Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

7 minuten leestijd

Het Formulier der Wederopneming des afgesnedenen in de Gemeente van Christus.

- Nog zeldzamer dan de noodzakelijkheid om het formulier der afsnijding te gebruiken, is het voorrecht om dit het formulier der wederopneming te mogen doen. Het ligt afgewerkt voor ons, als een teeken, dat de Kerk bij de afsnijding aan den zondaar de hope op zijne bekeering en wederopneming vasthield.

Voor haar is de dag, waarop tot de wederopneming wordt overgegaan, dan ook een dag van blijdschap !

Zal dit laatste echter het geval zijn, dan mag de wederopneming niet lichtvaardig geschieden. Hiervan nu geeft het formulier de geruststellende verzekering.

In het eerste toch der twee deelen, waarin het zich splitst, wordt aan de gemeente de verzekering gegeven, dat het geneesmiddel des bans, gunstig op den betrokken persoon heeft gewerkt.

Er wordt bijgevoegd, dat deze gunstige uitwerking mede aan de goede vermaningen en gebeden van de opzieners en gewone leden, onder Gods zegen, tot stand is gekomen.

Hij schaamt zich thans over zijne zonden en begeert in de gemeenschap der kerk weder opgenomen te worden.

Nochtans gaat de kerkeraad niet terstond tot de wederopneming over. Ook de gemeente moet haar oordeel uitspreken. Zij kan dit doen door zwijgend den kerkeraad verder te laten gaan n.l. als zij geen bezwaar tegen de wederopneming heeft. Overigens heeft elk lidmaat het recht, ja den plicht, om tegen de wederopneming zijne bezwaren tijdig in te dienen.

Op den volgenden rustdag toch zal de boeteling weer in zijne volle rechten hersteld en met de gemeente Avondmaal houden; men haaste zich dus als men iets wettigs tegen hem in te brengen heeft.

Nadat alzoo alles gedaan is om te voorkomen, dat een onwaardige in de gemeente zou worden ingelijfd, zoo gaat de dienaar des Woords tot de wederopneming van den afgesnedenen over. Van hem neemt de dienaar de belijdenis zijner schuld, en de belofte van zich voortaan in alle godzaligheid te gedragen, alsmede de verzekering, dat hij aan de vergeving zijner zonden gelooft, en ernstig begeert in de gemeente weder opgenomen te worden. Hierna verzekert hem de dienaar, dat hij ontbonden is van de banden der afsnijding, en verkondigt hem, dat hij staat in de gemeenschap van Christus, van de heilige sacramenten, en alle geestelijke zegeningen. Hij wordt vermaand en vertroost; ook wenscht de dienaar hem toe, dat God hem door Christus tot den einde toe in deze gemeenschap bewaren wil.

Nu ontga het onze aandacht niet, dat dit formulier rekening houdt met onze ongeneigdheid, om een wederopgenomene met toegenegenheid des harten te ontvangen. Meer nog, het formulier wil dat wij blijde zullen zijn; was onze broeder niet dood en is hij niet weder levend geworden ? Was hij niet verloren, en is hij niet gevonden? Verheugen zich de engelen des hemels over éénen zondaar, die zich bekeert, de gemeente verheuge zich met hen. 't Is heden toch een feestdag, een dag gelijk aan dien, waarop de vader het gemeste kalf slachtte, en de feestzaal van zangers en dansers vol werd. Geen koele ontvangst wachte den wedergekeerden broeder, wien Gods eigene hand weer tot de kudde terugbracht! Laat de wereld droevig zijn, want zij heeft een harer verloren; laat satan droevig zijn want zijn buit is hem ontrukt; zal dan de gemeente zich houden als ware er niets bijzonders geschied?

Geheel anders was het bij de afsnijding. Toen geene blijdschap maar rouwe. Dat blijkt reeds uit de vreugde van thans; want blijdschap wordt hier op aarde slechts uit droefheid geboren. Maar rechtstreeks blijkt het uit het formulier des bans. In het gebed, waarmede dit formulier besloten wordt, luidt het: „geef uwen zegen tot onze vermaning, ten einde wij daardoor oorzaak mogen hebben om ons te verblijden in dengenen over wien wij nu rouw moeten dragen." Als voorts de gemeente in genoemd formulier wordt opgewekt om godzalig .te leven, zoo wordt als drangrede tot deze vermaning er bijgevoegd: „opdat onze God ons niet wederom vernedere, en dat wij rouwe zouden moeten hebben over iemand van ulieden." Men loope hier niet licht overheen.

't Is mogelijk dat het verlaten der gemeente eer stof tot blijdschap dan tot droefheid geeft, dan namelijk, als zij die zich aan de gemeente onttrekken, wolven of verzakers of huichelaars blijken te zijn. Maar zulke menschen wachten het formulier des bans niet af; zij onttrekken zich door opzegging van hun lidmaatschap aan de toepassing der tucht op hunne personen. Hebben echter de menschen de tuchtoefening over zich haren gang laten gaan, dan is zulks een gunstig teeken, dat hoop op wederkeering geeft.

Zelden echter vallen zulke feestdagen der gemeente te beurt. Er is oorzaak voor. Is iemand uit de gemeente gebannen, dan ziet gemeenlijk niemand meer naar hem om. Nu is het waar, dat men den gemeenzamen omgang met den gebannene moet afsnijden, maar daarbij moet het blijven. Men moet aan zijne bekeering blijven arbeiden, gedachtig aan het woord van Jacobus, dat wie een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, eene ziel van de dood zal behouden, en menigte van zonden bedekken.

Er is vreugde in den hemel over éénen zondaar die zich bekeert, vreugde onder de engelen, hoewel zij aan zijne bekeering niet gearbeid hebben. Zou er dan geen vreugde zijn bij wie het middel in Gods hand mocht zijn om den zondaar van den dood te redden ? Indien iemand van den tijdelijken dood gered wordt, zoo is er niet slechts vreugde bij den ommestand, die getuige van zijn redding is, maar ook, ja allermeest bij hem, die het voorrecht had hem te redden. Op geestelijk gebied gaat het niet anders. Hier is de redding eener ziel van grooter gewicht dan iets; de ondergang eener gansche wereld is niet te vergelijken bij het verderf van eene enkele ziel. Welk een vreugde moet er dan niet gevonden worden bij den redder eener ziel. Vele moeielijkheden mogen aan zijne terechtbrenging verbonden zijn geweest, zij worden thans niet meer gevoeld, al waren zij in felheid barenssmarten gelijk.

Hierbij blijft het zelfs niet. Zij, die door ons voor het Koninkrijk Gods gewonnen zijn, zullen in den dag van Christus als een iegelijk loon ontvangen zal voor zijn arbeid in eene bijzondere betrekking tot hem staan. Zij zullen hunne blijdschap, hun roem, hunne kroon zijn. Zulke kronen dragen de engelen niet. De zaligheid van elkanders blijdschap en roem te mogen zijn is uitsluitend den menschen weggelegd. Wat een prikkel om aan de bekeering van afgewekenen te arbeiden, met woorden en gebeden saam. Voorzeker moeten wij ook hen, die nooit tot de gemeente behoord hebben, voor het koninkrijk Gods trachten te winnen. Maar toch ook ja niet het minst hen, die met een gewasschen zeuge wedergekeerd zijn tot het slijk. Hiertoe prikkele ons de gedachte hoe veel vreeslijker het lot van zoo een zal zijn, dan van hem die den wil des Heeren niet gekend heeft.

Het is waar dat er' geene belofte gegeven is aan het gebed om bekeering van allen voor wie men bidt. Er is zegt Johannes een zonde tot den dood. Hij heeft het oog op de zonde des afvals van Christus en der lastering van den Heiligen Geest, van welke wij weten dat zij nauw samen verbonden zijn, zoodat zij ééne zonde kunnen heeten. Omdat men veeltijds niet zeker weet, of een afgevallen broeder aan deze zonde schuldig staat, wordt het bidden om zijne bekeering verboden noch geboden, maar aan het oordeel van den broeder overgelaten.

(„DE BAZUIN."— VAN ANDEL.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken