Bekijk het origineel

Bullingers briefwisseling met Traheronus over providentie en predestinatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Bullingers briefwisseling met Traheronus over providentie en predestinatie

59 minuten leestijd

Abstract
In the year 1552, Traheronus sent a letter to his old teacher Bullinger. He expressed concern that Bullinger would be following Melanchthon’s views on predestination and providence. Traheronus was thoroughly convinced of Calvin’s perspective as being excellent and most agreeable to Holy Scripture. The answer provided by Bullinger contains a plain survey of his views on providence, free will and predestination. Bound by Holy Scripture as the norm, in continuity with the church of all times and critically answering contemporary opinions, Bullinger determines his own. He emphasizes that the preaching of the gospel of Christ must apply to all and that everybody has to believe. The believers are the elect, but their faith is the fruit of, and not the precondition for their election. Only persistent unbelievers are reprobated. Election and reprobation are held to be completely asymmetric: faith is the gift of God, sin and unbelief only the guilt of man. No one can charge God to be the author of sin.

Inleiding

Op 10 september 1552 schrijft Bartholomeüs Traheronus een enigszins bezorgde brief aan Heinrich Bullinger.1 Traheronus heeft in 1537 als Engelse vluchteling bij Bullinger in Zürich gestudeerd en is na zijn terugkeer in Engeland opgeklommen tot parlementslid en hofmeester.2 Samen met enkele andere voormalige vluchtelingen die in Zürich hebben vertoefd, maakt hij zich zorgen over de visie van Bullinger en andere theologen in Zürich op predestinatie en voorzienigheid. Bewegen zij zich niet te veel in de richting van Melanchthons visie? Onderschrijft men Calvijns gedachten hierover wel? Blijkens de brief is men in Engeland volledig betrokken bij wat zich rond providentie en predestinatie op het Europese vasteland afspeelt. Traheronus c.s. zien in Melanchthons visie hierop –in 1552 is diens visie na een constante ontwikkeling zo goed als afgerond3– een afwijking van wat zij blijkbaar als de beste reformatorische visie beschouwen, namelijk die van Calvijn.
Calvijn heeft zich in 1552 reeds via meerdere geschriften duidelijk uitgelaten over de predestinatie. In 1543 schreef hij zijn verweerschrift4 tegen de boeken 1 t/m 6 van het in 1542 verschenen werk van de katholieke Albertus Pighius, De libero hominis arbitrio et divina gratia, libri decem, dat direct tegen Calvijn was gericht. De kwestie-Bolsec, die zich eind 1551 in Genève afspeelde, vormde voor Calvijn de directe aanleiding5 om ook de boeken 7 t/m 10 te weerleggen en zich tegelijk te keren tegen Georgius Siculus6 –een Italiaanse spiritualist– én enkele gematigde protestantse theologen (‘modesti quidam homines’), met wie hij zijn collega’s uit Bazel, Bern en Zürich bedoelde.7 Bolsec keerde zich openlijk tegen de leer van de dubbele predestinatie van Calvijn en meende zich voor zijn eigen visie –volgens Calvijn draait hij de orde van de verkiezing om en plaatst die na het geloof8– te kunnen beroepen op Melanchthon, Brenz en Bullinger. Daarop besloot men in Genève dit argument te ontkrachten door Zürich, Bern en Bazel om hun mening te vragen. Hierop ontstond een briefwisseling tussen Bullinger en Calvijn, waarin Bullinger zich aanvankelijk nogal kritisch en scherp uitliet over Calvijns predestinatieleer en de hoop uitsprak dat de controverse vriendelijk en zonder veroordeling van Bolsec opgelost kon worden, mits Bolsec de verlossing aan Gods genade alleen wilde toeschrijven. In een volgende brief gaf Bullinger wel toe dat Bolsecs visie verworpen moest worden, omdat de verlossing uit louter genade in het geding was.9 Tegenover Bolsec stond Bullinger aan Calvijns zijde, hoewel hij op diverse onderdelen afstand bleef nemen van ‘harde uitspraken’ van Calvijn, met name die waarin hij de indruk wekte dat God auteur der zonde is. Bullinger zelf bleef tegenover Calvijn benadrukken dat God het heil van alle mensen wil, dat verlossing in Christus door het geloof als gave van God verkregen wordt, en dat de verworpenen slechts verloren gaan door eigen schuld.10
Ook in Engeland lijkt de predestinatieleer de gemoederen in beweging te brengen.11 Traheronus c.s. kennen Bullinger, maar zijn het inzake de predestinatie geheel eens met Calvijn en hebben diens laatste boek tegen Pighius en Siculus met grote instemming gelezen. Wellicht hebben hen ook geruchten bereikt dat Calvijn en Bullinger het op dit punt niet geheel eens waren en heeft men doorgekregen dat Calvijn met ‘modesti quidam homines’ Bullinger c.s. bedoelt. Daarbij kwam nog dat Bolsec dacht zich op Bullinger en Melanchthon te kunnen beroepen. Traheronus c.s. meenden dat dit ten aanzien van Melanchthon wel terecht was. Bullinger kwam hiermee echter in de verdachte hoek terecht. Bovendien had Traheronus tussen 1548 en 1550 al een bittere controverse met John Hooper gehad over de predestinatieleer. Hooper was een leerling van Bullinger die inzake de predestinatie zich direct op Melanchthons Loci van 1535 beriep.12 Alle geruchten en informatie opgeteld is het te begrijpen dat Traheronus c.s. zich ongerust maken over de positie van hun oud-leermeester en vriend Bullinger, van wie ze het zich niet kunnen voorstellen dat hij tegenover Calvijn de positie van Melanchthon zou zijn gaan innemen.13 In de totstandkoming van Traheronus’ ongeruste brief kan ook de visie van Bibliander, van 1531-1560 professor Oude Testament aan deAcademie van Zürich, een rol gespeeld hebben. Inzake de predestinatie had Bibliander meer gemeen met Erasmus dan met de reformatoren14, en dat feit lijkt niet onopgemerkt te zijn gebleven.15 Petrus Martyr Vermigli, van 1548-1553 (dus als Traheronus zijn brief schrijft) werkzaam in Oxford, wordt in 1556 (Vermigli bevindt zich dan te Straatsburg) benoemd tot professor Oude Testament in Zürich. Spoedig geraakt hij in een groot conflict met Bibliander over voornamelijk de predestinatieleer, dat in 1560 uitloopt op de verwijdering van Bibliander van de Academie van Zürich. Een brief van Zanchi aan Calvijn, kort na Vermigli’s aantreden als professor in Zürich, doet vermoeden dat hier enig opzet in het spel kan zijn geweest. Zanchius schrijft namelijk: ‘Eén ding troost mij bij het vertrek van Petrus. Ik weet dat hij door goddelijke voorzienigheid naar Zürich is geroepen, misschien wel om (...) velen in die kerk de verderfelijke leer (ik zeg dit in vertrouwen) van de vrije wil tegen de predestinatie en Gods genade af te leren.’16
De in 1552 nog onaangetaste positie van Bibliander in Zürich, mét het beroep van Bolsec op Bullinger, de onenigheden en verschillen tussen Bullinger en Calvijn17, de bekende hartelijke vriendschap tussen Bullinger en Melanchthon18 én de gedachte dat Melanchthon inzake providentie, predestinatie en vrije wil heeft gebroken met de reformatorische visie, vormden voor Traheronus c.s. voldoende aanleiding hun ongerustheid over Bullingers positie te uiten en hem in een vriendelijke brief te vragen alle gerezen twijfels weg te nemen.

Traheronus’ brief aan Bullinger

Zeer geleerde en beste heer Heinrich Bullinger, geëerde broeder.19

Ik wil erg graag weten wat uw visie en die van de andere zeer geleerde heren die Zürich leiden op Gods predestinatie en voorzienigheid is. Als u vraagt: waarom? Welnu, er zijn hier sommigen die ooit bij u hebben vertoefd, die beweren dat u te veel melanchthoniseert. Er zijn werkelijk zeer velen bij ons, van wie ik beken er ook een te zijn, die de visie van Johannes Calvijn hoogschatten als helder en meest overeenstemmend met de Heilige Schriften. En daarom leren wij over Gods grote genade inderdaad zoals onlangs de zeer geleerde en beste heer Johannes Calvijn in een excellent werkje tegen Pighius en een of andere Georgius Siculus heeft gepubliceerd, in de tijd dat deze kwestie bij ons beroering begon te wekken.20 Wij bekennen immers dat hij veel helderheid heeft verschaft, inderdaad heeft hij deze zaak zo behandeld, dat wij tot hiertoe niets hetzij nog geleerder hetzij nog duidelijker hebben gezien. Toch willen wij graag weten wat uw mening is, waar wij terecht zeer veel waarde aan toekennen. Wij hopen zeker dat u het met die allerbeste en zeer geleerde mening in niets oneens bent. Tenminste, jullie zullen worden gewaardeerd als jullie uitleggen wat jullie in dat boekje hetzij goedkeuren, hetzij missen, hetzij geheel verwerpen (als door jullie toch iets zal worden verworpen, wat wij niet zomaar geloven). Londen, 10 september [1552].

Van harte de uwe,

Bartholomeüs Traheronus

Bullingers antwoord aan Traheronus

Bullinger geeft aan dat hij in zijn brief21 kort zal schetsen wat hij uitvoerig in andere boeken reeds heeft geschreven.22 Daarmee stelt hij Traheronus c.s. al gerust: hij denkt nu niet anders over deze zaken dan voorheen. Bovendien wil hij er in deze zaken, waarin al zo veel verschillende meningen zijn, geen eigen mening op na houden. Zoals hij altijd heeft gedaan, leert hij wat vanaf de tijd van de apostelen in de heilige en orthodoxe kerk is geleerd.23
Bullingers korte opmerkingen over Melanchthon zijn intrigerend: ‘En zeker heb ik deze visie (nl. de apostolische en katholieke, wadb) in mijn geschriften uiteengezet, terwijl Melanchthon in de eerste uitgave van zijn Loci nog vasthoudt aan een soort onwrikbaar noodlot en aan de mens zijn vrije wil ontneemt.’24 Bullinger distantieert zich dus ondubbelzinnig van het leren van een onwrikbaar noodlot en daarmee van de Melanchthon van de Loci van 1521. In dat opzicht laat Bullinger niets aan duidelijkheid te wensen over. Traheronus had met zijn vraag over het ‘melanchthoniseren’ van Bullinger uiteraard het volgen van de látere Melanchthon bedoeld. Daarover laat Bullinger zijn Engelse vrienden echter in het ongewisse. Over de latere ontwikkelingen bij Melanchthon merkt Bullinger slechts op dat die zijn Loci zo vaak heeft veranderd, bewerkt en herbewerkt/ herroepen, dat het onmogelijk bij te houden is.25 Hij lijkt hiermee aan te willen geven dat het onduidelijk is wat Melanchthon in deze zaken nu precies leert, wellicht ook om te voorkomen voor of tegen Melanchthon stelling te moeten nemen.

Voorzienigheid is voor Bullinger Gods bewaring en regering. God draagt zorg voor al Zijn schepselen.26 Niemand kan Zijn wil weerstaan, er is geen toevalligheid, maar God regeert en bewaart door Zijn deugd, wijsheid, almacht en gerechtigheid alle dingen. Bullinger verwijst naar enkele Psalmen, Job, Mattheüs en Jacobus, en naar Augustinus over Psalm 148,8. ‘Geen kleine vrucht ontspruit uit de beschouwing van deze goddelijke providentie.’27 De mens wordt in alle tegenslag getroost, want het lijden dat hij moet doorstaan, wordt hem door een liefhebbend Vader opgelegd. Als het kwaad je kwelt, bedenk dan voortdurend dat het door Hem is opgelegd, Die het goede en niet het kwade voor je wil. Het weerhoudt de mens ervan trots te worden in voorspoed. Immers de voorspoed is in Gods hand, niet in onze hand. Híj moet gevreesd, aangeroepen en vereerd worden.We moeten niets aan de middelen toeschrijven en zo God als de eerste oorzaak vergeten; we moeten niet aan onszelf toeschrijven wat een gave van God is.28 Bullinger concludeert: ‘En zo stellen alle dingen in het leven van een mens hem in de gelegenheid om Gods werken te erkennen, Zijn majesteit te loven en Hem te danken voor Zijn weldaden, en om het kwade, waarvan wij erkennen dat God het ons volgens Zijn rechtvaardig oordeel oplegt, af te wenden door gebed.’29
Na zo positief zijn visie op de voorzienigheid gesteld te hebben, gaat Bullinger ertoe over twee gebruikelijke tegenwerpingen te weerleggen (‘Duo his solent opponi’). 1. Als God alle dingen in alles werkt, blijft er absoluut niets over voor de mens om te doen, en zo wordt de mens elke ijver en werkzaamheid ontnomen. 2. Als God alle dingen in alles werkt, betekent dit (‘ergo’) dat alle zonden die er te bedenken zijn, aan God als de auteur ervan zijn toe te schrijven. Dan wordt God tot oorzaak en auteur van het kwaad gemaakt.30 De tegenwerpingen gebruikt Bullinger voor twee doeleinden: om dwalingen te weerleggen, maar zeker ook om zijn eigen positie naar twee zijden af te grenzen.

Ad. 1: De eerste tegenwerping is van alle tijden, zegt Bullinger. God werkt immers wel alle dingen, maar via middelen, hoewel Hij daar niet aan gebonden is.31Wat betreft Gods vrijheid gebruikt Bullinger de voorbeelden van Mozes die 40 dagen zonder eten en drinken is, en van Daniël en zijn vrienden die een leeuwenkuil en een vurige oven overleven. Opvallend is dat het daarbij direct om wonderlijke gebeurtenissen gaat. Dat Bullinger met opzet deze voorbeelden gebruikt, blijkt als hij vervolgt: ‘Daarom mag je niet de conclusie trekken dat de middelen onnuttig zijn en door de mensen veracht mogen worden. Want gewoonlijk maakt God er gebruik van; niet omdat het niet anders kan, maar omdat het op die manier bevorderlijk en nuttig is voor de mensen.’32 Gods voorzienigheid werpt de orde van de dingen niet omver, schaft de levensplichten niet af en neemt onze ijver niet weg. Nee, juist door middel van die dingen wordt gewerkt in de mensen wat God wil.33 God vraagt van ons dat we ons aan de middelen wijden. Bullinger geeft een aantal voorbeelden, zoals David die zijn vijanden overwint en Mozes die Israël uit Egypte bevrijdt. Maar hoe je het ook wendt of keert, God is het die de overwinning gaf, door middel van David, en God bevrijdde Israël, door middel van Mozes.34 David wist goed dat de goddelijke voorzienigheid zijn hele leven regeert; toch is hij daardoor niet lui geworden, maar hij vluchtte voor Saul.35 Bullinger gaat vervolgens van voorbeelden uit de praktijk van het leven over op de norm voor het handelen: het Woord van God is de richtlijn voor alles wat wij doen en is onafscheidelijk verbonden met Gods voorzienigheid. ‘In het beschouwen van de goddelijke voorzienigheid onderzoeken de heiligen voortdurend GodsWoord, wat het beveelt en wat het verbiedt.’ ‘Daarom, wie raad wil, moet ijverig onderzoeken welke orde God in Zijn Woord heeft aangeduid, wat Hij heeft geschreven en welke weg Hij heeft voorgeschreven: die (weg) moet hij gaan, en niet Gods voorschriften en woorden scheiden van de goddelijke providentie.’ 36

Het is Bullingers voorzichtigheid dat hij pas over de middelen, de aard en het gebruik ervan en over de betekenis van hetWoord van God voor het handelen gaat spreken bij de behandeling van een tegenwerping. Ten behoeve van Traheronus c.s. benadrukt hij thetisch dat God alle dingen in alles werkt en dat van dat feit niets afgedaan kan en mag worden. Daarmee neemt hij allereerst hun bezorgdheid weg. Pas als hij met de antithese bezig is en de eerste tegenwerping wil ontkrachten, behandelt hij uitvoerig een zaak die karakteristiek is te noemen37 voor Bullingers denken over de providentie en feitelijk in het thetische deel aan de orde had moeten komen: een grote nadruk op de middelen en daarmee op een nauwgezet luisteren naar het spreken van God in Zijn Woord. God regeert ons, regeert alles, maar doet dat doorgaans via de middelen, via Zijn Woord. Op dat Woord en de middelen zijn wij aangewezen omdat God ons op die manier wil regeren. Op deze manier blijft de inzet van de hele mens vereist, behoudt de mens zijn volle verantwoordelijkheid, terwijl tegelijk ten volle Gods providentie wordt gehandhaafd en Gods alleenwerkzaamheid in geen enkel opzicht tekort wordt gedaan. Dat laatste krijgt extra gewicht als Bullinger opmerkt dat God nimmer aan de middelen gebonden is; Hij maakt er in vrijheid gebruik van.

Ad. 2: Sommigen die deze tegenwerping gebruiken vinden het idee dat God auteur van het kwaad zou zijn zo absurd, dat ze Gods providentie ontkennen. Anderen argumenteren zo: God werkt alle dingen in alles, dus ook moord en verkrachting, dus zeggen ze dat Hij de auteur van de zonde is. ‘Verdorven echter is deze leer. God is immers de bron van alle goed en doet het kwade niet, noch bestemt Hij tot het kwade, noch zet Hij ertoe aan. Hoe zou Hij anders als rechtvaardig God de wereld kunnen oordelen?’38 Duidelijk is dat deze tegenwerping voor Bullinger een aangelegen punt is. Eén ding staat voor hem als een paal boven water: God is goed, uit Hem komt alleen het goede voort en er is geen enkel positief of direct verband tussen Hem en het kwaad of de zonde. Het goede komt uit God, het kwade komt alleen uit de mens. Maar hoe verhoudt zich dat tot de leer van Gods voorzienigheid, tot het feit dat God alle dingen in alles werkt? Bullinger: ‘Wij zeggen daarom: God werkt zodanig door middel van de mensen, dat Hij van hen als tweede oorzaken gebruikmaakt, namelijk als medewerkers van God. God neemt echter het belangrijkste werk op zich, zoals de apostel zegt: God werkt in jullie opdat jullie willen en bewerken.’ ‘God werkt, maar in ons, niet buiten ons of zonder ons.’Als God niet zou werken, zouden we niets goeds kunnen doen.39 Bullinger wijst vervolgens nog op 1 Cor. 3:9v.: Paulus is medewerker van God, maar dat is hij volgens verleende genade. Zonder die genade is hij niets. ‘God werkt dus door ons in de (heilige) dienst, en wij werken door Zijn genade.’40 Alle werken van de mens worden door God als de absoluut eerste oorzaak gewerkt; zonder God en tegen Zijn wil kan niets bestaan. De mens werkt als tweede oorzaak, maar niets gebeurt zonder Gods permissie.41 Om te voorkomen dat God zo toch nog veroorzaker van zonde en kwaad is –daar Hij immers het kwaad kan verbieden als Hij zou willen–, voegt Bullinger eraan toe: De tweede oorzaken zijn de hoofdbewerkers van zonde en kwaad. God staat het hen toe, maar bewerkt het niet. Hij is volkomen vrij van iedere zonde of verdenking van zonde.42
Zo heeft Bullinger met betrekking tot de zonde en het kwaad alle verantwoordelijkheid bij de mens gelegd, terwijl God als eerste oorzaak, nl. door de afhankelijkheid van Zijn permissie, alle dingen blijft regeren zonder voor de auteur der zonde te kunnen worden gehouden. Nu wordt echter van een andere kant tegengeworpen: ‘Permissie is geen werk. Dus als God de zonde niet bewerkt maar toelaat, worden niet alle dingen door God gewerkt.’43 Bullinger antwoordt hierop dat God alle dingen werkt die met Zijn natuur in overeenstemming zijn. Hij wil de zonden niet, noch zet Hij aan tot zonden, omdat ze tegengesteld zijn aan Zijn natuur.44 God staat toe dat zonden worden gedaan en die toelating behoort tot de goddelijke providentie, is daarvan niet te scheiden.45 God bepaalt de grenzen, zodat satan niet maar kan doen wat hij wil. Hetzelfde geldt voor de mens. De heiligen voeren de zaken die de duivel en verkeerde mensen doen, en die God toestaat, terug op God als auteur. Zoals Job zegt: De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen. Hij zegt niet: de Heere heeft gegeven, de duivel e.a. hebben genomen. Dit zegt hij niet omdat hij meent dat God zou aanzetten tot een bloedbad, maar omdat Hij het de duivel heeft toegestaan. En doordat God Zijn hand had teruggetrokken, schrijft Job een werk aan God toe, dat in werkelijkheid gedaan was door boze geesten en bloeddorstige mensen. Daarom kan God hen voor die daden ook rechtvaardig straffen.46 ‘De toelating is begrepen in de providentie.’47 Met dit gedeelte lijkt Bullinger vooral Calvijn op het oog te hebben, die tegenover de gedachte van Gods permissio, die sinds Augustinus gemeengoed was, heeft volgehouden dat God de zonde niet toestaat, maar wil.48
Maar is het niet zo dat hij die niet verbiedt wat hij kan verbieden, de veroorzaker is?49 Bullinger wijst in verband met deze tegenwerping o.a. op de kerkvaders Tertullianus en Damascenus, en op wat geleerd en beleden wordt in de Decaloog, het Apostolicum en het Onzevader. God is rechtvaardig en doet absoluut niets wat daarmee in strijd is; Hij is de Vader en doet niets wat tegen de vaderliefde ingaat.50 Bullinger verwondert zich erover dat sommigen voor het woord ‘permissio’ terugschrikken als vreemd aan de Schriften, want hij vindt het zelf wel degelijk in de Bijbel terug en het is door alle leraren der kerk sinds de tijd van de apostelen gebruikt.51 Voorbeelden maken duidelijk dat het geringschatten van deze schriftuurlijke en oude methoden van schriftuitleg als brutaliteit, en niet als vroomheid moet worden beschouwd.52

In een overgangsparagraaf vat Bullinger alles nog eens samen en introduceert hij de vrije wil. God is niet de auteur van het kwaad, wil het kwaad niet, zet niet aan tot zonde noch bestemt de menselijke wil tot zondigen; de oorzaak en herkomst van elk kwaad is te herleiden tot de slechtheid van de duivel en de vrije wil53 van de mens. Dat is voor Bullinger het duidelijke getuigenis van de Schrift. Hij illustreert dat nogmaals aan de hand van vele bijbelteksten en uitspraken van kerkvaders. Zaken als ‘noodzakelijkheid’ en ‘onvermijdelijk noodlot’ zijn reeds sinds de tijd van de apostelen veroordeeld.54
Bullinger wijst er veelbetekenend op dat het Manichaeus was die beweerde dat alle dingen noodzakelijk gebeuren, dat het kwaad niet vermeden kan worden en dat God aanzet tot onvermijdelijk zondigen.

Uitvoerig gaat Bullinger vervolgens in op de vrije wil van de mens, die hij beschouwt vanuit drie posities: 1. de vrije wil voor de zondeval, 2. de vrije wil na de zondeval in de nog onwedergeboren mens, en 3. de vrije wil in de wedergeboren mens.55

Ad. 1. ‘Voor de zondeval van de mens waren onze voorouders geheel volmaakt en hadden ze in alle dingen een vrije wil. Het is noodzakelijk dit duidelijk te bekennen. Als we dit immers niet goed inzien, dat Adam door God goed en vrij is geschapen, zullen we later dwalen met betrekking tot de oorzaken van goede en kwade zaken en God voor de voeten werpen dat het strijdt tegen Zijn eigen natuur.’56

Ad. 2. ‘Na de zondeval zijn het verstand en de wil van de mens niet vernietigd, anders zou de mens zijn veranderd in een steen of een beest, maar het verstand is zozeer verduisterd dat hij voortaan niets meer van het goddelijke kan begrijpen uit eigen krachten.’ 57 Bullinger legt uit dat de vrije wil van de mens door de zondeval geheel slaafs is geworden, ‘zó dat de mens niet alleen geneigd is tot zondigen, maar ook verslaafd (overgeleverd) aan de zonde en verkocht onder de zonde. In dit opzicht heeft de mens zeker geen vrije wil.’58Aan de andere kant heeft de mens echter ook na de zondeval een geheel vrije wil, vervolgt Bullinger. ‘Wat immers kwaad en zonde betreft, wordt de mens niet gedwongen, maar doet hij uit eigener beweging en van nature de zonde. De mens wordt immers niet gedwongen tot de zonde? Want het bederf werkt uit zichzelf vrijwillig het bederf.’59 Bullinger beschrijft hoe dat in zijn werk gaat –de verdorven geest houdt het verkeerde voor aan de begerige wil, die vervolgens vol verlangen naar de bedorvenheid het bederf kiest en volgt– en concludeert daaruit dat alle fouten en alle zonden voortkomen uit de mens, zodat het niet nodig is deze te herleiden tot een aansporing van God.60 ‘Werkelijk, wat het goede, het geloof, de deugden en de goede werken betreft, hierover oordeelt het verstand niet juist, en de wil kiest en volgt niet het goede, maar veeleer het verkeerde.’Daaruit kan Bullinger maar één conclusie trekken: de vrije wil van de onherboren mens is niets met betrekking tot het goede.61
Onder dat ‘goede’ verstaat Bullinger de geestelijke zaken. Teksten als ‘Zonder Mij kunt u niets doen’ en ‘Niemand komt tot Mij als Mijn Vader hem niet trekt’ spreken duidelijke taal als het gaat om het vermogen goede, geestelijke zaken te volbrengen. In nietgeestelijke zaken blijft er echter door Gods genade een zeer groot verschil tussen het verstand van de mens en het begrip van een beest. God beveelt de mens zijn verstand te ontwikkelen en maakt die ontwikkeling mogelijk, want ook de bekwaamheden liggen niet in ons eigen vermogen.62

Ad. 3. ‘De wedergeboren mens heeft een vrije wil, niet uit kracht van de natuur, maar dankzij Gods genade.’63 Gods Geest maakt het mogelijk het goede in te zien, het te kiezen en uiteindelijk te doen. Wie dat niet belijdt, ontkent de vrijheid van de kinderen Gods en brengt tot een dienstbaarheid, groter dan die aan de wet.64
De gelovigen zijn in deze zaken niet passief, maar actief. De Geest zet de gelovigen in beweging en God komt alle eer toe. Toch zijn ze niet alleen lijdelijk, maar ook werkzaam bezig; door de genade bekwaam gemaakt en versterkt, werken de gelovigen mee.65
De Manicheeërs maken de fout dat zij de mens elke actie ontnemen doordat ze de wil veranderen in een steen. Paulus zegt echter:Wakker de gave Gods aan die in u is (2 Tim. 1,6); en: Werkt uw eigen zaligheid met vreze en beven (Fil. 2,12). Zo heeft ook Augustinus gesproken.66

Nadat Bullinger zo de vrijheid en werkzaamheid van de wil in de wedergeborenen vanuit de Schrift heeft vastgesteld en verdedigd, voornamelijk tegenover de dwaalleer van de Manicheeërs, wil hij zijn positie ook afschermen tegen misvattingen van de andere kant. ‘Intussen moet niet vergeten worden dat de vrije wil in de wedergeborenen zwak is.’ Bullinger merkt op dat niet altijd dat gebeurt, waarvan hij zojuist heeft vastgesteld dat het zou kunnen gebeuren. Integendeel, bijna altijd gebeurt het tegenovergestelde. Op grond van o.a. Rom. 7, Gal. 5 en Jac. 4. concludeert hij: ‘Omdat de zonde in ons woont en strijdt tegen de Geest, kan de wil niet vrij en ongehinderd bereiken wat zij inziet te moeten bereiken; en wat zij tot stand brengt, doet ze niet zo volledig als zou moeten.’67 Tegelijk geldt echter dat de krachten van het vlees in de wedergeborenen de Geest niet kunnen uitdoven. Ook worden de wedergeborenen niet gedwongen om het goede te doen, maar zij doen dat spontaan, door de genade van Gods Geest.68
Bullinger wijst ten slotte nogmaals op de overeenkomst van zijn visie op de vrije wil met die van Augustinus, en dat tegenover Manicheeërs en Pelagianen. Hij staat in een betrouwbare traditie, die de genade niet zodanig verdedigt, dat daardoor de vrije wil wordt vernietigd, noch van de weeromstuit zo over de vrije wil spreekt dat in hoogmoedige goddeloosheid Gods genade als nutteloos wordt beoordeeld.69 Bullinger verzucht: ‘O, dat toch alle geleerden van tegenwoordig deze orthodoxe regel zouden volgen. Er zou dan veel meer vrede en minder onenigheid en onrechtvaardigheid en onnodig dispuut zijn.’70

Hiermee rondt Bullinger het gedeelte over de providentie af. De providentie handelt over Gods zorg voor en regering van alle dingen en in dat verband wil Bullinger de activiteit van de mens ten aanzien van alle dingen die gebeuren en gedaan worden, bepalen. Hij maakt daarbij een duidelijk onderscheid tussen onherboren en herboren mensen. De eerste groep is niet vrij ten aanzien van het goede, maar kiest wel vrijwillig het kwade. De tweede groep heeft door Gods genade een vrije wil, die echter zo zwak is dat er wel van vrijwilligheid, maar niet van zelfstandigheid ten aanzien van het goede sprake is. Sprekend over de voorzienigheid behandelt Bullinger dus in feite zijn theologische antropologie voor wat betreft de ethiek.

In het tweede gedeelte van zijn brief gaat Bullinger in op de predestinatie. Uit zijn definitie blijkt reeds de overeenkomst én het onderscheid tussen providentie en predestinatie: ‘De predestinatie, voorordening of voorbeschikking is Gods ordening van eeuwigheid van alle dingen tot een zeker doel.’ Evenals de providentie gaat de predestinatie dus over alle dingen. Terwijl inzake de providentie echter Gods zorg en regering, het proces wordt benadrukt, valt bij de predestinatie het accent op de ‘ordinatio’, Gods vaststelling van de eindbestemming van alle dingen. Bullinger perkt zijn bespreking van de predestinatie vervolgens nog iets verder in. Hoewel het gaat over ‘alle dingen’, toch gaat het bij de predestinatie ‘in de eerste plaats over de bestemming van de mens door God als de Heere van alle dingen, in Zijn heilige en rechtvaardige raad.’71 Bullinger kan de predestinatie daarom vervolgens ook omschrijven als Gods verkiezing, waarmee Hij van eeuwigheid sommigen tot het leven, anderen tot de ondergang verkiest.72
De oorzaak van verkiezing en predestinatie is geen andere dan Gods goede en rechtvaardige wil, waardoor Hij onverdiend de verkorenen verlost, maar verdiend de verdoemden en verworpenen verwerpt.73 Met dit onderscheid tussen ‘onverdiend’ en ‘verdiend’ breekt Bullinger zijn absolute formulering van een dubbele predestinatie open. De oorzaak van de verlossing is louter Gods verkiezende genade, maar de oorzaak van de verdoemenis is te zoeken in de schuld van de mens.
Bullinger verwijst naar 2 Tim. 1,9 en 10, Ef. 1,4-6 en Ef. 1,11 en trekt daaruit de conclusie: Dus God heeft van eeuwigheid uitverkoren wie Hij wil.74 En wie wil God? Dat zijn de gelovigen. Sommigen, herhaalt Bullinger, worden tot de dood en de ondergang gepredestineerd, anderen tot het leven en de zaligheid. Toch moet het geloof niet beschouwd worden als een oorzaak van de verkiezing of predestinatie, alsof God ons zou verkiezen vanwege het geloof dat Hij in ons van te voren ziet. Bullinger wil de verkiezing en zaligheid slechts aan Gods genade toeschrijven: het geloof in Christus is een geschenk. ‘Paulus zegt immers niet dat God ons verkiest omdat wij gelovigen zijn, maar opdat wij zouden geloven.’75
Over de relatie tussen verkiezing en geloof zegt Bullinger het volgende: Het geloof is in Gods decreet tegelijk inbegrepen. God heeft ons van eeuwigheid aangenomen tot kinderen door Christus, en die aanneming ontvangen de uitverkorenen door het geloof. Zonder twijfel: de gelovigen zijn uitverkoren. Men is niet uitverkoren vanwege de verdienste van het geloof, maar vanwege Gods verdeling en heilsorde, waardoor God geen anderen dan gelovigen als kinderen erkent en ons door het geloof laat delen in de aanneming, die we door het geloof alleen ontvangen. Om de leer van het geloof te behouden is het noodzakelijk hiermee in te stemmen.76 Bullinger wijst dus op het onlosmakelijke verband tussen verkiezing en geloof. Het geloof als voorwaarde of oorzaak van verkiezing wordt resoluut verworpen, maar daarmee is het verband tussen verkiezing en geloof niet losser geworden. Voor God geldt dat Hij verkiest opdat wij geloven, en Hij schenkt de aanneming tot kinderen alleen aan de gelovigen. Bullinger wil daarmee benadrukken dat ondanks het onvoorwaardelijk karakter van de verkiezing wij ons moeten blijven richten op het geloof als middel om door God aangenomen te worden. De verkiezing maakt niet passief, maar richt ons op Gods heilsorde, waarin de volle nadruk valt op het geloof.
Dat de mens zich geheel op het geloof moet richten, mag geen misverstand wekken: ‘Wij verwerpen de dwaling dat degene aan wie het evangelie gepredikt wordt het door zijn vrije wil kan geloven of niet-geloven.’ Evenals eerder in verband met het goeddoen in geestelijk opzicht citeert Bullinger Joh. 6,44: ‘Niemand komt tot Mij als Mijn Vader hem niet trekt.’ Samen met Ef. 2,8: ‘Want door genade bent u behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God’, moet deze tekst hier overtuigen van Bullingers conclusie: ‘Daarom zeggen wij dat alle gelovigen verkorenen zijn en alle gelovigen hebben hun geloof van God als gave gekregen. Wij zeggen dat de ongelovigen verworpen zijn, en daar niet alle mensen geloven, zijn niet alle mensen verkoren.’77
Ook hieruit weigert Bullinger deterministische conclusies te trekken. Geheel in overeenstemming met zijn afwijzing van ieder parallellisme en elke symmetrie tussen verkiezing en verwerping inzake de oorzaak daarvan, vervolgt hij direct: ‘Dat enigen echter niet geloven en verloren gaan, daarvan werpen wij de schuld niet op God of Zijn predestinatie, maar op de mens die zelf Gods genade verwerpt en de hemelse gave niet aanneemt.’ 78 Bullinger blijkt zeer alert als het gaat over de verantwoordelijkheid van de mens voor zonde en ongeloof en verwerpt resoluut iedere gedachte die deze verantwoordelijkheid op God wil schuiven. Hij citeert enkele teksten en concludeert daaruit: ‘De schuld kan dus niet op God geschoven worden, op Zijn predestinatie, zijn aanzetten tot of houden in ongeloof, maar ligt geheel bij de verdorven onwillige wil van de mens.’79 Heeft de mens dan de mogelijkheid in zich om Gods Woord aan te nemen dan wel te verwerpen? Bullinger antwoordt: Zeker heeft de mens een aangeboren verdorvenheid waardoor hij Gods Woord verwerpt. Als een mens echter Gods Woord aanneemt, is dat te danken aan verlichtende genade.80 Alweer komt Bullinger dus met een tweeledig, asymmetrisch antwoord.

Bullinger stelt hen die gewoon zijn te leren dat God sommigen zo uitsluit dat Hij hen ook nog verhardt zodat zij niet in de waarheid geloven –laat staan dat Hij hen de gave van het geloof zou geven– de vraag: ‘Waarom benadrukken we niet liever de universele beloften en bevelen we allen niet goede hoop te hebben?’81 Natuurlijk, de predestinatie is van eeuwigheid in Gods geheime raad besloten, maar toch aan ons door de profeten, maar vooral door Christus en de apostelen geopenbaard, op grond waarvan duidelijk is dat God de mensen liefheeft, dat Hij het goede voor de mensen wil, dat Hij allen die in Christus geloven ten leven heeft verkoren, en zelfs alle mensen wil zalig maken. Daarom schrijft het Evangelie voor dat aan alle schepselen het Evangelie verkondigd moet worden.82
Bullinger citeert vervolgens teksten die de universaliteit en onvoorwaardelijkheid van de verkondiging van het evangelie aantonen.83 Verwijzend naar Johannes 3 en 6 schrijft hij dat daar ‘in duidelijke woorden beschreven wordt dat allen die geloven gered zijn, dat wil zeggen, omdat alle gelovigen verordineerd zijn tot het eeuwige leven.’84 Er is geen aanneming des persoons bij God. Hij heeft geduld met ons omdat Hij niet wil dat enigen verloren zouden gaan.85

Bullinger is van mening dat over deze lastige zaken, nl. over Gods verborgen oordelen, over de predestinatie en verkiezing van God, in de kerk geen scherpe disputen gevoerd moeten worden. Eenvoudige, twijfelende zielen, maar ook de meer geoefende zielen worden daardoor zo belast dat ze er nooit meer van bevrijd kunnen worden. Bullinger verwacht er de meest ernstige gevolgen van: ‘Spoedig volgt daaruit haat tegen God, wanhoop en blasfemie, alsof God allen oproept en Zijn gaven aan allen aanbiedt, maar slechts weinigen zou willen geven, alsof Hij een spelletje zou spelen en anderen met lege handen wil wegsturen. Daardoor zou ook de goddelijke belofte en waarheid in gevaar komen. Zo ben ik dus gewoon om, zoals ik heb aangetoond, gematigd, vroom en orthodox te leren over de predestinatie.’86

Voordat Bullinger zijn brief besluit met het aanbevelen van enkele boeken over het thema en allerhartelijkst en hoffelijk zijn vriend het beste toewenst87, geeft hij kort nog zijn mening over Calvijn weer. ‘Calvijn, onze geëerde broeder in de Heere, spant zich op alle mogelijke manieren in om de zuiverheid van Gods genade te bewaken. Wie zou dat heilige doel van de man willen berispen?’88
Echter, dezelfde Calvijn zegt ergens dat God niet alleen de val van de eerste mens en in hem het verderf van het nageslacht heeft voorzien, maar dit ook volgens Zijn wil heeft geregeld. Hij schrijft dat God diegenen ook voor het verderf heeft geschapen om werktuigen van Zijn toorn te zijn, en dat God hen, om ervoor te zorgen dat ze Zijn doel bereiken, nu eens de mogelijkheid onthoudt om Zijn Woord te horen, hen dan weer door de prediking verblindt en afstompt et cetera. ‘Wie ziet niet in dat die dingen op zo’n wijze zijn voorgesteld dat de ouden ze volstrekt niet zouden accepteren? Ik zou zo zeker niet durven spreken.’ Bullinger is van mening dat de zuiverheid van de goddelijke genade ook verdedigd kan worden zonder te zeggen dat God de mens heeft geschapen voor het verderf, dat God Zelf tot dat doel leidt, of aanzet tot verharding of verblinding.89

Traheronus’ reactie

Kort enige aandacht voor Traheronus’ reactie op Bullingers uitvoerige uiteenzetting. Die heeft zijn gerezen twijfels niet kunnen wegnemen. Hoewel hij Bullingers kennis en gematigdheid bewondert, zegt hij eerlijk dat hij niet helemaal met hem mee kan gaan. Uit zijn antwoord blijkt zijn vertrouwdheid met de visie van Calvijn. Bullinger beperkt volgens hem door zijn stelling dat God sommige dingen toelaat, Gods macht. God schept niet het kwaad in ons, maar determineert wel de plaats, tijd en wijze, zo dat niets kan gebeuren op een andere wijze dan Hij van tevoren heeft bepaald. Voor de visie dat alle daden aan God toegeschreven moeten worden, maar de zonde erin aan de mens, beroept Traheronus zich opAugustinus. Ook refereert hij aan het gezegde90 dat op een of andere wonderlijke en onuitsprekelijke manier dat niet plaatsvindt zonder Zijn wil, wat gedaan wordt tegen Zijn wil. Wie niet met Calvijn wil zeggen dat God de zondeval naar Zijn eigen believen heeft beschikt, ontneemt God beslist geheel Zijn voorzienigheid en wijsheid. Traheronus is zo overtuigd van de duidelijkheid van de Schrift op dit punt, dat hij niet kan geloven dat Bullinger lang een mening zou kunnen aanhangen die van zichzelf wankelt.91 Een ongedateerde brief van Traheronus aan Calvijn is interessant vanwege het woordgebruik. De totale afhankelijkheid van alle dingen van de wil van God wordt sterk benadrukt. Traheronus leert bij ondervinding dat dit waar is. Hij omschrijft het als: ‘Zoals ik het zie, moeten we gaan waarheen het lot ons leidt.’92 Hoe deze woorden, ‘fata trahunt’, ook precies opgevat moeten worden93, de deterministische connotatie ervan staat hier mijns inziens op behoorlijke afstand van Bullingers nadruk op het gebruik van de middelen en de verantwoordelijkheid van de mens.

Korte evaluatie

Bullinger heeft grote waardering voor Calvijn in diens ijver voor het sola gratia.94 Het gaat volgens hem bij Calvijn echter op een bepaald punt verkeerd, en dat blijkt het moment te zijn waarop hijzelf absoluut asymmetrisch gaat spreken over verkiezing en verwerping. Calvijns spreken over Gods actieve aandeel in het tot stand brengen van zonde en verdoemenis is naar Bullingers overtuiging niet in overeenstemming met het Schriftgetuigenis van Gods onvoorwaardelijke goedheid jegens allen zonder onderscheid. God wil niet dat sommigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. Niets mag er gezegd worden dat aan deze waarheid afbreuk kan doen. Laat staan dat gezegd wordt dat God de zondeval heeft gewild, mensen verblindt en verhardt enzovoort! Hier doelt Bullinger uiteraard op de consequenties die ook Calvijn getrokken heeft uit zijn weigering om over een ‘permissie’ door God te spreken. Bullinger zelf legt alle nadruk op Gods goedheid en de onvoorwaardelijke prediking van het Evangelie aan allen zonder onderscheid. Als iemand desondanks ongelovig blijft, is dat volledig zijn eigen schuld en wordt hij vanwege zijn zonde, ongeloof en verwerping van het Evangelie door God rechtvaardig verworpen.
Bullinger is in zijn antwoord in expliciete zin beknopt in zijn uitspraken over Calvijns opvattingen. Hij spreekt bijvoorbeeld niet uit dat hij van mening is dat Calvijn, hoewel die dit zelf ontkent, God tot auteur der zonde maakt. In zijn voorzichtigheid laat Bullinger het aan Traheronus c.s. zelf over om hun conclusies te trekken. En eenieder die zoals Traheronus c.s. Calvijns geschriften kent, heeft wel door wanneer Bullinger, ook zonder Calvijn met name te noemen, impliciet diens positie bestrijdt.
Het valt op dat Bullinger zich voortdurend beroept op de kerkvaders. Hij is ervan overtuigd met zijn visie in een goede, zeer oude traditie te staan, en ook dat Calvijn daarvan afwijkt. Ten aanzien van het sola gratia, Gods soevereine verkiezing en het geloof als gave van God weet Bullinger zich mét Calvijn én de kerkvaders verbonden, gebonden aan het duidelijke getuigenis van de Schrift. Het geloof is onlosmakelijk verbonden aan de verkiezing, maar nimmer voorwaarde daarvoor. Op het geloof, als vrucht van Gods genadige verkiezing in Christus, waartoe het bevel en de belofte in de prediking van het Evangelie aan allen zonder onderscheid te horen is, moet eenieder zich richten. Niet Gods geheime raadsbesluit van eeuwigheid, maar Christus wordt eenieder aangeboden in het Evangelie. Hij moet in geloof aanvaard worden, en wie zo gelooft, die is ook uitverkoren. Pas dan, achteraf, komt de uitverkiezing voor de mens in het vizier. En de verwerping is al helemaal geen zaak die de nadruk moet krijgen. De verwerping hoort bij het ongeloof en de volharding daarin. Zolang de beloften van het Evangelie ons worden aangeboden, God alle dorstigen toeroept om van het levende Water te drinken, zolang mag men niet denken een verworpene te zijn. De verwerping is een scherpe waarschuwing, én ook een van eeuwigheid in Gods raadsbesluiten opgenomen realiteit, voor ieder die willens en wetens in zonde en ongeloof volhardt. Nooit echter mag de leer der verwerping misbruikt worden om daar de consequenties uit te trekken zoals Calvijn heeft gedaan. Bullingers pastorale interesse én zijn nadruk op Gods goedheid en integriteit komen duidelijk naar voren als hij wijst op de gevolgen van een zijns inziens verkeerde predestinatieleer: haat jegens God, wanhoop, blasfemie en de voorstelling van God als een hypocriet die een spelletje speelt met de verworpenen. Uiteraard weet Bullinger dat Calvijn hier beslist niet op uit is en het verwijt dat deze gevolgen logischerwijze voortvloeien uit zijn predestinatieleer resoluut van de hand wijst. Calvijn heeft Bullinger op dit punt echter nooit kunnen overtuigen.

Wat Melanchthon betreft: Het is op grond van deze briefwisseling waarschijnlijk dat Traheronus c.s. gemeend hebben dat Melanchthon er een synergistische opvatting ten aanzien van geloof en predestinatie op na hield. Bullinger distantieert zich juist van de Melanchthon die in 1521 nog een ‘onwrikbaar noodlot’ leerde. Mede doordat Melanchthon zijn visie voortdurend heeft bijgesteld, wat het moeilijk maakt om zijn positie helder te bepalen, lijkt Bullinger van mening te zijn verder over Melanchthon te kunnen zwijgen. Hij doet geen moeite om Melanchthon, met wie hij toch een goede relatie had, (expliciet) te verdedigen. We kunnen ons afvragen of hij dit uit tactische overwegingen doet, of dat bijvoorbeeld de visie van een Luthers protestant voor hem van veel minder belang was dan die van de gereformeerde Calvijn.
Voor ons blijft intussen de vraag wel hangen hoe Bullingers visie, die zoals gebleken is niet in synergistische zin geïnterpreteerd kan worden, zich verhoudt tot die van de Melanchthon van ná 1521. Is de positie van Melanchthon gelijk aan die van Bullinger? Of was de vrees van Traheronus gerechtvaardigd en week Melanchthon in fundamentele zin af van de reformatorische visie waarvan Calvijn én Bullinger ondanks alle verschillen met evenveel recht vertegenwoordigers genoemd kunnen worden? In het onderzoek naar de positie van Melanchthon dienen opmerkingen en waarderingen van tijdgenoten zoals in deze briefwisseling in ieder geval een plaats te krijgen en overwogen te worden. Wat betreft bijvoorbeeld Bullingers opvattingen ten aanzien van de providentie en daarin met name zijn onderscheiding in drie posities kan mijns inziens wel op overeenkomsten met Melanchthon gewezen worden. Als Melanchthon inzake de derde functie van de wet, als regel voor de gerechtvaardigden om naar te leven, de wil een van Gods genade afhankelijke plaats geeft95, vertoont dit grote overeenkomsten met Bullingers gedachten over het gebruik van de vrije wil door de wedergeborenen.

De briefwisseling tussen Traheronus en Bullinger werpt licht op diverse facetten van persoonlijke verhoudingen en contacten, overtuigingen en discussiepunten rond het midden van de 16e eeuw. In kort bestek hebben we tegelijk een helder overzicht van Bullingers visie op voorzienigheid en predestinatie. Gebonden aan de Schrift als norm, in continuïteit met de kerk van alle tijden en kritisch reflecterend op contemporaine visies, bepaalt Bullinger nauwgezet zijn eigen positie ten aanzien van providentie en predestinatie.


Noten
1 Vgl. voor eerdere studies over deze briefwisseling o.a. O.T. Hargrave, The doctrine of predestination in the English reformation, unpubl. diss. Vanderbilt University, Michigan 1966, 37- 42; W. Hollweg, Heinrich Bullingers Hausbuch. Eine Untersuchung über die Anfänge der reformierter Predigtliteratur, Neukirchen 1956, 299-304; P. Walser, Die Prädestination bei Heinrich Bullinger, Zürich 1957, 96-104 en 125-130, C.P. Venema, ‘Heinrich Bullinger’s Correspondence on Calvin’s Doctrine of Predestination, 1551-1553’, in: SCJ XVII, nr. 4, 1986, 435-450 en een uitwerking van dit artikel in C.P. Venema, Heinrich Bullinger and the doctrine of predestination: author of “the other reformed tradition”?, Grand Rapids 2002, 63- 69. Met name Venema geeft een zorgvuldige weergave van Bullingers predestinatieleer. Hij bestrijdt de opvatting dat deze substantieel verschilt van de gereformeerde traditie en met name van Calvijn. Dit artikel geeft een uitgebreidere weergave dan Venema van Bullingers brief aan Traheronus en bevestigt Venema’s weergave van Bullingers visie.

2 Walser, Prädestination, 95. Vgl. Th. Vetter, Englische Flüchtlinge in Zürich während der ersten Hälfte des 16. Jahrhunderts, Zürich 1893 en C. Pestalozzi, Heinrich Bullinger: Leben und ausgewählte Schriften. Leben und und ausgewählte Schriften der Väter und Begründer der reformirten Kirche, V. Theil, Elberfeld 1858, 256-258. Pestalozzi vermeldt o.a. dat Traheronus op aanraden van Bullinger een tijdlang (1537-1538) in Genève bij Calvijn en Farel is geweest. Hargrave, English reformation, 37, maakt er melding van dat Traheronus in 1546 nogmaals in Genève is geweest en daardoor toenemend onder Calvijns invloed kwam te staan. Het eerste wordt wel betwijfeld, maar dat hij onder de bekoring van Calvijn kwam niet; H.U. Bächtold, R. Henrich (Hg.), Heinrich Bullinger Briefwechsel, Bd. 7: Briefe des Jahres 1537, Zürich 1998, 290. Vgl. voor Traheronus’ opvattingen over predestinatie e.d. Hargrave’s dissertatie, 37-42. Uit de brieven van Traheronus aan Bullinger blijkt diens hartelijke genegenheid voor en dankbaarheid jegens Bullinger. Ook diens theologische overtuiging en invloed kunnen grotendeels op zijn instemming rekenen. Vgl. A. Mühling, Heinrich Bullingers europäische Kirchenpolitik (ZBRG 19), Bern 2001, 158-168, voor Bullingers betrekkingen met Engeland in de periode waarin onze briefwisseling valt. Bijv. 161: ‘Zugleich bat Bullinger den König (nl. in 1550 aan Edward VI, wadb) darum, sich für Traheron und Hooper zu verwenden. Behutsam spann Bullinger seine Fäden. Um die Zürcher Lehre werbend, suchte er zugleich seine Anhänger an kirchenpolitisch einflußreicher Stelle zu positionieren.’

3 Vgl. W. Matz, Der befreite Mensch. Die Willenslehre in der Theologie Philipp Melanchthons, Göttingen 2001.

4 Defensio sanae et orthodoxae doctrinae … adversus Alberti Pighii Campensis. Engelse editie: J. Calvin, The Bondage and Liberation of the Will. A Defence of the Orthodox Doctrine of Human Choice against Pighius, A.N.S. Lane (ed.), Grand Rapids 1996. Zie voor Calvijn en Pighius o.a. G. Melles, Albertus Pighius en zijn strijd met Calvijn over het liberum arbitrium, Kampen 1973. Ten onrechte meent Walser (Prädestination, 98) dat Traheronus in zijn brief aan Bullinger dit werk uit 1543 op het oog heeft en niet Calvijns De Aeterna Dei Praedestinatione uit 1552. Omdat Traheronus schrijft over een boek dat onlangs is verschenen en ook tegen Siculus is gericht, moet hij het boek uit 1552 hebben bedoeld.

5 I. Calvini, Opera Omnia, Scripta Ecclesiastica I, De Aeterna Dei Praedestinatione, ed. W.H. Neuser, Genève 1998, XVIII.

6 Siculus bestreed de predestinatieleer o.a. in zijn 1550 in Bologna gepubliceerde geschrift Epistola di Giorgio Siculo servo fidele di Jesu Christo alli cittadini di Riva di Trento contra il mendatio di Francesco Spiera et fasa dottrina de’ Protestanti. ‘Siculus vertritt die Ansicht, daß die aus der göttliche Gnade Wiedergeborenen, die an die Lehre des Neuen Testaments glauben, alle auserwählt sind. (...) wer an das Evangelium glaube, sei wiedergeboren und könne nicht verloren gehen. Eine Verhärtung oder Verstockung des Sünders gebe es nicht. Die Prädestinationslehre sei verdammenswert. Siculus argumentiert nicht vom Standpunkt der katholischen Theologie aus. Pighius und Siculus verbindet aber die Lehre eines Heilsuniversalismus.’W.H. Neuser in: Calvini, Praedestinatione, XVI.

7 Calvini, Praedestinatione, IX.

8 ‘Car renversant l’ordre de la Predestination ou election de Dieu, et la mettant apres la foy’. Geciteerd inW. van’t Spijker, Calvin. Biographie und Theologie, Göttingen 2001, 175.

9 Vgl. Venema, Author, 58: ‘Bolsec’s own position was essentially that of the Catholic church, a position that allowed a cooperation between man and God in the attainment of salvation.’

10 In een laatste brief aan Calvijn over deze kwestie zet Bullinger nogmaals zijn moeite met Calvijns positie uiteen (Venema, Author, 63): ‘That God not only foresaw but also predestined and dispensed the fall of Adam, this seems to be a manner of speaking about the origin of evil and the cause of sin which can be turned around so that God himself is the author. It seems harsh to me, to assert that as many as those whom God has created for mortal destruction, he, in order to attain his goal, has deprived of the facility to hear his word, and indeed blinds by the preaching, and that therefore the universal promises of God…pertain, strictly speaking, to only a few.’Vgl. Calvini, Praedestinatione, XVII: ‘In der Stellungnahme zur Reprobatio kam es daher zu einer gemeinsamen Front der genannten deutschschweizer Theologen und der katholischen Gegner Calvins. Sie verband – die sonst in entgegengesetzten Lagern standen – die Ablehnung der doppelten Prädestination, die Betonung der ‘bonitas dei’ und die Scheu, Gott könnte zum Urheber der Sünde gemacht werden.’

11 Vgl. Hargrave, English reformation, 39: ‘More than likely the reference is to the discussions then in progress in connection with the framing of the Edwardian Articles.’ Vgl. voor deze periode in Engeland bijv. D. MacCulloch, The later reformation in England 1547-1603, Basingstoke (etc.) 1990, 11-19 en Mühling, Kirchenpolitik, 158-168.

12 Hargrave, English reformation, 34vv. behandelt John Hooper. Hooper ‘interestingly enough owed as much to Philip Melanchthon for his views on predestination.’ In 1548 werd in Zürich een werk van hem uitgegeven dat inzake de predestinatie directe invloed toont van Melanchthons Loci van 1535. Als Hooper in 1549 in Engeland arriveert ‘he immediately became the leader of the most advanced party of the English reformers.’ Hargrave noemt het overigens onaannemelijk dat Traheronus’ brief aan Bullinger nog zou refereren aan zijn controverse met Hooper, 39. Vgl. voor Hoopers (en Bullingers) betrokkenheid bij de ‘Edwardian Controversy’ van 1550-1551 Mühling, Kirchenpolitik, 163-169.

13 Vgl. Venema, Author, 63v.

14 Vgl. Venema, Author, 76.

15 Vgl. Venema, Author, 67. Toch schrijft Traheronus 31.12.1548 nog aan Bullinger: ‘Cordially salute master Bibliander and the other dear brethren.’H. Robinson, Original letters relative to the English Reformation, written during the reigns of King Henry VIII, King Edward VI, and Queen Mary, chiefly from the archives of Zürich, Deel 2, New York 1968 (herdruk Cambridge 1846-1847), 323. Blijkbaar wist Traheronus goed onderscheid te maken tussen de persoon en diens overtuigingen.

16 Venema, Author, 78, n. 26. Zie voor het conflict Vermigli-Bibliander naast Venema, Author, 72-79 o.a. J.P. Donelly, Calvinism and Scholasticism in Vermigli’s Doctrine of Grace, Leiden 1976, 182v. en J. Staedtke, ‘Der Zürcher Prädestinationsstreit von 1560’, Zwingliana 9 (1953), 536-546.

17 Ook Hollweg, Hausbuch, 299 wijst op het verband tussen de kwestie-Bolsec, de daaruit voortvloeiende briefwisseling tussen Bullinger en Calvijn én de briefwisseling tussen Bullinger en Traheronus.

18 Vgl. Pestalozzi, Bullinger, 218-221.

19 Brief van Traheronus aan Bullinger van 10.9.1552, signatuur Zürich StA EII 369, 201 (geciteerd uit Joannis Calvini Opera quae supersunt omnia, deel 14, kolom 359-360, deel van: Corpus Reformatorum, ed. Baum, Cunitz, Reuss e.a., Brunsvigae (etc.) 1863-1900; hierna geciteerd als: CO): ‘Trahero Bullingero. Doctissimo atque optimo viro D. Henrico Bullingero fratri imprimis colendo. Vehementer cupio scire quid tu et caeteri doctissimi viri qui Tiguri agitis de praedestinatione et Dei providentia sentiatis. Si causam quaeris, sunt hic quidem qui apud vos aliquando egerunt, qui vos asserant nimium melanchthonidzein. Plurimi vero apud nos, in quorum numero me fateor esse, Ioannis Calvini sententiam ut perspicuam et sacris literis maxime consentaneam amplectuntur. Ac Deo quidem gratias maximas agimus quod nuper doctissimi et optimi viri Ioannis Calvini opusculum egregium contra Pighium et Georgium quendam. Siculum prodierit, eo tempore quo haec quaestio apud nos agitari coepit. Fatemur enim eum multum lucis attulisse, imo totum hoc negotium ita tractasse, ut nihil neque doctius neque dilucidius hactenus viderimus. Cupimus tamen scire quid vos sentiatis, quibus iure plurimum tribuimus. Speramus certe vos ab illius optima et doctissima sententia nihil dissentire. Saltem dignabimini exponere quid in eo libello vel probetis, vel desideretis, vel omnino reiiciatis, si tamen aliquid sitis reiecturi, quod non facile credimus. Londini 10. Sept. Tuus ex animo. Bar. Traheron.’

20 In de tekst van CO 14: 359 moet een correctuur aangebracht worden. Na ‘Georgium quendam’ wordt ten onrechte een punt geplaatst.

21 Brief van Bullinger aan Traheronus van 3.3.1553; origineel niet beschikbaar; kopie te Zürich: ZB Ms.A137, 38r.-49v., nr. 5. Geciteerd wordt uit CO 14: 480-490. In het verleden bestond er verwarring over de vraag wie de auteur van deze brief is: Vermigli of Bullinger. Venema, Author, 64, n. 26 maakt duidelijk dat de brief niet van Vermigli is. Uit de inhoud blijkt overigens duidelijk dat de brief een antwoord is op de brief van Traheronus, en die was onmiskenbaar voor Bullinger bestemd.

22 ‘Pauculis tamen meam sententiam adumbrabo, quod in editis a me libris copiosiora invenire liceat.’ CO 14: 480.

23 ‘In illa quaestione nullius unquam cuiusquam privati hominis opinioni accedere volui, quod viderem tantum in hac causa variatum quantum in nulla alia. Sequutus sum autem toto ministerii mei tempore sententiam in docendo, quam inde a tempore apostolorum fuisse in ecclesia sancta et orthodoxe conservatam video.’ CO 14: 480v.

24 ‘Et hanc quidem sententiam in libris meis proposui, quum Melanchthon in locis suis prioribus adhuc urgeret rigidum quasi fatum et adimeret homini liberum arbitrium.’ CO 14: 481. Aanvankelijk leek deze zin uiteenlopend vertaald te kunnen worden. Nauwkeurige afweging van de diverse opties leidde tot de hier voorgestelde vertaling en interpretatie. P. Opitz hielp mij aan de gekozen vertaling; waarvoor dank.Walser, Prädestination, 98, vertaalt deze zin als ‘Diese Meinung hat Bullinger in seinen Büchern ebenso vorgetragen wie Melanchthon in seinen früheren Grundbegriffen sie bis dahin eifrig betrieb und als Tatsache festhielt, als er dem Menschen den freien Willen absprach.’ Op grond van de hierop volgende zin (zie noot 25; in Walsers vertaling: ‘Indessen hat er seine Grundbegriffe geändert, bearbeitet und zurückgezogen, so dass man nicht daran denken darf’) trekt hij nog wel de conclusie: ‘So distanziert sich Bullinger von Melanchthon.’VolgensWalser zou Bullinger zich dus aansluiten bij de visie die Melanchthon in zijn Loci van 1521 nog aanhing –een visie die de mens zijn vrije wil ontneemt–, maar nu Melanchthon op dit punt is veranderd, is die overeenkomst er niet meer. Hij komt dus tot een tegengestelde conclusie! Aanvankelijk was ik van mening dat Bullinger hier Melanchthon beschreef als ‘bestrijder’ (‘urgeret’ opgevat als ‘bestrijden’ en relatief t.o.v. ‘hanc sententiam’, nl. van Bullinger) van een onwrikbaar noodlot en verdediger van de vrije wil, om veel afstand te creëren tussen zijn eigen visie en die van Melanchthon. In de context van een antwoord aan de bezorgde Calvinist Traheronus zou dit heel goed passen: Als Melanchthon Bullingers visie bestrijdt als onwrikbaar noodlot, hoeft Traheronus niet bang te zijn dat Bullinger te veel melanchthoniseert. Taalkundig bleken aan deze optie echter haken en ogen te zitten, terwijl dat met Opitz’ voorstel niet het geval is.

