
Het is in het verleden niet de sterkste kant van kerk en theologie geweest om het Evangelie door te vertalen tot in het denken over geld en goed, zowel op micro-als op macroniveau. Dat het christelijk geloof en de christelijke ethiek alles met onze economische praktijken te maken hebben, lijkt slechts dooreen minderheid te worden ingezien. Opmerkelijk eigenlijk, want de Bijbel spreekt geregeld en indringend over rijkdom en armoede, over de vetgemeste Jeschurun tot en met de rijke jongeling. Het vergt blijkbaar nogal wat om Paulus' woord over de geldzucht als de wortel van alle kwaad te verwerken in onze visie op de gecompliceerde economische structuren van de moderne samenleving. En dan praten we nog niet eens over de nog steeds groeiende kloof tussen rijk en arm, die door het appèl op ons geweten ons voortdurend onrustig maakt.
Kortom: we hebben christen-economen nodig, veel en snel. Juist omdat de moderne Mammon de trekken van een Moloch krijgt. En elk wolkje als eens mans hand verdient in deze onze steun en voorbede. Want we zijn burgers van een rijk in de hemelen, de nieuwe schepping is ons zo lief. Dat leert je met nieuwe ogen naar de aarde te kijken.
Kerk tussen oud en nieuw
Elk jaar zo tegen de maand mei zijn ze er weer: de nieuwe kerkelijke jaarboekjes. Veel lezers bladeren na ontvangst direct door naar de statistica, om nieuwe met oude cijfers te vergelijken. Daar word je de de laatste jaren doorgaans niet vrolijker van. Voor de eerste maal vielen ook de gereformeerde kerken (vrijgemaakt) in de negatieve cijfers. Het kan een aanvechting worden voor wie de kerk van harte liefheeft: wéér zovelen weg. Nu weten we wel dat in de kerk de macht van het getal ondergeschikt is aan de wet van het mosterdzaadje. En toch: al zou je er 99 overhouden, die éne die weggaat is al veel te veel. Maar we houden er bij lange na geen 99 over...
In dit verband trokken twee artikelen van prof.dr. C. Graafland in het Nederlands Dagblad Ae aandacht, onder de titels 'De crisis der (hervormd-)gereformeerden' en 'Is preken slootje-springen? ' De oorzaak van de onloochenbare innerlijke erosie zoekt Graafland in de prediking. De prediking is de belangrijkste boosdoener, omdat deze de laatste veertig
jaar precies gelijk is gebleven. Conserverende zelfvoldaanheid en abstractie liggen daaraan ten grondslag: 'Deze zich gelijk blijvende prediking ging (..) steeds meer een eigen leven leiden, kwam op een steeds grotere afstand van de werkelijke gemeente en nog meer van de werkelijke wereld te staan'. We moeten af van de mystificatie van een prediking die voor gereformeerd doorgaat, maar die niet het realisme van Gods eigen Woord ademt. En ondertu.ssen is daardoor de 'ont-gereformeerd-ing' in volle gang.
Dit zijn tamelijk straffe oordelen. Terecht overigens vraagt Graafland zich af, of alleen de /zervormtZ-gereformeerden in de crisis zijn gekomen. Natuurlijk niet, hier hebben we allemaal mee te maken. Toch kan Graaflands visie niet echt overtuigen, er zit mij teveel generalisering in, teveel monorail-verklaring. Dat laat onverlet dat een kritisch zelfonderzoek geen luxe is, zelfgenoegzaamheid is inderdaad een groot kwaad. Met Graafland kunnen we geheel en al van mening zijn dat de prediking inderdaad up-to-date, in de taal van heden, gericht op de mens van vandaag, indringend en existentieel en uitnodigend moet zijn. En dat daarin de volle breedte van de Schrift aan bod moet komen, het tegoed van het Oude Testament en de diepgang van het Nieuwe Testament. De verkondiging van de profeten en van de apostelen wijst ons de weg. Een prediking die niet anders doet dan uiteindelijk steeds opnieuw volgens dezelfde sjablonen dezelfde boodschap van wedergeboorte en bekering, verkiezing en verwerping herhalen, is zondermeer eenzijdig en moet wel vervreemdend werken. Nu sluit ik niet uit dat in sommige sectoren van het reformatorische volksdeel deze prediking gevonden wordt, maar ik waag te betwijfelen of de zaken wel zo zwart-wit liggen, en of hiermee nu echt de hoofdoorzaak van de reformatorische crisis aangewezen is.
Dat de boodschap steeds moeilijker over de kloof lijkt te kunnen komen, heeft diepere oorzaken. De ontwikkelingen van onze dominante westerse cultuur hebben ons in een andere wereld geplaatst, een door ons gemaakte en beheerste wereld, 'in taal en begrip zonder geheim en zonder verwijzing naar God (..) zij staat in haar totale andersheid ook recht tegenover de "wereld" van het geloof en obstrueert dat geloof, in vele van zijn centrale voorstellingen en definities, begrips-en gevoelsmatig krachtig en permanent', aldus Graaflands Utrechtse collega-emeritus prof.dr. H.W. de Knijff in zijn pakkende artikel 'Leven in twee werelden. De kloof geschetst'." De westerse wetenschap en technologie, de veelal daarmee samenhangende sociale veranderingen (vooral de urbanisering) en cultureel-psychologische veranderingen betreffende de inrichting van ons dagelijkse leven (de huidige vitalistische cultuurfase) hebben de kloof ongemeen vergroot. Zijn conclusie: In de moderne wereld en het daarin geïmpliceerde levensgevoel blijven voor het christelijk geloof geen verstaanbare taal of begrip, geen bewoonbare plaats en geen ervaren behoefte over. De boodschap van het christelijke geloof is dus gedoemd 'als een lichte fluistering permanent overstemd te worden door het kermislawaai van de moderne maatschappij' (blz. 28).
Ik meen dat De Knijff rake dingen zegt. Dit alles werkt ook in onze reformatorische kerken onherroepelijk door. Voeg daarbij de groeiende onzekerheid door de ontmoeting in woord en beeld met duizend andere visies en levenshoudingen, waaronder hele mooie en boeiende. De wereld is ook voor onze gemeenteleden een dorp geworden, relativering sij-
pelt alom door. Onze geloofstaal gebruikt van oudsher veel is-zinnen en dus-zinnen, uitspraken met een algemeen karakter die algemene geldigheid pretenderen. Maar de gigantische hoeveelheid informatie laat velen in verwarring achter - niet het minst de jongeren. Er zijn bijna geen feiten of meningen die niet door andere feiten of meningen worden weersproken, en weegt dan het eigen oordeel niet het zwaarst? 'Daarom' is voor veel mensen geen reden meer.
Als er nu nog een eenparig getuigenis vanuit de kerken klonk, maar nee: weinig florissant is het beeld van de diverse kerken van gereformeerde signatuur die elkaar maar niet lijken te kunnen bereiken. In de politiek, in de media, op het sociale vlak worden verheugende dwarsverbindingen gelegd, maar in de kerken gaat voorlopig het proces van desintegratie en fragmentatie door. Chacun pour soi, ieder naar zijn tenten. Hoeveel appèls gingen er de afgelopen maanden weer uit? Zo klonk bijvoorbeeld uit C.S.F.R. - gelederen een protest tegen de kerkelijke impasse en verlamming. Laten ze die toonhoogte vasthouden, de studenten, als ze straks student af zijn en hun plaatsen in kerk en samenleving innemen. Loopgraven zijn er al genoeg, nu hebben we bruggenbouwers nodig!
Kerk tussen oud en nieuw - toch kunnen we deze paragraaf onmogelijk in het negatieve afsluiten. Inderdaad: r is veel dat verontrust, elk nieuw jaarboekje zetje weer aan het denken. Maar er is nog veel meer dat bemoedigt. Christus heeft overwonnen, het vuur van de Geest is niet te doven. Onmiskenbaar groeit de gemeente Gods, wereldwijd, maar ook onder ons zijn heel wat verheugende signalen. Wat ons te doen staat? Beter preken, zegt Graafland. Dit staat nog niet eens zo ver af van de richting die De Knijff wijst: Het zal moeten gaan om een persoonlijk aangesproken-worden in de eigen, door moderniteit bepaalde nood, en dat vanuit een levende en identificerende verbondenheid met de eigen (in casu gereformeerde) geloofstraditie' (bz. 29). Van harte mee eens. Voorts: oncentratie op het eigenlijke, mildheid in het overige, dus katholiek-gereformeerd. Onderscheiden tussen bagage en ballast, en ons niet laten ontmoedigen. We hebben de vaste belofte dat de poorten der hel Christus' gemeente niet zullen overweldigen, en dat het hechte fundament Gods vaststaat met dit merk: e Here kent de zijnen. Kerk tussen oud en nieuw: at betekent enerzijds vasthouden aan de eerste liefde, en anderzijds uitzien naar de nieuwe toekomst. 'Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten, zal ook Ik u bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken hen die op de aarde wonen. Ik kom spoedig; houd vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme' (Openb. 3:10, 11).
De nieuwe vertaling alweer verouderd?
Het voorgaande brengt ons bij de kwestie van de bijbelvertaling. Die is altijd weer goed voor een fikse portie commotie en onenigheid, vandaag niet voor het eerst. Augustinus gaf in een brief aan Hiëronymus uiting aan zijn verontrusting over diens activiteiten als bijbelvertaler; het was Augustinus ter ore gekomen dat de voorlezing van een fragment van de nieuwe bijbelvertaling ergens in een kerk in Egypte aanleiding had gegeven tot onlusten, waarbij de overheid hardhandig moest ingrijpen. Na 1637 waren er met name op de Veluwe wachters op Sions muren die voor geen goud hun Deux-Aes Bijbel wensten in te ruilen voor de Statenvertaling. De NGB-vertaling 1951 is in delen van het reformatorische ach-
terland nooit geaccepteerd. En nu wéér een nieuwe bijbelvertaling! Inderdaad, de taal van de klassieke Nederlandse vertalingen is verouderd, dat beseffen we met elkaar hoe langer hoe meer. Maar waar beginnen we aan?
Na de presentatie van de eerste NB V-proeve Werk in uitvoering (oktober 1998) is een stroom reacties losgekomen, in een breed spectrum van fel afkeurend tot laaiend enthousiast. Grotendeels kunnen we deze reacties positief duiden: de bijbelvertaling gaat iedereen ter harte. Alle mogelijke argumenten passeren de revue: taalkundige, literaire, exegetische, hermeneutische, theologische, kerkelijk-confessionele, emotionele, etc. Dat kan nog een boeiende discussie opleveren, op voorwaarde uiteraard dat men steeds recht zoekt te doen aan de ander, en diens uitgangspunten en werkwijze op faire wijze onderzoekt. Dit laatste mis ik helaas in de GBS-brochure Staat en ziet toe. Een reactie op de Nieuwe Bijbelvertaling. De bezwaren blijken zich te richten op 'de sterke beïnvloeding door het feminisme, de wezenlijke hang naar het remonstrantisme, de zeer vrije manier van omgaan met de ons gegeven grondtekst, het oneerbiedig schrijven van de Naam van de Heere en voornaamwoorden die op Hem terugslaan, het platvloerse karakter van de stijl, het eigenhandig wijzigen van de tekst, het inlezen van roomse en joodse elementen, het buigen voor de moderne schriftkritische methode en de hedendaagse theologie'. Met alle respect: zo kan het niet, deze reactie is inhoudelijk noch ethisch verantwoord. Waarom niet een waardiger toon aangeslagen?
Op een punt wil ik nog even doorgaan: het veronderstelde 'oneerbiedige schrijven van de Naam van de Heere'. In de NB V-proeven wordt YHWH, de Hebreeuwse Godsnaam bij uitstek, met 'HEER' vertaald (althans voorlopig). Opvallend is dat veruit de meeste reacties op de NB V deze vertaling van de Godsnaam betreffen. Het begon met een actie van drie vrouwelijke supervisoren (begeleiders van het NB V-project) die menen dat de vertaling 'HEER' tezeer de connotatie van mannelijkheid en macht heeft. Andere bezwaren werden daaraan toegevoegd: 'de Heer' is een soortnaam en geen eigennaam wat de Hebreeuwse Godsnaam YHWH wel is; 'Heer' klinkt te afstandelijk, enz. Na deze aftrap kwam het debat pas goed op gang. 'Heer kan niet meer', aldus Kerk en Wereld, de Acht Mei Beweging, professor Bons-Storm, enz. 'Laat maar staan dat woordje Heer', menen daarentegen de Nederlandse Christen Vrouwenbond, dominee Nico ter Linden, professor Manenschijn e.a.
Een reeks alternatieve vertalingen werd aangedragen, waarvan echter nog geen enkele op bredere instemming kan rekenen, en dat is in de toekomst ook niet te verwachten. Voorstellen om blanco (met puntjes of spaties) te vertalen, of te volstaan met de eenvoudige transcriptie JHWH, of met een ' J' die ieder naar eigen voorkeur vervolgens zou moeten invullen, zullen het ook niet halen. Blijven twee mogelijkheden over. Moeten we het houden op het unieke 'Heere' (of 'Here') van onze klassieke vertalingen, hoewel deze weergave in taalkundig opzicht archaïsch is? Of toch maar 'Heer', in aansluiting aan een nog oudere vertaaltraditie (zo al de Septuaginta), omdat een redelijk alternatief ontbreekt? Persoonlijk voel ik meer voor het eerste - bewust gebruik ik hier het woord 'voel'.
Wie zal peilen hoeveel onderhuidse gevoelens een rol spelen in de discussie over de Godsnaam. De materie ligt in elk geval uiterst gevoelig. Dat is feitelijk altijd al zo geweest. We hebben de beschikking over Hebreeuwse manuscripten waarin alleen de Godsnaam in het Oud-Hebreeuws is overgeleverd terwijl de rest van de tekst in het kwadraatschrift is
geschreven. Nog mooier is een Septuaginta-fragment uit Qumran waarin midden in de Griekse tekst de Godsnaam in het Hebreeuws verschijnt! Het luistert nauw als we de Naam van God gebruiken. Deze Naam nemen we op de lippen als we bidden en zingen. Eerbied, ontzag, liefde, aanbidding - dat alles komt mee in ons gebruik van de Naam. Hier is onze hele geloofsbeleving mee gemoeid. Ik zou er daarom ook bepaald niet voor zijn om vertalingen als 'de Aanwezige' of 'de Eeuwige' te gebruiken, ook al niet omdat hiermee gesuggereerd wordt dat wij de betekenis van de eigen Naam van God kunnen achterhalen. Dat is niet het geval; in feite weten we nog steeds niet wat de precieze betekenis van het tetragrammenon is. De Naam van God is voor ons openbaring en verhulling tegelijk. Deze Naam draagt het geheim van zijn 'elusive presence', zoals de titel luidt die S. Terrien aan zijn oudtestamentische theologie gaf. Een vondst.
De discussie rond de Godsnaam heeft iets van het zoeken naar een vierkante cirkel. Die zal niet gevonden worden. Dat wordt dus onvermijdelijk een compromis-oplossing. Laat het onder ons geen breekpunt worden in de keuze tussen oud en nieuw. Op dit punt ondersteun ik van harte de oproep van W. Verboom in De Waarheidsvriend van 11 maart jl.: 'We moeten over de Naam van God denken.../ze; sjibholet voorbij'. Maar of dit laatste ook lukt?
Op naar een nieuw studiefinancieringssysteem
Deelman, Ritzen, Hermans - wie past er niet in dit rijtje? Juist: de laatste. Hermans mag namelijk in de studentenwereld op enige sympathie rekenen, wat van zijn voorgangers niet gezegd kan worden. Hij geniet zelfs het voorrecht een studenten-knuffelclub te hebben, hoewel de levensvatbaarheid daarvan niet te hoog ingeschat moet worden. Een opmerkelijke ontwikkeling? Sinds 1986 werd onder het regiem van Deetman en Ritzen, ministers van OC& W, de studiefinanciering hoe langer hoe meer afgeknepen, een onvermijdelijk gevolg van de bezuinigingen in de overheidsuitgaven. Maar de wal keert het schip. Iedereen kon op z'n klompen aanvoelen dat na de invoering van tempobeurs en prestatiebeurs een gezonde studiegang in het gedrang zou komen. De verhouding tussen beurs en leningsdeel raakte steeds meer uit het lood. Enerzijds moest een student binnen een duidelijk beperkte termijn afstuderen (in principe de cursusduur vermeerderd met twee jaar), anderzijds werd de basisbeurs zo laag dat een student haast automatisch gedwongen was een bijbaantje te zoeken om het inkomen aan te vullen, teneinde het leningsdeel zoveel mogelijk te beperken. Natuurlijk bijt dat elkaar.
Wat heeft Hermans nu gedaan? Hij is met nieuwe voorstellen gekomen die in het voordeel van de studenten zijn, omdat ze een flexibilisering van het studiefinancieringsstelsel beogen. Het recht op studiefinanciering is kwantitatief gezien ongewijzigd, maar men mag langer over de studie doen: bij een gemiddelde studie tien in plaats van zes jaar. Het opnemen van studiefinanciering kan dus onderbroken worden naargelang het de student zelf uitkomt. Alleen blijft een leeftijdsgrens van 30 jaar (eerder was die overigens 27 jaar) gehandhaafd, ondanks verwoede pogingen van de Tweede Kamer hierin verandering aan te brengen.
Vanwaar dit verhaal in Theologia Reformatal Omdat dit ook de studie theologie regardeert. Hermans initiatieven geven immers onze theologische studenten meer lucht. Ik ben benieuwd of dit in de interfacultaire discussies over het theologische curriculum nog zal doorwerken, ofschoon ik daar nauwelijks meer op reken. De studie theologie heeft de laat-
ste jaren duidelijk onder druk gestaan: een zesjarige studie met een fikse drempel in de vooropleidingseis betreffende de talen Latijn en Grieks. Aangezien steeds minder aankomende studenten theologie een klassieke opleiding hebben gehad, wordt de studie theologie hoe langer hoe meer een kostbare aangelegenheid. Immers: naast een zesjarig curriculum de noodzaak van een vooropleiding die gemiddeld een jaar duurt - dat betekent in totaal zeven jaar!
Nu is er enkele jaren geleden na de nodige diplomatieke manoeuvres bij wet (WHW) voor de theologische studie een uitzondering gemaakt, juist met het oog op de noodzaak van de extra studie klassieke talen. Een theologisch student heeft recht op maar liefst 6'/2 jaar studiebeurs, dat is meer dan studenten elders ontvangen. Bovendien mag hij voor de wegwerking van zijn deficiënties Latijn en Grieks rekenen op financiële steun, mits hij binnen zeven jaar afstudeert. Kortom: een theologisch student bevindt zich in vergelijking met hen die andere langdurige studies (bijv. medicijnen) volgen in een gunstige positie. Je zou verwachten dat de theologische faculteiten en universiteiten hier dankbaar gebruik van hebben gemaakt, maar neen. Het afkalvingsproces ging gewoon verder. De ene opleiding na de andere begon te knagen aan de vooropleidingseisen. Is dat wel zo hard nodig, dat Latijn en Grieks? Hierbij hield men elkaar nauwlettend in het oog, immers elke nieuwe student betekende ook een aanzienlijke som gelds ten goede van het budget.
Recente discussies binnen het Discipline Orgaan Godgeleerdheid van de VSNU (Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten) maken duidelijk dat het roer om gaat. Aan de katholieke universiteiten krijgen de studenten, wat het Grieks betreft, uitsluitend les in nieuwtestamentisch Grieks en wordt nauwelijks nog iets aan Latijn gedaan, mirabile dictu. Ook de meeste protestantse faculteiten lijken nu door de bocht te gaan voor wat betreft de klassieke onderbouw van de theologie. Een beetje Grieks vooraf en verderop in het curriculum een facultatief spoedcursusje Latijn kan toch ook volstaan, dat scheelt een hoop ellende en bevordert een snelle studiegang. Je moet niet aan nostalgie doen, is de kreet. Theologie vandaag de dag heeft immers veel sociaal-agogische en psychologische interessen en is meer empirisch gericht. Wanneer theologische opleidingen als Kampen II en Apeldoorn nog zo nodig de eis van kennis van klassieke talen willen stipuleren, moeten zij dat weten.
Een ding is duidelijk: hier is de klassieke studie theologie in geding. Eeuwenlang is de noodzaak van een goede kennis van de klassieke talen vooreen student theologie ingezien. Dit lijkt nu verleden tijd te gaan worden. De algemene redenering wordt: je kunt beter teksten in vertaling lezen, dat spaart tijd en energie. De onderwijsvisitatiecommissie godgeleerdheid die in december 1997 rapport uitbracht, had al geconstateerd dat het Latijn in de rest van het theologische curriculum vrijwel niet meer terugkeert. Ik moet zeggen dat de logica van deze ontwikkelingen mij ontgaat. Dit riekt naar vrijwillige kwaliteitsamputatie, en dat terwijl de categorale gymnasia in Nederland bloeien. Ik ga voorbij aan het feit dat de theologentaal achttien eeuwen lang het Latijn is geweest, wat met het oog op bronnenstudie natuurlijk van onschatbaar belang is, en dat niet alleen voor kerkhistorici en dogmatici. De hele theologie is gelardeerd met Latijnse termen. Denk slechts aan de infrastructuur van de Hebreeuwse grammatica en syntaxis. Hoe moet je filosofiegeschiedenis zonder kennis van het Latijn fatsoenlijk doceren en studeren? En dan de systematische theologie.
Leg een student die geen klassieke talen kent even het verschil tussen de, fides qua en de ƒ/des quae uit, of het onderscheid tussen quia en quatenus.
Maar belangrijker nog dan de noodzaak om via de kennis van Latijn en Grieks het begrippenapparaat en allerlei categorieën van theologische stelsels te kunnen vatten, acht ik het inzicht in de klassieke cultuur in zijn algemeenheid van onschatbaar belang voor een theoloog. Het is door deze talen en culturen dat onze westerse samenleving in verregaande mate bepaald is. Juist een theoloog, die te maken heeft met tekst en geschiedenis, met cultuur en samenleving, kan de kennis hiervan niet missen. Zonder kennis van Latijn en Grieks krijg je op den duur een ander soort theologie, het talige aspect van de studie is niet indifferent. Een theologie zonder talenkennis resulteert in een theologie die de prioriteit van het Woord en van de exegese niet meer onderkent, waardoor het Sola Scriptura onherroepelijk in gevaar komt. Dit is een zorgelijke ontwikkeling, als ik me niet vergis. Laten de kerken dit zomaar gebeuren?
Memorabilia
Rest mij in deze reflexen enkele namen en feiten te vermelden die in de verslagperiode het vermelden waard zijn. Allereerst die van dr. J.W. van Pelt, christelijk gereformeerd predikant te Zwijndrecht, die 26 maart jl. in Apeldoorn promoveerde met een studie op het terrein van de poimeniek onder de titel Pastoraat in trinitarisch perspectief. De samenhang van trinitarische en antropologische aspecten in het pastoraat. Van harte feliciteren we hem met deze poging om een nadere invulling te geven aan een eigen en eigentijdse opzet van een gereformeerde beoefening van het pastoraat. Op dezelfde dag inaugureerde aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam prof.dr. R. Kuiper, benoemd tot bijzonder hoogleraar in de Faculteit der Wijsbegeerte vanwege de Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte, met de leeropdracht Reformatorische Wijsbegeerte. Indertijd promoveerde hij op een historisch onderwerp; vorig jaar nog behaalde hij een doctorandustitel in de filosofie. Een veelzijdig persoon met een brede visie, hetgeen ook blijkt uit zijn oratie, die handelde over het onderwerp Op zoek naar de samenleving. Over anti-utopisch denken en politieke verantwoordelijkheid. In de lijn van figuren als Calvijn en Groen wil Kuiper midden in de tijd staan met zijn visie op een samenleving die als steun voor de zwakheid en beperkingen van de mens fungeert. Een ideale samenleving op aarde als maakbaar product van de menselijke rede is onmogelijk. We hopen van Kuiper nog veel te horen en te ontvangen! Hetzelfde geldt van drs. W. Dekker, sinds vorig jaar toerustingspredikant in dienst van de IZB, die ter gelegenheid van zijn afscheid als gemeentepredikant de bundel Gaan voor Gods gemeente ontving. Ook aan zijn adres richten wij een hartelijke felicitatie. De nieuwe voorzitter van het Christelijk Academisch Netwerk werd dr. P. Blokhuis te Ede; we hopen van harte dat hij in dit verband saambindend zal werken en stimulerende activiteiten zal ontwikkelen. Tenslotte vermelden we het eerste lustrum van de Christelijke Hogeschool Ede (tegelijk het jubileum van een kwart eeuw Gereformeerde Sociale Academie) en de ingebruikname van vijf nieuwe jeugdhuizen van de Stichting Gereformeerd Jeugdwelzijn, een samenwerkingsverband van de Christelijke Gereformeerde Vereniging voor Jeugdwelzijn en de jeugdzorgafdeling van de vrijgemaakt-gereformeerde stichting De Driehoek. Allemaal mooie nieuwe ontwikkelingen! Zo gaan we verder, onderweg naar de grote Dag die komt...
1 J. de Groot / A.R. Hulst, Macht en wil. De verkondiging van het Oude Testament aangaande God, Nijkerk z.j., blz. 347v.
2 Kontekstueel 13/4 (1999), blz. 24.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1999
Theologia Reformata | 307 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1999
Theologia Reformata | 307 Pagina's