Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Schriftbeschouwing.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Schriftbeschouwing.

De openbaring van Jezus Christus. V

5 minuten leestijd

Johannes aan de zeven gemeenten, die in Azië zijn: genade zij u en vrede, van Hem, Die is en Die was en Die komen zal; en van de zeven Geesten, die voor Zijnen troon zijn; en van Jezus Christus, die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de dooden, en de Overste der koningen der aarde. Openb. 1: 4, 5a.

De openbaring van Jezus Christus. V.

Johannes' zegengroet aan de zeven gemeenten in Kl.-Azië.

Om van de wondere leidingen des Heeren naet Zijn Gemeente hier op aarde en van de vertroostingen Sions te spreken, buigt de Heiland zich neder uit den hoogen hemel, zich wendende tot Zijn Kerke, die moeilijke tijden moet doormaken. En als Zijn tolk, die spreken moet voor de ooren van velen en die schrijven moet voor de oogen van duizenden, moet dienen: Johannes, de Apostel.

Welke Johannes dat geweest is, staat er niet uitdrukkelijk bij vermeld. Maar juist dat het niet met veel woorden nauwkeurig omschreven is, welke Johannes hier door den Heiland verkoren is tot Zijn gunsteling, om de eerste deelgenoot van Zijn heerlijke en hemelsche openbaringen te zijn, geeft ons te meer vrijmoedigheid om te denken aan den schrijver van het 4de Evangelie, den zoon van Zebedeüs, den discipel des Heeren, welken de Heiland zoo teer beminde. (Joh. 13 : 23).

Bescheidenlijk zegt Johannes zélf er niets van. Maar immers déze was tijdens de omwandeling op aarde steeds de vertrouweling van den Heiland. Van 't twaalftal had Jezus 't liefst de zonen van Zebedeüs en Petrus bij zich in gewichtige omstandigheden en van dat drietal was Johannes dan weer de uitverkorene, die ook aanlag in Jezus' schoot bij het laatste Paaschmaal en bij de instelling van het heilig Avondmaal, in den nacht, in welken de Heiland is verraden. Dat was de discipel „met den adelaarsblik", die zooals wij dikwijls in zijn evangelieboek bemerken, door het kleed van Jezus' vernedering heendringende, met vreugd zich verblijdde in de goddelijke heerlijkheid van den Eeniggeborene des Vaders, Hem noemende het Eeuwige Woord, vol van genade en waarheid.

Tot dien discipel nu — volgens vele oude handschriften „Theologus", de Godgeleerde, bijgenaamd, omdat hij bizonderlijk doordrongen was van zooveel goddelijke zaken — wendt de verhoogde en verheerlijkte Heiland zich, om, door middel van een engel, met hem te spreken over „de dingen, die welhaast zullen geschieden."

O! wat zal Johannes vervuld zijn geworden met goddelijke vreugd. Want immers werd de Gemeente van Christus in zijne dagen zoo aliervreeselijkst vervolgd en geplaagd door de heidenen en satan porde Domitianus (13 Sept.'81—18 Sept.'96), Rome's trotschen keizer aan, om als een bloeddorstige tijger de belijders van 's Heeren Naam te verscheuren, waarbij de speurhonden ook den discipel Johannes die het hoofd der Christelijke gemeente te Efeze was, niet hadden overgeslagen, om hem gevangen te nemen en, in boeien geslagen, naar het eenzame rotseiland Patmos, ten zuiden van Griekenland, in de Egeïsche Zee gelegen, te verbannen.

Alle aardsche machten schenen Satans getrouwe knechten te zijn geworden, om den Heere tegen te staan, Gods Woord uit te roeien en Christus' Kerk ten doode toe te vervolgen.

En als dan Johannes mede ervaart, dat de macht van Satan en wereld groot is en dat de duivel, brullend als een leeuw, rondgaat om te verslinden wat hij kan; als dan Johannes in banden zucht, eenzaam gezeten op de naakte rotshoogte van Patmos, die geweldig werd gebeukt door de golven der zee, — dan wil de Heiland zelf nederdalen tot dien eenzamen balling en Hij wil die ruwe, eenzame rotspunt maken tot een plaatse van hemelsche heerlijkheid, rijk aan vertroosting voor allen, die op den Heere mogen hopen! Eu Hij, de eeuwige Koning der Kerk, de Overste van de koningen der aarde, wil Zijn gevangen knecht dingen in het harte geven, vol ongekende vreugd, die deze dan moet doen weerklinken, met machtiger geluid dan dat der woest schuimende golven, over héél het terrein van Christus' strijdende Kerk van alle plaatsen Zijner heerschappij.

Zoo vergeet de Heiland de Zijnen niet. Zoo wil de Heiland Zijn lijdend en strijdend volk troosten en vervullen met blijdschap. Uit het midden van de woeste golven zal weldra met blijde klanken door héél Sion worden gehoord: „houdt Christus Zijne Kerk in stand, „zoo mag de hel vrij woeden; „gezeten aan Gods rechterhand „zal Hij haar wel behoeden!"

Christus denkt aan Zijn Gemeente en kent haar in haar strijd en moeite, in haar nood en ellende en de verheerlijkte Heiland, die door Zijn dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid eeuwige schatten voor Zijn Sion heeft verworven bij den Heere, wil Zijn Middelaarsvleugelen over Zijne Kerke uitbreiden om haar naar haar harte te spreken en haar toe te roepen, dat haar strijd weldra zal vervuld zijn tot eeuwige victorie!

En daarom wendt Johannes zich ook met de woorden des Heeren tot de Gemeente, zeggende : „het Woord van den Heiland is voor u!”

Tot de zeven christelijke gemeenten in Klein-Azië richt de Apostel zich; in het 2de en 3de hoofdstuk met name genoemd, zijnde: Efeze, Smyrna, Perganius, Thyatire, Sardis, Philadelfia en Laodicea. Waarom juist aan déze zeven? Wij weten het niet. Maar de Heiland beveelt het hem en Johannes volbrengt die opdracht van Zijn hemelschen Zender gewilliglijk.

Voorzeker waren het voorname gemeenten, die midden in hët Romeinsche gebied lagen; en dit is ook waar, dat Johannes, de opziener van Efeze, juist met die gemeenten goed bekend was, gelijk ook zijn naam in Klein-Azië met liefde werd genoemd.

Aan die zeven, met name genoemde gemeenten, moet Johannes het Woord des Heeren, hier hem toebetrouwd, overreiken — en in die gemeenten, als vertegenwoordigende gansch de Kerke Christi op aarde, moeten dan die woorden worden voorgelezen in de samenkomsten der gemeente en door de hoorders worden ter harte genomen.

„Die ooren heeft die hoore, wat de Geest tot de gemeenten zegt!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Schriftbeschouwing.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken