Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Schriftbeschouwing.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Schriftbeschouwing.

De openbaring van Jezus Christus.

8 minuten leestijd

De openbaring van Jezus Christus, II.

Het boek „de Openbaring van Jezus Christus" behoort tot de profetische boeken van den Bijbel.

Zijn plaats in de rij der gewijde geschriften is nogal eens betwist. Vooral in de Oostersche kerk, met Constantinopel als middelpunt, wilde men „de Openbaring van Jezus Christus" niet als bijbelboek erkennen. Alleen de groote kerkvader Athanasius, bisschop van Alexandrië (gest. 373) hield het voor apostolisch en door den H. Geest ingegeven.

In de Westersche kerk, met Rome als hoofdstad, was dat anders. Daar is „de Openbaring van Jezus Christus" van den aanvang af met groote vreugd begroet geworden en werd aan dit boek aanstonds een plaats gegeven onder de gewijde boeken. Luther kon zich aanvankelijk niet voorstellen dat dit boek, met zoo vreeselijke oordeelen en straffen, een Goddelijk boek was, ingegeven van den H. Geest, maar later werd het wel anders en sedert de 17dé eeuw is het ook in de Luthersche kerken een kanoniek boek.

Van Calvijn, die op héél den Bijbel een verklaring schreef, bestaat deze van het boek „de Openbaring van Jezus Christus" niet, hoewel dat niet te wijten is aan zijn afkeer van dat boek, waarvoor dan ook geen enkel bewijs is.

Onze Gereformeerde vaderen grepen met voorliefde naar het laatste bijbelboek, gelijk wel blijkt uit de vele verklaringen die van „de Openbaring" bestaan, als van Wilh. è Brakel, Groenewegen enz. — gelijk ook vertalingen van vreemde schrijvers hier veel gebruikt werden, als b.v. van Jacobus Durham, hoogleeraar te Glasgow, in 1745 te Rotterdam uitgegeven in 2 deelen.

En in den tegenwoordigen tijd grijpt men bij vernieuwing naar dit profetisch boek, gezien de verklaringen van dit boek ons bezorgd door Dr. Gunning van Utrecht, Dr. Greidanus van Rozenburg, den heer Wormser van Amsterdam — alsook de verklaringen van Prof. Hengstenberg, Dr. Seiss en anderen.

Wij nemen dit boek voor wat het zélf wezen wil, n.l. Gods Woord, het Woord van Jezus Christus, ons op zoo kennelijke wijze geopenbaard en bewaard — zoo vol leering en vermaning, zoo vol vertroosting en bemoediging!

't Laat zich gemakkelijk verdeelen in 3 deelen; en wel:

I. de Inleiding. Hoofdst. 1:1—8; II. de eigenlijke Openbaring. Hfdst. 1:9—22:5. III. het Besluit. Hoofdst. 22 : 6—21.

DE INLEIDING. Hoofdst. 1:1—8.

1:1—8. „De openbaring van Jezus Christus, die God Hem gaf, om Zijnen dienstknechten te toonen de dingen, die haast geschieden moeten; en die Hij door Zijnen engel gezonden en Zijnen dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft;

(2) dewelke het Woord Gods betuigd heeft en het getuigenis mn Jezus Christus en al wat hij gezien heeft.

(3) Zalig is hij, die leest en zijn zij die hooren de woorden dezer profetie en die bewaren hetgeen in dezelve geschreven is: want de tijd is nabij."

Zeer eenvoudig begint de Apostel Johannes mee te deelen, wat er met hem geschied is en hoe hij aan „de Openbaring" gekomen is, wat hij van den Heere Jezus Christus ontvangen heeft om het aan de Gemeente des Heeren, aan de kerk van Christus, rnede te deelen.

Het boek „de Openbaring" is geen boek, dat Johannes geschreven heeft.

Het is niet Johannes, die hier voor de Gemeente des Heeren gaat staan, om haar toe te spreken met zijn woorden, 't Is niet een geestdrijver, die gaat droomen van dingen, die naar zijn meening weldra zullen geschieden, zooals b.v. uit de geschiedenis van Mohammed ons bekend is, of uit de geschiedenis van Jozef Smith, den leider van de secte der Mormonen, 't Is hier geen berekenaar, die uit grillige denkbeelden en wonderlijke getallen de toekomst zal voorspellen, zooals reeds zoovele avonturiers hebben beproefd, bewijzende dat zij dwazen zijn.

Neen, het is hier de Heiland zelf, die met Zijn Gemeente, welke in moeilijke dagen verkeert en bange tijden moet doormaken, wil spreken, om Zijn dierbre gunstelinge te gewagen van veel smart en ellende, welke aanstaande is,  maar om haar ook te verzekeren, dat Zijn hulpe gewis verzekerd is en aan het eind de heilszon blij zal doorbreken tot een eeuwigen vreugdedag voor gansch Sion, de kleinen met de grooten (Ps. 115:13).

Om zijn Sion toe te roepen, dat de tegenspoeden vele zouden worden en de strijd zwaar zou vallen, verschijnt de Koning der Kerk aan Zijn erfvolk hier op aard, ook verzekerend, dat Satans ondergang zonder twijfel komt en de triomf van Gods volk niet zal uitblijven.

Eu dat maakt het boek „de Openbaring" zoo goddelijk heerlijk, zoo heilig ernstig, zoo wonder zalig.

Christus denkt aan Zijn gunstgenooten; Christus vergeet Zijn gemeente op aarde niet; Christus weet van hun lijden, kent hun strijd en smart.

En ziet, dan komt Hij om van vreeselijke dingen te spreken, die welhaast over Gods volk, van alle plaatsen, zullen heengaan, maar die gewisselijk zuilen uitloopen op een eeuwige mislukking van Satan en een vreeselijke ellend voor allen, die op den booze vertrouwen — terwijl Sion zal bewaard worden voor het hemelsch Kanaan; 't land overvloeiende van eeuwige blijdschap en zaligheid voor een arm en in zonden gansch verloren volk.

Op het woord van Zijn almacht, wil de Heiland den sluier, die over de toekomende dingen ligt, doen scheuren; Hij wil wat verborgen is, komen ontdekken, onthullen, openbaren, — om voor het oog van Zijn Gemeente naakt en open te leggen, wat welhaast hier op aarde zal geschieden, zoo , vol van moeite en verdriet, maar ook zoo vol vertroosting en bemoediging. Zich zelf bewijzende de medelijdende Hoogepriester Zijns volks te zijn, de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs, de Overwinnaar van Satan, de eeuwige Koning, de Plaatsbereider Sions, die weldra al de Zijnen tot Zich zal trekken in den hemel hier boven.

En dus, we gevoelen het nu aanstonds, het boek, dat wij voor ons genomen hebben ter overdenking is: de Openbaring van Jezus Christus!

En hoe staat de Heiland, die Zijn Gemeente gedenkt en met Zijn Gemeente gaat spreken, om haar de toekomende dingen te onthullen, hoe staat Sions Borg en Koning dan voor de oogen van Zijn'kerk hier op aarde?

We lezen, dat Jezus aan Zijn Gemeente gaat openbaren: wat Hem van den Vader gegeven is. In Zijn Middelaarsambt, staande tusschen den Vader en Zijn Gemeente, treedt Jezus dus hier op. Niet wat Jezus, eeuwig God zijnde, zélf weet en wil, gaat Hij hier zeggen. Neen, Hij staat hier als Middelaar Gods en der menschen, om als Middelaar van den Vader te ontvangen wat voor' Zijn Gemeente, krachtens des Vaders belofte en door Zijn zoen-arbeid, tot eigendom en toekomst geworden is. 't Gaat om hetgeen Sion niet uit zichzelf heeft en ook eeuwig zóu moeten missen, maar wat Christus nu van den Vader voor hen verkregen heeft, krachtens 't geen in den eeuwigen vrederaad door God drieëenig is bepaald, als vrucht van Zijn verzoenend lijden en sterven.

Als Zoon des Vaders, die den hemel verlaten heeft, om in een weg van bloed en tranen, van lijden en dood voor een gansch zondig volk heerlijkheid te verwerven, vertoont Hij Zich, nu bekleed zijnde met hemelsche heerlijkheid; en wel om Zijn Sion dan te overtuigen, dat hun deel verzekerd is en hun toekomst tot vreugd, hoewel de weg naar het hemelsch Kanaan zou gaan door nood en dood, door moeite en verdriet. Is dat niet troostvol? Daar staat Sions Borg, met Wie een zondaarsvolk gemeenschap mag kennen en die Zijn Sion nu, met heerlijkheid bekleed in den hemel, van een zalige-toekomst wil spreken.

Wie kon dat beter doen voor de ooren van de beangste Gemeente hier op aarde, dan juist Hij, Sions Middelaar en Goël, zittend aan Gods rechterhand? Want als de heilige God opstaat voor het oog van een zondig, arm, ellendig volk, moet er dan geen schrik komen over de ziel? Heeft die God niet gezegd: „vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen"? En wie zal voor een alziend oog rein bevonden wordon ? Zijn onze gerechtigheden niet als een wegwerpelijk kleed? Is het niet melaatschheid van hoofdschedel tot voetzool? En dan te midden van veel strijd, aanvechting, benauwing en smart! Wat moet dan tot vertroosting dienen? Wat kan dan uitkomst verzekeren?

En ziet, daar staat nu de Plaatsbekleeder van Sion, hun Borg en Zaligmaker, die gerechtigheid en leven voor hen verworven heeft, en Die gaat nu - spreken over de toekomst, die verzekerd is bij den Vader. Die zal nu toonen wat Hij, de volmaakte Bqrg, door Zijn plaatsbekleedend lijden en sterven, van den Vader voor Zijn erfdeel verkregen heeft en hun nu wacht.

En o! dat is een zoo kostelijk goed; 't welk troost kan schenken voor leven en sterven beide, zijnde tot een eeuwige verlossing. Want Sions Borg is een volmaakte Borg!

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1909

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Schriftbeschouwing.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1909

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken