Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het liefdeslied uit Heidelberg

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het liefdeslied uit Heidelberg

13 minuten leestijd

Vraag 1: Wat is uw enige troost, zowel in leven als in sterven? Antwoord: Dat ik met lichaam en ziel, zowel in leven als in sterven, niet van mijzelf, maar het eigendom ben van mijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus. Met zijn kostbaar bloed heeft Hij voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle heerschappij van de duivel verlost. Hij bewaart mij zo, dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd kan vallen, ja ook dat alle dingen mij tot mijn zaligheid moeten dienen. Daarom verzekert Hij mij ook door zijn Heilige Geest van het eeuwige leven en maakt mij van harte gewillig en bereid om voortaan Hem toegewijd te leven.

De vaste rots

Aan het eind van de Bergrede vertelt Jezus de gelijkenis van de twee huizen (Matth. 7). Het ene huis is gebouwd op een rots. Het blijft staan wanneer kolkend water en stormen er in de winter tegenaan slaan. Het heeft een fundament. Het andere huis is gebouwd op zand. Het stort in wanneer het door de elementen van de natuur wordt overvallen. Het heeft geen fundament. Het huis is een metafoor voor ons leven. Ons leven heeft een fundament nodig. Het fundament beslist of ons levenshuis blijft staan of instort in de crisis. Jezus bedoelt met het fundament van de rots de woorden die Hij in de Bergrede sprak. Woorden die in Zijn leven daden waren. Zijn woorden en daden vormen een rots, omdat Hij zelf de Rots is, in Wie ons levenshuis een fundament heeft in de crisis. De crisis van de slagen die er in ons leven komen. Ook de crisis van het oordeel van God over ons leven.
In zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus wordt ons kwetsbare leven geplaatst op de Rots Jezus Christus. De identiteit van het christelijk geloof is dat we vertrouwen op Christus als het enige betrouwbare Fundament. Zeldzaam mooi wordt deze identiteit beleden en bezongen in de eerste vraag en antwoord van zondag 1. Het is het liefdeslied over de enige troost. Inderdaad, zeldzaam mooi. Maar ook geladen met een enorme spanning. Het gaat om niets minder dan om dood of leven, verloren gaan of behouden worden, hel of hemel.

Van mezelf zijn

Op de kortst mogelijke formule gebracht gaat het in zondag1 er om, dat ik niet van mezelf ben, maar van Jezus Christus. Hier voelen we de spanning zinderen. Het ene is de dood, het andere het leven, het ene het verloren gaan, het andere het behouden worden, het ene de hel, het andere de hemel. Dichter naast elkaar heb ik die twee niet gezien. Ik focus nu eerst op het eerste, het bedrieglijke fundament om van mezelf te zijn. Het gaat hier om een bittere werkelijkheid, de werkelijkheid van mijn leven sinds Genesis 3. Toen heb ik me losgemaakt van God en ben ik voor eigen rekening gaan leven. Het gaat hier om het ik-gerichte leven in ontelbare varianten. Het is het leven van Kaïn, van Lamech, van Saul, van Nabal, van Nebukadnezar, van Herodus, van Paulus vóór zijn bekering en van zoveel andere personen in de Bijbel. Het is het leven van de autonome mens, die zijn levenshuis bouwt op zelfbeschikkingsrecht. Ik ben baas in eigen huis. Ik en niemand anders. Ik bepaal welke normen en waarden ik er op na houd. Ik bepaal zelfs of ik er normen of waarden op na wil houden. Ik ben vrij, aan niets en niemand gebonden. Maar is deze vrijheid vrijheid? Deze vrijheid is niets dan schijnvrijheid. In werkelijkheid ben ik een slaaf van me zelf. Nu eens komt dat tot uiting in de vorm van haat (Kaïn), dan weer van hoogmoed (Nebukadnezer), dan weer van angst (Herodus). Het is ook het leven van het ‘incurvatus se’, het in zichzelf gekeerd zijn (Luther). Gevangen in de cel van mijn eigen gedachten en gevoelens. Wie zegt: ik ben van mezelf, is in wezen helemaal niet van zichzelf. Die is een slaaf van de duivel.

Van Jezus Christus zijn

Maar dan is daar ineens Gods regenboog omdat de zon schijnt in de dreigende wolken. Mijn leven staat niet op dit bedrieglijke zand, maar op een rots, de Rots, Christus. God plaatst mijn leven in een nieuwe werkelijkheid. Hij breekt de boeien van mijn slavernij. Ik ben niet van mezelf, maar ik ben Jezus Christus. Dat is de kern in het liefdeslied van zondag 1. Sola fide, alleen door het geloof. Ik ben zó van Hem, dat wat van Hem geldt ook van mij geldt. Wat dat allemaal betekent? De catechismus stalt de overstelpende zegeningen van Gods genade uit, één voor één. Christus heeft met Zijn bloed voor al mijn zonden volkomen betaald. Hij heeft mij uit alle heerschappij van de duivel verlost. Hij bewaart mij zó, dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan. Zó zelfs, dat alle dingen die gebeuren tot mijn zaligheid moeten dienen. Hij verzekert mij door Zijn Geest van het eeuwige leven. Hij ontsteekt het verlangen om voor Hem te leven. In één woord: Hij is mijn Bevrijder! Mijn alomvattende Bevrijder, naar lichaam en ziel, in leven en sterven. Wat is dat hoog. Het is me te hoog. Ik kan er niet bij. Ik kan het alleen maar stamelend belijden en bezingen. Het is het gouden lied dat Paulus zong in Rom. 14:8: hetzij dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren. Het is de generale repetitie van het lied dat we zullen zingen voor de troon van het Lam: Gij hebt ons Gode gekocht met uw bloed (Op. 5:9).

Christologisch

De Heidelbergse Catechismus kent een uniek begin. Calvijn begint zijn catechismus met de vraag naar de bestemming van het leven van de mens. Het antwoord is: dat wij God kennen. De Westminster Catechism begint met te vragen naar het voornaamste en hoogste doel van het leven van de mens. Het antwoord is: het verheerlijken van God en het genieten van Hem. De catechismus van Heidelberg vraagt naar de enige troost van een christen. Het antwoord is: mijn troost is: ik ben van Christus. Veel Lutherse catechismi uit de tijd van ons leerboek beginnen met de vraag: wie ben je? Het antwoord luidt: ik ben gedoopt. Dat is mijn identiteit. Anders dan deze Lutherse en gereformeerde leerboeken zegt de Heidelbergse Catechismus: mijn identiteit is dat ik een getroost mens ben en mijn troost is dat ik van Christus ben. De catechismus valt hiermee met de deur in huis (Miskotte). Er is geen toeleidende weg, die ons na slopende tochten meeneemt naar de troost. Er wordt van meet af aan kleur bekend. Er is geen benepen vraag: ben je wel getroost? Nee, de vlinder van de nieuwe werkelijkheid staat daar ineens ontroerend te stralen in het zonlicht. Hoe kan dat? De kerkorde van de Pfalz, ingevoerd vlak na de verschijning van de catechismus (1563), geeft het antwoord. Deze kerkorde is een geloofsbelijdenis. Ze begint met de prediking en de doop. De doop is de bezegeling van Gods verbond. Over het kind dat gedoopt wordt, worden de beloften van de drie-enige God uitgesproken. De kern van die beloften is de verzoening door Christus, waarheen het water wijst. Gegarandeerd. De voorganger en de gemeente danken: ‘Allmechtiger barmhertziger Gott und Vatter/ wir sagen dir lob und danck/ daß du uns unnd unsern kindern durch das blut deines lieben Sons Jesu Christi alle unsere sünden verzigen/ unnd uns durch deinen heiligen Geist zu gliedern deines eingebornen Sons/ und also zu deinen kindern angenommen hast/ und diß alles uns mit dem heiligen Tauff versiglet unnd bekrefftiget.’
Het is dit Evangelie dat het kind - in zichzelf door de wet veroordeeld, maar door Christus gered - op de lippen en in het hart wordt gelegd wanneer het antwoord 1 gaat leren. Hier gaat het over jou, mijn kind. Van jou heeft Christus gezegd: laat de kinderen tot Mij komen. Leer nu wat je hoort. Wees nu wat je leert. Leer nu als gedoopt kind te leven. Je zult veel, heel moeten leren in je leven. Het geloof, het gebod en het gebed. Maar het belangrijkste leer je als je leert dat je van Jezus Christus bent. Dat je dus nooit meer van jezelf bent. Aan de voeten van Christus, leer je in zondag 7 tot 22 het geloof te belijden, in zondag 34 tot 44 het gebod te betrachten en in zondag 45 tot 52 het gebed te bidden, samen met de gemeente.
Zondag 1 is niet de eindstreep van een leerweg, maar het begin. Anders gezegd: de catechismus heeft een hart en dat hart klopt in zondag 1. Geen titel of jota van de catechismus mag ooit meer worden los gezien en los geleerd van dit hart. Christus is het hart.

Paradoxaal leven

Zondag 1 zingt met hoge tonen. Zijn de tonen niet te hoog? Komt deze zondag niet los te staan van de maandag en de andere dagen van de week? Ik ben er toch zelf ook nog met mijn zonden en schuld? En de wereld rondom ons is er toch ook nog in zijn immense nood? Wat is waarheid? Is het de werkelijkheid die we zien òf de werkelijkheid die we belijden in zondag 1, een werkelijkheid die we niet zien? Het is beide werkelijkheid, maar de eerste werkelijkheid is een relatieve werkelijkheid en de tweede is een absolute werkelijkheid. Zoals er een laatste woord, een laatste waarheid is, zo is er een laatste werkelijkheid. Christus is het laatste Woord, de laatste Waarheid en de laatste Werkelijkheid. Zondag 1 wil ons leren leven in een levende relatie met Christus. In die relatie wordt de eerste werkelijkheid relatief. Die eerste werkelijkheid is er terdege. Het gapend tekort van mijn schuld (Miskotte) en de afgrond van de pijn in de wereld verbijsteren ons. Maar Christus daalde neer middenin in die schuld en in die pijn, en nam ze op Zich. Zo stond Zijn kruis in deze wereld van schuld en van pijn. Vanuit Zijn opstanding wordt de zegen van dit kruis zichtbaar. Pasen transformeert het leven van een christen tot een leven in paradox. De kroon van Christus wordt zichtbaar in ons kruis. De Leeuw is het Lam. En allen die bij het Lam behoren, gaan met Hem de grote verdrukking in en komen met Hem door de grote verdrukking heen. (Op. 7:14) Het gebinte van de catechismus bestaat uit deze paradox. Haal de paradox uit het leerboek en het valt uit elkaar. Dan valt ook ons geloofsleven uit elkaar. We hebben het heil van Christus hier op aarde niet in een zichtbare, vervulde gestalte, maar in de gestalte van de belofte. Maar let wel, het door God beloofde heil is ten volle heil. Juist omdat het in het geloof toch het vervulde heil is. Zo verwachten wij het met lijdzaamheid.

