Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Staat en Maatschappij.

5 minuten leestijd

Bescherming der vrouw.

Twee gewichtige wetsontwerpen, ten doel hebbende de bescherming der gehuwde vrouw, zijn door de Regeering ingediend geworden.

Het eerste ontwerp wenscht de positie te regelen van vrouwelijke Rijksambtenaren en onderwijzeressen bij het openbaar onderwijs, die in het huwelijk treden.

Het lijkt vreemd, dat ten onzent de gehuwde vrouw nog maar altijd niet begrijpt, dat haar plaats niet is op het kantoor of op de school, maar in het gezin, en dat om dit haar duidelijk te maken de wetgever moet ingrijpen.

En toch is dit zoo. De wetgever heeft de vrouw hier te beschermen tegen haarzelf.

Afdoende wordt dit ten aanzien van de vrouwelijke Rijksambtenaren gedaan in Art. 1 van het ontwerp, luidende: „Vrouwelijke Rijksambtenaren, die in het huwelijk treden, worden met ingang van den dag van haar huwelijk eervol uit 's lands dienst ontslagen", en ten opzichte van de onderwijzeressen bij het openbaar lager onderwijs luidt de bepaling in art. 3 dat eervol ontslag wordt verleend: „aan een onderwijzeres, die in het huwelijk treedt, met ingang van den dag van haar huwelijk, en wel hetzij op voordracht van burgemeester en wethouders, hetzij van den districts-of arrondissements-schoolopziener."

Wij juichen deze bepalingen van harte toe, ook op gevaar af van door de mannen van Links als reactionnair te worden geteekend.

In die bepalingen liggen de beginselen door het kabinet beleden, die in het ontwerp in toepassing worden gebracht.

Het tweede ontwerp, een wijziging in de Arbeidswet, bedoelt te verbieden den nachtarbeid van vrouwen in de industrie. Deze wijzigingswet is vóór 1 Januari 1911 noodig ingevolge art. 8 der conventie van Bern, tot welke conventie ons land destijds is toegetreden.

Dat met veel instemming de indiening van dit wetsontwerp gezien wordt, van welke indiening ook is gebruik gemaakt om den maximalen arbeidstijd voor vrouwen en jeugdige personen van elf op tien uren te brengen, zal wel geen betoog behoeven.

Door de disorganisatie van den arbeid is de vrouw meer en meer betrokken in den arbeid. Hare eigenlijke plaats, die in het gezin is, of daar, waar zij eene bijzondere roeping heeft te vervullen, heeft zij in vele gevallen moeten verlaten om in werkplaats of fabriek een anderen levenskring te vinden.

Dat hier het natuurlijk leven verdrongen is geworden door een leven dat daar vierkant tegenin gaat, moet de Overheid er toe brengen om de vrouw weer tot vroegere positie terug te brengen.

En ook elken stap, die in die richting gedaan wordt, juichen wij van harte toe.

Het huisrecht.

Bij eene ongewijzigde totstandkoming van het ontwerp tot beperking van den nachtarbeid in de bakkerijen, dus bij aanneming van de regeling, zooals deze door de regeering wordt voorgesteld, zal voor het verkrijgen van zekerheid, dat de bepalingen der wet naar behooren worden nagekomen, de daartoe bevoegde macht het recht hebben, om gedurende den tijd, waarin het bakken verboden is, de bakkerij binnen te treden.

Alzoo geheel onverwacht, op elk uur van den nacht, zal toelating tot de werkplaats kunnen geëischt worden.

Vooral in kleine bakkerijen, waar de toestand zoo is, dat de werkplaats met de woning verbonden is, of wel die werkplaats een gedeelte der woning uitmaakt, zal, op die manier het overheidstoezicht uitgeoefend, niet weinig op het huisrecht inbreuk worden gemaakt.

Nemen wij, om dit duidelijk te maken, als voorbeeld een bakkerij, waar de werkplaats deel uitmaakt van de woning in eene gemeente, waarvoor de bakkersraad hoeft bepaald, dat tusschen 9 uur des avonds en 5 uur des morgens niet mag gebakken worden". Ter controleering nu of werkelijk gedurende dien tijd de arbeid stilstaat, zal de ambtenaar, die met het toezicht op de naleving der wet is belast, zoo dikwijls hem dit goeddunkt, de woning kunnen binnentreden, om toegang tot de werkplaatsen te erlangen.

Niet ontkend kan worden, dat de handhaving der verbodsbepaling hier tot inmenging van de Overheid in het private leven leidt. En daartegen dient gewaakt te worden.

Nu lijkt ons het verleenen van de vergunning aan den bakker, die zonder hulp van anderen werkt, om gedurende den nacht arbeid te verrichten, niet voldoende. Wel zal door dien maatregel het huisrecht voldoende beschermd blijven, maar aan den anderen kant zal het verleenen van die vergunning er toe leiden, dat, uithoofde der concurrentie met hot grootbedrijf en ook om 's morgens vroegtijdig met het baksel gereed te zijn, in al die bakkerijen, welke vergunning bezitten, nachtarbeid zal worden verricht; wat natuurlijk, en dit kan moeilijk worden ontkend, onbillijkheden zal scheppen jegens andere bakkers, en tevens niet tot het doel zal leiden, hetwelk het ontwerp beoogt, nl. beperking van nachtarbeid.

Daarom kan het verleenen van vergunning, om 's nachts te bakken, alléén de moeilijkheden niet uit den weg ruimen. Daarvoor zou naast die bepaling nog een andere maatregel moeten genomen worden, b. v. een voorschrift ten aanzien van den tijd, waarop de verkoop van brood geoorloofd is.

Werd ook zulk een voorschrift in de wet opgenomen, dat niet eerder dan b. v. na 10 uur des morgens brood mocht worden verkocht, dan was er geen enkele reden voor de bakkers, om 's nachts te arbeiden, meer aanwezig. Dan zouden alle bakkers gelijk staan en behoefde het inbreuk maken op het huisrecht niet meer geducht te worden.

Dat het verbod tot verkoop van brood vóór zeker uur tot ongerief zou leiden, moet toegegeven worden. Wenschelijker zou het zeker zijn, zoo het verbod alleen tot den verkoop van versch brood zou kunnen worden bepaald, maar het onderscheid tusschen versch en niet-versch brood zal moeilijk te maken zijn. Intusschen, het ongerief zal, dunkt ons, maar tijdelijk zijn, want langzamerhand zal de bestaande toestand zich wel aan den nieuwen aanpassen.

Voor sommige categoriën van verbruikers zou eene bijzondere bepaling moeten worden gemaakt, maar dit bezwaar achten wij niet onoverkomelijk.

Hoe dit nu alles zij, eene bepaling, die inmenging van de Overheid in het private leven uitsluit, lijkt ons de moeite van overweging wel waard. Maar daarbij worde dan niet uit het oog verloren, dat aan het beginsel van beperking van nachtarbeid als noodzakelijke eisch van betere arbeidsvoorwaarden, dient te worden vastgehouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1910

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1910

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

PDF Bekijken