Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Open vraag aan Jona

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Open vraag aan Jona

14 minuten leestijd

Wie weet... Ik wist... Jona 3:9; 4:2

L. Wüllschleger

Inleiding

In de kerkdiensten gedurende de afgelopen zomer preekte ik over het boek Jona. Dat deed ik overigens al een keer eerder: preken over Jona. In mijn eerste gemeente. Een mogelijkheid dus om naar binnen te kijken en te vergelijken. Toen ging het bij Jona vooral om de persoonlijke geloofsbeleving, de strijd om geloofsgehoorzaamheid: 'Jona, gij en ik' (D.A. van den Bosch). Jona hielp me ook bij een fundamentele beslissing in mijn eigen leven. Nu, twintig jaar later, blijkt het veel meer te gaan over de weg van God met Israël temidden van de volkeren.

De commentaren en meditatiebundels laten een scala aan hermeneutische mogelijkheden zien. Variërend van: Jona en de persoonlijke geloofsstrijd; Jona en de kerk in de storm van de geschiedenis; Jona en de missionaire gemeente; Jona als type / anti-type van Christus; tot: Jona en 'de jood in ons'.

Het gereformeerde principe van de 'sensus iitteralis' brengt ons erbij dat Jona functioneert in de context van Israël. Dat gegeven is even voor de hand liggend als intrigerend. We realiseren ons dat de profeet Jona wel gewandeld heeft door de straten van Ninevé, maar dat het boek Jona gelezen is in de synagoge. Hoe kan Jona dan echter verstaan worden in de christelijke gemeente? Als Jona inderdaad Israël is, liggen er voor gelovigen uit de heidenen geen identificatiemogelijkheden bij de persoon van Jona zelf. De vraag die wij onszelf moeten stellen, luidt: hoe zou een Nineviet het boek Jona lezen? Dat heeft consequenties. Bijvoorbeeld voor de toon bij onze beoordeling van de vluchthouding van Jona en van zijn verzet tot in de afgrond. Welke Nineviet zou het wagen om de staf te breken over de 'recalcitrante' houding van Jona? Laat hij eerder vanuit een eerbiedige afstand de God van Jona aanbidden en zich erover verwonderen dat God juist

Jona naar Ninevé stuurde! Jona voelde niets voor zijn roeping; wie moet dat beter kunnen begrijpen dan een bekeerde Nineviet? Iemand dus die weet wat Ninevé Israël heeft aangedaan... Dat is de positie die ons bij het lezen aangewezen wordt.

Gods plan

Het boek Jona tekent ons Gods plan. Via Israël heeft God de volkerenwereld op het oog. Van meet aan is dat Zijn opzet. 'In u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden', sprak Hij tot Abraham. Jona is een moment in de vervulling van deze belofte. Soeverein gaat God Zijn gang. Soevereiniteit in optima forma: boordevol ontferming. Zoals God handelt in het boek Jona is het ook uitzonderlijk: de volkeren stromen niet naar Israël, maar Jona gaat naar de heidenen. Zo radicaal vinden wij deze lijn nergens elders in het Oude Testament. Alleen: het is een aangevochten lijn. Bestreden, niet door de volkeren, maar door Israël zelf. Jona verzet zich ertegen tot het uiterste; tot en met zijn laatste woorden in dit Bijbelboek. Van meet aan is ook de intrigerende vraag: vanwaar toch dit verzet? We laten die vraag nog even open. Het machtige van het boek Jona is in ieder geval dat de profeet al tegenwerkend meewerkt aan de uitvoering van Gods plan. Het meest verootmoedigend is wel dat dit niet gebeurt onder de dreiging van donder en bliksem (hoezeer het ook stormt!), maar dat er een milde hemelse glimlach over het hele boek én over de houding van Jona ligt. Jona heeft met zijn opstand tegen Gods plan ook niet het laatste woord, maar God Zelf spreekt het laatste en diepste woord. Een onvergelijkelijk bewogen vraag is het: 'Zou Ik niet verschonen...? '

Gods profeet

Jona is profeet onder protest. Daarmee is zijn optreden tot en met getypeerd. Van het begin af handelt Jona averechts. Hij moet naar het Oosten, maar vlucht naar het Westen. Dat kan niet goed aflopen, want het Westen is de richting van de zonsondergang. Het gaat steeds dieper de duisternis in. En dan: e zee op! Dat doet een Israëliet niet snel. Vakantiegangers zoeken het water van de zee op. Hier in Zeeland weten we ervan, want dit is het land waar de zee altijd schijnt. Schijn bedriegt! Dit land is aan de zee ontworsteld, maar nooit definitief. Altijd is er de dreiging van het water, die onoverwinnelijke oermacht. Dat komt dichter bij wat de Bijbel over de kolkende watermassa's zegt (Psalm 93). Vandaar dat Israël nooit een zeevarende natie geworden is. Wie haalt het in zijn hoofd om dit water op te gaan? Jona! Eigenlijk gaat hij het niet op, maar daalt hij erin af (1:3). Steeds dieper, totdat hij in de buik van de vis belandt: idden in de dood. Een zelfgekozen dood? Jona is er niet te goed voor. Zijn verzet tegen zijn roeping gaat zover dat hij zich overboord laat werpen. De heidense zeelui zijn voorzichtiger dan Jona. Zij aarzelen; hij wil het zo snel mogelijk laten gebeuren. Er is weinig reden om hier iets van plaatsvervanging in te zien. Het heilgeheim van de plaatsvervanging op Golgotha is te hoog en te diep om het in verband te brengen met Jona's doodswens. En Jona houdt zijn verzet vol, ook als hij teruggebracht is in het land der levenden. God begint opnieuw, door het nulpunt heen. Zoals heel Israels geschiedenis één constante opstanding uit de

doden is; de slavernij in Egypte, de ballingschap, de Holocaust. Laat ons dat niet vergeten: Jona is niet door een reclasseringsambtenaar op het goede spoor gezet, maar hij wordt voortgedreven door de stuwkracht van het Woord dat doden tot leven wekt. Des te scherper is het vervolg. Jona preekt in Ninevé, maar dwars tegen God in hoopt hij en blijft hij hopen op de ondergang van de stad. Als het niet gebeurt, koestert hij een boosaardig verdriet. Zijn laatste woorden als reactie op de ontferming van God zijn: 'Het is mij beter te sterven dan te leven'; en: 'Billijk is mijn toorn ontstoken ter dood toe'. Een aangrijpend moment en een bitter woord uit de mond van iemand die dwars door de dood heen naar het leven werd gehaald. Toch komt Jona niet verder dan dit. Wij wachten op een 'happy end'. Er moet toch een verandering komen! Waar is de bekering van Jona? Dit kan toch het einde niet zijn? Maar het komt niet. Van de profeet moeten wij afscheid nemen, terwijl hij volhardt in zijn verzet...

Jona wikt, God beschikt

In fel contrast met de rebellie van Jona wordt de gehoorzaamheid van de 'zielloze' schepselen in het boek Jona geschilderd. Veelvuldig is er sprake van een goddelijke wilsbeschikking. God 'beschikt' de storm op zee, de vis, de wonderboom, een worm en de oostenwind. Van al die schepselen geldt dat zij zonder mankeren gehoorzamen op Zijn wenken. Jona niet. En dat, terwijl hij niet alleen 'beschikt' wordt, maar nota bene 'het Woord des Heeren tot hem geschiedt', eenmaal en andeiTnaal. Jona gaat tot de uiterste grens om dat Woord te weerstaan. Treffend is opnieuw dat Jona zijns ondanks meewerkt aan Gods doel. Naar ons idee is alles pas in orde, als er gehoorzaamheid is zoals bij de zielloze schepselen. Jona blokkeert alles. Laat Jona een voorbeeld nemen aan de vis en de worm. Kleinmenselijke gedachte over het gratievolle werk van God! Jona wikt, maar God beschikt. Is Jona pas bruikbaar voor God. als hij in de pas loopt? Zo romantiseren wij de dingen. Daarmee is uiteraard zijn ongehoorzaamheid niet goedgepraat, maar toch... Dat is nu juist het onvoorstelbaar gracieuze, gratieuze van Gods werk: éze Jona - niet verfraaid, niet versierd, dan alleen met zeewier om het hoofd-is instrument in Zijn handelende handen. O diepte des rijkdoms (Rom. 11:33)! Vervuld van de oproep tot gehoorzaamheid en van het hartstochtelijke protest tegen alle verzet, blijft Gods werk toch onvoorwaardelijk: Wie heeft Hem eerst gegeven en het zal hem wedervergolden worden'(Rom. 11:35)? Kan Israël pas een functie vervullen in het handelen van God, als het beantwoordt aan ons ideaalbeeld? Moet Jona eerst kunnen zwemmen? Kan God pas wat met Jona, als hij bekeerd is naar ons beeld van de gehoorzame profeet? Even hoge eisen stellen wij aan Israël. Wat verbeelden wij ons wel, Ninevieten die wij zijn! Of zijn wij onze eigen identiteit vergeten, als wij Jona's identiteit proberen vast te stellen?

Gods berouw

Het felste en diepste contrast van het boek Jona ligt bij de vraag naar God Zelf en Zijn handelen. Als Jona in Ninevé gepreekt heeft, gaat er een koninklijke proclamatie uit:

'Wie weet. God mocht Zich wenden en berouw hebben...' (3:9). De teneur van die roep is niet of er een theoretische mogelijkheid bestaat dat God veranderen kan. Ons dogmatische probleem met de veranderlijkheid Gods heeft maar heel weinig te maken met de eigenlijke vraag van het boek Jona. Wij moeten ons daardoor ook niet in de war laten brengen. In het Oude Testament is het eerder een probleem dat God niet zou veranderen dan dat Hij wel verandert (Psalm 77). Het mag een bekering op zichzelf heten dat de Ninevieten zich wenden van de onveranderlijke loop der sterren tot de veranderlijke God; van de dode goden tot de levende God. Het eigenlijke ligt daar echter niet in. Dat blijkt, als we Jona horen bidden. De Ninevieten zeiden: Wie weet...' en er klonk hoop in door, als van de wachters op de morgen. Jona bidt: Ik wist...' (4:2). Bij hem is er zekerheid over de vraag wie God is. Alleen: e zekerheid van de vertwijfeling. 'Ik wist dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwaad'. Wat wil je nog meer, Jona? Dit is het hart van Israels belijdenis; gezongen in de tempel, gereciteerd in de synagoge. Jona 'weet', maar het is een cynisch en wanhopig weten. De woorden van de lofprijzing worden tot een aanklacht. Verbijsterend is dat deze verbastering van de lofprijzing bij Jona niet voortkomt uit onheil dat hem treft, maar uit heil: e bekering van Ninevé. Jona beukt aan tegen Gods berouw met alle geweld van zijn gekwelde ziel. Wat moet hier toch voor moeite achter zitten? Laten wij er niet gering over denken en vooral ook geen karikatuur maken van Jona's houding. We doen Jona geen recht en verstaan evenmin de crux van het boek Jona, als we niet zien dat hier een existentieel probleem ligt dat ook veel dichter bij onszelf komt dan we eerst bevroedden.

Het is welbeschouwd verbijsterend om te merken, hoezeer wij geneigd zijn om Jona te veroordelen vanwege zijn ergernis aan de lankmoedigheid van God, zonder gepeild te hebben waar zijn diepste moeite ligt. Gaandeweg wordt dat duidelijker. Uiteindelijk ergert Jona zich niet alleen aan wat God doet, maar vooral aan wie Hij is. 'Ik wist dat Gij zijt...!' Hij kruisigt God in Diens wezen. Is er iets huiveringwekkenders denkbaar? En zou dat voortkomen enkel en alleen uit chagrijn of jaloezie? Enkel en alleen uit het feit dat naast Israël ook heidenen delen in het heil?

Gods grote stad

Om Jona te begrijpen, is het nodig dat wij naar Ninevé kijken. Ninevé is het tegenbeeld van Jeruzalem. Een immens grote stad. Hoofdstad van het Assyrische wereldrijk. Centrum van cultuur en wetenschap, superieur aan de omringende volkeren, machtig en trots. Volgens Zefanja 2:15 zegt Ninevé: Ik ben het en buiten mij is er geen'. Wat een zelfbewustzijn: wij zijn het'! In dit superioriteitsgevoel ziet Ninevé zichzelf als 'Übermensch'. Het keek neer op de andere volken en verachtte die: Untermenschen'. De anderen zijn alleen maar goed genoeg om slavendiensten te verrichten voor Ninevé. Overwonnen volkeren worden gedeporteerd naar werkkampen. Zwepen knallen. Wie niet mee kan in het productieproces, wordt afgemaakt. De hardheid van Ninevé is onverbiddelijk. Israels profeten getuigen: inevé is de leeuw die rooft en brult; een stad,

gebouwd op moord en diefstal. Een schrikbeeld. En vooral: oodsvijand van Israël. Het is dit Ninevé waarvan Jona de bekering niet verdragen kan. Sterker: e ommekeer van dit Ninevé brengt Jona tot een aanklacht tegen God. Waar blijft het gericht over de boosheid van Ninevé? Is er dan nergens op de wereld gerechtigheid? Als de enige en ultieme beroepsinstantie - de rechtvaardige God-geen wraak meer oefent, wat heeft het dan nog voor zin om Hem te vrezen? Het is op dit punt dat zich voor Jona een afgrond opent die letterlijk adembenemend is. Als God zó is, dan hoeft het niet meer. Dan is alles zinloos geworden. Dan maar liever dood, want in het land der doden hoeft in ieder geval de lof van deze God niet meer gezongen te worden (Psalm 88:11-13).

Jona, zo mag je Gods eer niet aantasten!, roepen wij. Zou ik dat nog zeggen, als mijn man onder de ronddraaiende messen van de Assyrische strijdwagens vermalen was? Zou ik dat nog zeggen, als mijn vrouw door Assyrische soldaten onteerd was? Zou ik dat nog zeggen, als mijn kinderen door de Assyriërs van me afgescheurd waren en ais slaven verkocht? Zou ik dat nog zeggen, als ik het getto van Warschau of Auschwitz had meegemaakt? Moet een mens voor zijn boosheid vergeving vragen aan de laars die hem vertrapt? O vals verwijt, o schrale troost! Of zou dan de psalm die wij nooit zingen: 'Welgelukzalig is hij die uw kinderen zal grijpen en aan de steenrots verpletteren', toch dichter bij ons staan dan de lofprijzing op Gods deugden en de instemming met Zijn handelen? Zolang wij een karikatuur maken van Ninevé (arme heidenen) én van Jona ('psychologisch onbegrijpelijk' verzet), zal de afgrondelijke diepte van het boek Jona ons ontgaan. Zodra echter de realiteit van Israels geschiedenis in de wereld der volkeren voor ons enigszins voelbaar wordt (en dat kan gebeuren, zodra de hele wereldgeschiedenis zich samenbalt in één enkele gebeurtenis in ons eigen leven), wordt ook Jona's dilemma reëel. Is dit te begrijpen? Is dit mee te maken: dat de hoge en heilige God van Israël nochtans de Ninevieten tot bekering leidt? En dat uitgerekend Jona-Israël daarvoor het middel moet zijn?

Gods verschoning

Als we ons deze dingen realiseren, krijgt de slotvraag van het boek Jona een ongekende diepte. Er wordt een beslissende stap gezet. Jona zet die stap niet. Hij kan het eenvoudig niet. God wel! 'Zou Ik niet verschonen...? ' Achter het woord 'verschonen' zit het beeld van een betraand gelaat; betraand van mededogen. Er klinkt geen woord van oordeel meer. Ook geen herinnering meer aan de bekering van Ninevé. Hier is een 'verschoning' die door niets wordt opgewekt dan door puur, eenzijdig en diep mededogen. Wie zal dat ooit voldoende peilen? Een zo diepe liefde is door geen mens te volgen en toch kan ook geen mens deze liefde ervaren zonder direct de roep tot navolging te ervaren.

God is als de vader in de gelijkenis van de verloren zoon. Hartstochtelijk bewogen met de jongste zoon, de liederlijke wegloper. Onuitsprekelijke ontferming, als hij zijn kind om de hals valt bij diens thuiskomst. 'Maak mij maar tot een van uw huurlingen', had de jongen tegen zijn vader willen zeggen. Hij kan het niet meer over zijn lippen krijgen in

de liefdevolle omhelzing van zijn vader. Maar ook: teder mededogen met de oudste zoon. 'Kind...', zegt de vader tot de oudste zoon. Hij is de vader van de jongste én van de oudste zoon. Ninevé is Zijn stad, maar Jona is en blijft ook Zijn profeet. In de beslissende stap gaat God voorop. Wie volgt? Jona? Israël? Die vraag blijft op antwoord wachten, de eeuwen door. Als er geen redding gegund wordt aan Ninevé, dan wel aan Jona? Als er geen zaligheid is voor de heidenen, dan wel voor Israël? Als er geen heil is voor de tollenaren, dan wel voor de farizeeërs? Als er geen genade is voor mijn vijand, dan wel voor mij? 'Zou Ik niet verschonen...? '


Literatuur

J. Calvijn, De profeet Jona (Verklaring van de Bijbel. Kleine profeten III); Goudriaan, 1973.

H.F. Kohibrügge, Zeven preeken over den profeet Jona; Amsterdam, 1937.

J. Koopmans, Nieuwe Postille, p. 134 - 141; Nijkerk, 1940.

W. van Laar, Jona (Echo Bijbelstudies); Amersfoort, 1991.

K.H. Miskotte, Als de goden zwijgen, p. 345 - 359; Amsterdam, 1956.

M. Verduin. De spiegel van het boek Jona; Kampen, 1984.

H.W. Wolff. Obadja, Jona (Biblischer Kommentar Altes Testament XlV/3); Neukirchen, 1977.

Dit artikel werd u aangeboden door: Theologia Reformata

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 2000

Theologia Reformata | 283 Pagina's

Open vraag aan Jona

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 2000

Theologia Reformata | 283 Pagina's

PDF Bekijken