Drie dingen

In de bekende tweede vraag en antwoord wijst de catechismus ons de kennis van drie ‘stukken’ aan waarin het leven met Christus, vlees en bloed wordt in ons eigen leven. Het gaat om het kennen van mijn ellende, mijn verlossing en mijn dankbaarheid. Mijn ellende als mens, die schuldig staat voor God omdat ik - als het aan mezelf ligt - van mezelf wil zijn. Mijn verlossing als mens, die – omdat het aan God ligt - door het geloof het eigendom van Christus mag zijn. Mijn dankbaarheid als mens, die het nieuwe verlangen kent om voortaan voor Christus te leven. De drie ‘stukken’ staan niet los naast elkaar of na elkaar, maar vormen één samenhangend geheel, het weefsel van het geloof. Het ene ‘stuk’ kan geen ‘stuk’ zijn zonder de andere ‘stukken.’ Zoals één zijde van een driehoek geen zijde is zonder de beide andere zijden. De catechismus reikt de drie ‘stukken’ aan om me levenslang in vraag en antwoord 1 te oefenen. Hij zegt: oefen je in de kennis van je ellende om dieper en dieper te leren wie je bent en blijft in jezelf. Hij zegt: oefen je in de kennis van je verlossing door Christus om dieper en dieper te leren wie Hij voor je is en blijft. Hij zegt: oefen je in de kennis van de dankbaarheid om dieper en dieper te leren dat Christus het zo waard is om voor Hem te leven en hoe gezegend zo’n leven is. Zo wordt de catechismus een existentieel leerboek, mijn existentieel leerboek. Een levensboek, mijn levensboek. Ik identificeer me met de ‘ik’ in zondag 1 door al lerende die ‘ik’ te worden, opnieuw te worden, door levenslange repetitie. Dat alles is het werk van de Heilige Geest.

Getroost leven

Leven onder de zeggenschap van Christus is een getroost leven. Troost was in de Reformatie een belangrijk woord, dat maar geen begrip was, maar midden in het dagelijkse leven functioneerde. Melanchthon gebruikt het woord troost in het kader van Wet en Evangelie. Door de Wet word je verschrikt vanwege je zonden. Maar dan komt het Evangelie het verschrikte geweten troosten, zegt hij in navolging van Luther. Wanneer vluchtelingen, die schavot en brandstapel riskeerden, eindelijk rust vonden in de stad Emden konden ze op de Grote Kerk lezen: ‘Godts Kerck, vervolgt, verdreven, Heft Godt hyer troost gegeven.’ Het gaat volgens de catechismus in het leven met Christus om troost, de enige troost in leven en sterven. Het woord troost moet ons niet op het verkeerde been zetten. Het is geen psychologische, maar theologische uitdrukking. Etymologisch hangt het woord troost samen met oude woorden als traust en het engelse trust. Met troost wordt bedoeld datgene wat werkelijk houvast biedt. Ik las dat het oud- Gothische woord trausti zelfs met de gedachte van het verbond samenhangt. Getroost zijn betekent hier niet primair zoiets als een goed gevoel krijgen na gevoelens van verdriet. Zulke gevoelens mogen er zijn, maar ze zijn slechts een afgeleide van waar het werkelijk om gaat: de eeuwige trouw van Gods verbond. Getroost zijn is je vastheid daarin vinden. In de laatste vraag en antwoord van de catechismus (129) gaat het om de betekenis van het woord amen. Het betekent: het zal waar en zeker zijn. Omdat God waar en zeker is. De eerste en de laatste vraag van de catechismus vloeien in elkaar over. Ze zijn als twee handen, die van de gelovige als bruid en die van de Bruidegom Christus, die voor eeuwig samen gaan.

Ik heb slechts één houvast in leven en in dood:
Mijn trouwe Heiland, die zijn kostbaar bloed vergoot,
Heeft heel de prijs betaald voor al mijn schuld en zonden.
Hij heeft mij vrijgekocht, uit satans strik ontbonden;
Ik heb de zeggenschap over mijzelf verloren,
Met lichaam en met ziel mag ik Hem toebehoren.
(H. van ’t Veld)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2006

Theologia Reformata | 98 Pagina's

Het liefdeslied uit Heidelberg

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2006

Theologia Reformata | 98 Pagina's

PDF Bekijken