25 ‘Toties enim locos illos suos mutavit, tractavit et retractavit ut meminisse non liceat.’ CO 14: 481.

26 ‘Providentia Dei ea est in Deo conservatio gubernatioque qua curam gerit creaturarum suarum omnium.’ CO 14: 481.

27 ‘Nec modicus fructus enascitur ex hac divinae providentiae consideratione.’ CO 14: 481.

28 ‘Praeterea ne nimium tribuamus mediis, Deo utpote prima causa praeterito: ne nobis attribuamus quod divini muneris est.’ CO 14: 481.

29 ‘Atque adeo omnia quae fiunt in vita hominum, occasionem nobis obiiciunt agnoscendi opera eius, laudandi maiestatem eius et gratias agendi pro beneficiis, deprecandi mala, quae agnoscimus Deum nobis iusto inferre iudicio.’ CO 14: 481.

30 ‘Si omnia operatur Deus in omnibus, certe nihil relinquitur hominibus quod agant, et ita tollitur omnis conatus et labor. Posterius: si omnia operatur Deus in hominibus, ergo et peccata (…) autore Deo fiunt, unde et Deus causa et autor mali constituitur.’ CO 14: 481.

31 ‘Omnia enim agit Deus sed per media, licet his non sit alligatus.’ CO 14: 481.

32 ‘Ideo tamen non sequitur inutilia esse media et aspernanda hominibus. Nam fere his utitur Deus, non quod aliter non possit, sed quod sic conducat et utile sit hominibus.’ CO 14: 481v.

33 ‘Etenim providentia Dei ordinem rerum non turbat (…), sed per illa operatur quae vult in hominibus fieri.’ CO 14: 482.

34 ‘Vicit hostes David (…) id est, Deus dedit victoriam per Davidem.’ CO 14: 482. Vgl. idem: ‘(…) proprie tamen loquendo omnes dicimus illa fieri a Deo per (…) [media].’

35 ‘Non ignoravit David divina providentia totam suam vitam gubernari: non ideo tamen factus est deses, sed fugit Saulem (…).’ CO 14: 482.

36 ‘Etenim in consideratione divinae providentiae sancti perpetuo inspiciunt verbum Dei, quid iubeat, quid prohibeat. Hoc enim maxime continetur in divina providentia. Proinde qui sibi vult consultum dispiciat diligenter quem ordinem verbo suo Deus adumbraverit, quid scripserit, et qua via ambulandum praeceperit, ea incedat, nec separet Dei praecepta ac verba a divina providentia.’ CO 14: 482.

37 Vgl.Walser, Prädestination, 99v.

38 ‘Sed prava est haec doctrina. Deus enim fons est omnis boni et malum non facit, nec in malum destinat vel impellit; alioqui quomodo iustus Deus iudicaret orbem?’ CO 14: 482.

39 ‘Dicimus ergo: Deum quaedam operari per homines ut eis ceu causis secundis utatur, utpote Deo cooperantibus, Deo autem ipsum opus potissimum sustinente, ut quum apostolus ait: Deus agit in vobis ut velitis et afficiatis, pro bono animi proposito. En agit vel operatur Deus, sed in nobis non extra nos aut sine nobis. Cooperamur ergo Deo hoc ipso vim et volendi et operandi nobis inserente pro sua in nos voluntate propensa. Nam sine illo nihil boni possumus, per quem omnia sanctorum bona opera facta sunt.’ CO 14: 482.

40 ‘Deus igitur operatur per nos in ministerio, et nos operamur per eius gratiam.’ CO 14: 483.

41 ‘Quaedam vero opera hominum operatur Deus ut prima utique causa, sine qua et contra cuius voluntatem nihil potest exsistere, ut ipsius interim operis partes maxime sint secundarum causarum, Deo autem nihil relinquatur nisi permissio.’ CO 14: 483.

42 ‘Proinde causae secundae, ut diabolus et homo corruptus, peccata sive mala faciunt maxime: Deus autem illa permittit, non facit, purissimus ab omni peccato et peccati suspicione.’CO 14: 483.

43 ‘Permissio non est operatio: si ergo Deus peccatum non facit sed permittit, certe non omnia operatur Deus.’ CO 14: 483.

44 ‘Deum omnia ea operari quae naturae eius sunt convenientia. Peccata is non vult, nec in peccata impellit, quia naturae eius sunt contraria.’ CO 14: 483.

45 ‘Peccata ergo non operatur, permittit autem fieri. Permissio illa est in divina providentia et non separata ab illa.’ CO 14: 483.

46 ‘Eadem est certis a Deo terminis circumscripta, ut non tantum possit Satan quantum vult. Neque tantum possunt homines quantum volunt, sed quantum permiserit Deus. (…) Sic autem loquitur [i.e. Iob], non quod sentiret Deum inspirasse caedes, sed quod ipso permittente diabolus inspiraverat, et quoniam hic manum suam retraxerat Deus, ideo Deo tribuit opus quod revera fuit cacodaemonis et sanguinariorum hominum proprium, propter quod Deus ipsos iuste puniebat, quibus et iuste irascebatur propter illud factum.’ CO 14: 483.

47 ‘Permissio illa comprehensa est in providentia.’ CO 14: 483.

48 Vgl. voor Calvijns positie bijv. J. Calvin, Institutes of the Christian Religion I, (J.T. McNeill, ed.), I, XVIII, 3. Vgl. o.a. G. den Hartogh, Voorzienigheid in donker licht. Herkomst en gebruik van het begrip ‘providentia dei’ in de reformatorische theologie, in het bijzonder bij Zacharias Ursinus, Heerenveen 1999, 259v. Calvijn verweert zich tegen de beschuldiging dat hij door zijn ontkenning van de toelating God tot auteur der zonde maakt o.a. met een beroep op de beperktheid van het menselijk inzicht, het onderscheid tussen verwijderde (remota) en nabije (propinqua) oorzaken (vgl. bijv. Calvini, Praedestinatione, 22 en 6v.) en het onderscheid tussen noodzakelijk en gedwongen (vgl. bijv. Calvin, Bondage, 69v.).

49 ‘Caeterum ipse fecisse videtur qui non prohibuit quod prohibere potuit.’ CO 14: 483.

50 ‘Quum enim iustus sit Deus nihil certe facit contra iustitiam: quum pater sit nihil alienum a paterno affectu agit.’ CO 14: 483.

51 ‘Atqui abhorrent quidam a permissionis vocabulo veluti alieno a scriptures: quod sane mirum est, quum certum sit ea voce in hoc negotio explicando et scripturam ipsam et omnes doctores ecclesiae a temporibus apostolorum usos esse.’ CO 14: 484.

52 ‘Petulantia ergo, non religione, duceremur si pergeremus contemnere modos et rationes explicandi scripturas non alienas a scripturis et usurpatas iam inde a Christi praedicatione. Non debemus igitur nostris inventis tantum tribuere, et nostra non debent ita nobis placere ut fastidiamus spiritus sancti modos et rationes explicandi.’ CO 14: 484.

53 ‘(…) omnem mali causam et originem derivari a (…) hominis libera voluntate (…).’ CO 14: 484.

54 ‘Necessitatem (…) et fatum inevitabile damnatum esse iam inde ab apostolorum saeculo (…).’ CO 14: 484v.

55 ‘Liberum arbitrium hominis consideratur secundum triplicem eius statum, videlicet qualis fuerit ante lapsum, qualis post lapsum homine nondum renato, et qualis homine renato.’ CO 14: 485.

56 ‘Ante lapsum hominem, parentem inquam nostrum, perfectissimum fuisse et per omnia liberi arbitrii, scriptura diserte dicit Genes. 1 et 2. Ecclesiast. 15. Necessarium autem est hoc diserte fateri. Nisi enim hic intelligamus probe, Adamum a Deo bonum et liberum esse conditum, aberrabimus postea in causis bonorum et malorum et Deo impingemus quod pugnet cum ipsius natura.’ CO 14: 485.

57 ‘Post lapsum homini intellectus et voluntas non sunt sublata, ut fuerit mutatus in lapidem vel bestiam homo, sed intellectus obscuratus est adeo ut nihil divini intelligat porro ex viribus suis, sicuti intelligere conveniebat.’ CO 14: 485.

58 ‘Ex libera autem voluntate facta est prorsus serva voluntas, ut homo iam non tantum sit ad peccandum proclivis, sed obnoxius peccato et venditus sub peccatum. Rom. 7 et 8. Et hac quidem parte homo non est liberi arbitrii.’ CO 14: 485.

59 ‘Et omnino rursus est liberi arbitrii. Quod enim malum et peccatum attinet, homo non coactus sed sua sponte et natura peccatum operatur. Non enim cogitur homo ad peccatum. Nam corruptio ex semet ipsa ultro corruptionem operatur.’ CO 14: 485.

60 ‘Corrupta mens corruptelam obiicit, voluntas corruptionis cupida cupide eligit et persequitur corruptionem. Et ita ex homine procedunt omnes errores et omnia peccata, ut nihil necesse sit haec ad Deum impulsorem referre.’ CO 14: 485.

61 ‘Quantum vero attinet ad bonum, ad fidem, ad virtutes et bona opera, non recte iudicat de his intellectus, nec bonum sed malum potius (…) eligit et sequitur voluntas: unde nullum est homini liberum arbitrium ad bonum, homini inquam nondum renato.’ CO 14: 485.

62 ‘In rebus autem spiritualibus ne cogitare quidem bonum ex nobis ipsis possumus.’ CO 14: 486.

63 ‘Porro regeneratus homo est liberi arbitrii, non naturae vi sed gratiae divinae virtute.’ CO 14: 486.

64 ‘Nam per spiritum Dei potest intelligere, adde et eligere, denique facere bonum. Nisi enim hoc confiteamur, negabimus libertatem filiorum Dei et rursus inducemus servitutem plus quam legalem.’ CO 14: 486. Ter adstructie van deze stelling citeert Bullinger enkele teksten: Joh. 8,36 en 15,5b; Phil. 1,29 en 2,13; 2 Cor. 3,5 en 17.

65 ‘Licet enim spiritu Dei agentes agant et Deo omnis merito debeator gloria, operamur tamen, non patimur operationem duntaxat, adeoque et cooperamur eiusdem gratia idonei facti et confirmati.’ CO 14: 486.

66 ‘Manichaei laborarunt hoc errore ut hominem spoliarent omni actione quoad voluntatem utique, ideoque et in truncum veluti lapidemque mutarent. At Paulus (…). Congruit cum scripturis B. Augustinus.’ CO 14: 486.

67 ‘Interim non dissimulare oportet liberum arbitrium in renatis infirmitatem quoque suam retinere. Nam non semper illud ipsum evenit quod statueramus, sed fere contrarium. (…) Maxime vero quum in nobis peccatum habitet et contra spiritum pugnet, liberi non libere et expedite perficiunt quod peficiendum intelligunt, et quum perficiunt, non ita plene ut decebat perficiunt.’ CO 14: 486.

68 ‘Interim quum vires carnis in renatis non sint tam potentes ut spiritum exstinguant, est in renatis libertas. Neque coguntur bene facere, sed sponte per gratiam spiritus Dei bonum faciunt.’ CO 14: 486.

69 ‘Haec simpliciter sentimus de libero arbitrio, nec approbamus eos qui vel Manichaeos vel Pelagianos sequuntur, de quibus legere poteris Augustinum (…). Nec sic defendamus gratiam, inquit, ut liberum arbitrium auferre videamur, nec rursus liberum arbitrium asseramus ut superba impietate ingrati Dei gratiae iudicemur.’ CO 14: 486v.

70 ‘Atque utinam huic regulae orthodoxae hodie docti omnes accederent: plus certe pacis esset et minus litium atque iniuriarum et disputationum supervacanearum. Breviter, non aliter unquam docuit ecclesia ab initio de hoc negotio.’ CO 14: 487. Vervolgens bewijst Bullinger nogmaals de katholiciteit van zijn overtuiging door te verwijzen naar werken van Irenaeus, Hieronymus en Augustinus.

71 ‘Porro praedestinatio, praeordinatio aut praefinitio illa Dei ordinatio est qua ab aeterno in certum finem omnia, inprimis autem hominem omnium dominum destinavit, idque sancto et iusto suo consilio, iudicio decretove.’ CO 14: 487. Hollweg, Hausbuch, 303 vraagt zich m.i. terecht af welk onderscheid hier nog tussen predestinatie en algemene voorzienigheid bestaat. Ik meen dat binnen de context van deze brief het onderscheid gelegen is in de accenten die gelegd worden: bij de providentia meer nadruk op het proces en het geheel van alle dingen; bij de predestinatie meer accent op de eindbestemming en de mens.

72 ‘Iam et electio Dei ab aeterno est qua quidem alios ad vitam elegit, alios ad interitum.’ CO 14: 487.

73 ‘Electionis et praedestinationis causa non est alia quam bona et iusta Dei voluntas indebite salvantis electos, debite autem damnantis et reiicientis reprobos.’ CO 14: 487.

74 ‘Elegit ergo Deus ab aeterno quos voluit.’ CO 14: 487.

75 ‘Voluit autem secundum decretum et propositum Dei credentes. Et hi quidem ad mortem et interitum, illi ad vitam et salutem praedestinati sunt. Interim fidem ceu opus nostrum non constituimus causam electionis aut praedestinationis, quasi propter fidem quam in nobis praevidit Deus nos elegerit: sed gratiae Dei tribuimus electionem et salutem, cuius quidem gratiae Dei donum est et fides in Christum. Etenim Paulus non dicit Deum elegisse nos quod credituri eramus, sed ut crederemus.’ CO 14: 487. Voor een beoordeling van de vraag of de remonstranten zich later terecht op Bullinger hebben beroepen, zijn uitspraken als deze, over de volgorde van verkiezing en geloof, van groot belang. Nog P. Opitz, Heinrich Bullinger als Theologe. Eine Studie zu den ‘Dekaden’, Zürich 2004, schrijft: ‘Die spätere Berufung der Remonstranten und Amyrauts auf Bullinger ist zweifellos nicht ohne gewisse Berechtigung.’ (181, n. 120). Venema heeft echter sterke argumenten aangevoerd tegen de stelling dat Bullinger een proto- Arminiaan zou zijn. Vgl. zijn Heinrich Bullinger, vooral 101-120.

76 ‘Rursus tamen fides simul inclusa est Dei decreto. Quum enim certum sit Deum ab aeterno nos adoptavisse in filios per Christum, eaque adoptio ab electis fide recipiatur (…), indubitatum est electos esse credentes: electos quidem non propter meritum quasi proprium fidei, sed propter divinam dispensationem et salutis verae ordinem, quo Deus ipse non alios quam credentes pro filiis agnoscit adoptionemque per fidem nobis communicat, quam et fide sola recipimus. Nisi enim hoc concedamus doctrinam fidei in universum e medio sustulimus.’ CO 14: 487v.

77 ‘Damnamus hic Vitalis errorem, dicentis unumquemque posse evangelio sibi praedicato per liberum arbitrium credere vel non credere. (...) Dicimus ergo omnes credentes esse electos et omnes credentes fide esse donatos a Deo. Dicimus non credentes esse reprobos, et quoniam non omnes homines credunt non omnes homines esse electos.’ CO 14: 488.

78 ‘Quod autem non credunt et intereunt quidam, non in Deum aut praedestinationem eius culpam reiicimus, sed in ipsum hominem gratiam Dei repellentem nec coelestia dona recipientem.’ CO 14: 488. Bullinger citeert als bewijs Matth. 13,12.

79 ‘Culpa ergo non reiicienda est in Deum eiusque praedestinationem vel impellentem vel retinentem in perfidia, sed in pravam voluntatem nolentium.’ CO 14: 488.

80 ‘Ergone in homine, inquis, facultas est qua recipiat vel repellat verbum Dei? Utique est in homine nativa corruptio quae repellit verbum Dei. Si autem verbum Dei recipit homo, id est illuminantis gratiae.’ CO 14: 488.

81 ‘Haec quum ita habeant non soleo ego quorundam more docere, Deum quosdam ita repulisse ut etiam nunc eos induret ne veritati credant, pauculis illum fidei donum concedere. Quin potius urgemus universales illas promissiones et omnes iubemus bene sperare.’ CO 14: 488.

82 ‘Praedestinationem quidem ab aeterno in arcano Dei consilio conclusam tandem nobis per prophetas, inprimis autem per Christum et apostolos esse revelatam, quod videlicet Deus sit amator hominum, quod hominibus bene velit, quod omnes in Christum credentes elegerit ad vitam, adeoque quod omnes homines velit salvos fieri. Unde evangelium praecepit praedicari omni creaturae.’ CO 14: 488v.

83 CO 14: 489. Hij noemt Jes. 53,6; 55,1; Joh. 7; Matth. 7,8; Luk. 11,10; Matth. 18,14; Luk. 15,3-7.

84 ‘Item Ioann. 3 et 6 disertis verbis exprimitur quod omnium credentium sit salus, id est, quod omnes credentes sint praeordinati ad vitam aeternam.’ CO 14: 489.

85 CO 14: 489. Bullinger citeert de volgende teksten: Hand. 10,34v.; 2 Petrus 3,9; Rom. 3,22v.; 2 Cor. 5,14v.

86 ‘Haec, inquam, urgenda censeo in ecclesia ne scrupulosius disputantes de occultis Dei iudiciis, de praedestinatione et electione Dei, scrupulos animis simplicium pariter et exercitatorum iniiciamus, quos deinde nunquam rursus esimere queamus: unde mox sequatur odium Dei, desperatio et blasphemia, quasi Deus omnes advocans et dona sua omnibus offerens nonnisi pauculis ea dare adeoque et ludere et alios inanes dimittere velit. Quare et in periculum veniet divina promissio et veritas. Sic ergo soleo, sicuti exposui, moderate nimirum, religiose et orthodoxe docere de praedestinatione.’ CO 14: 489.

87 ‘Voldoende uitvoerig, meen ik, en zeker uitvoeriger dan ik mijzelf in het begin had voorgesteld, heb ik, zeer geëerde vriend, mijn mening uiteengezet, wat ik gevoel aangaande de kwestie die mij door u is voorgelegd. Als het een goed antwoord is, danken we de Heere daarvoor. Als iets in mijn antwoord u verkeerd of duister toeschijnt: ik wordt graag onderwezen! Om u, mijn beste vriend, van dienst te zijn, heb ik dit immers opgeschreven!’ ‘Tu me ama, vive et vale.’ CO 14: 489.

88 ‘Quod Calvinus, frater noster in Domino honorandus, modis omnibus conatur asserere gratiae divinae puritatem, quis vituperaret institutum viri sanctum?’ CO 14: 489. Vgl. CO 14: 490: ‘Quis autem infitias ierit Calvinum magnis a Deo ornatum esse muneribus?’

89 ‘Quod idem suis alicubi inserit, Deum non modo primi hominis casum et in eo posterorum ruinam praevidisse, sed arbitrio quoque suo dispensasse: item, quos in exitium creavit ut irae suae organa fierent, eos ut in finem suum perveniant nunc audiendi verbis ui facultate privare, nunc eius praedicatione magis excaecare et obstupefacere etc.: quis non videat ea eo modo esse proposita ut veteres ea minime agnovissant? Ego certe sic loqui non ausim, utpote qui existimem gratiae divinae sinceritatem defendi posse, utcunque non dicamus Deum hominem creare in exitium et in illum finem ipsum deducere aut impellere indurando aut excaecando.’ CO 14: 489v.

90 Vgl. Calvin, Institutes, I, XVIII, 3 (235).

91 Brief van Traheronus aan Bullinger van 3.6.1553, signatuur Zürich StA E II 375, 732 (CO 14: 550v.).

92 ‘Sed, ut video, quo fata trahunt nobis eundum est.’ Brief van Traheronus aan Calvijn, CO 20: 366.

93 Ze zijn bekend uit de Aeneis (V, 709) van Vergilius. Petrus Dasypodius’ Dictionarium Latinogermanicum (Antwerpen 1542) geeft als vertaling voor ‘quo fata trahunt’: ‘wahin Gots will treybt’.

94 Ook Augustinus heeft volgens Bullinger in zijn ijver en in het heetst van de strijd met de Pelagianen wel eens te harde uitspraken gedaan: ‘Urserunt Pelagiani graviter Augustinum, ita ut in hac causa se gravissime torserit et duriuscule nonnulla scribere videatur in libris (…).’ CO 14: 490.

95 Vgl. Matz, Der befreite Mensch, passim.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 2005

Theologia Reformata | 108 Pagina's

Bullingers briefwisseling met Traheronus over providentie en predestinatie

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 2005

Theologia Reformata | 108 Pagina's

PDF Bekijken