Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Schriftbeschouwing.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Schriftbeschouwing.

4 minuten leestijd

Openb. 1:18.

De openbaring van Jezus Christus. XV.

De levende Christus, de Heiland vol heerlijkheid en majesteit, de Christus vol rijkdom en eere stelt zich voor in Zijn arbeid tot verzoening van Zijn Sion.

Hij is 't. Die voor Zijn Gemeente is nedergedaald in de nederste deelen der aarde, in de diepste verachting, tot in den dood des kruises, alles om Zijn Sion uit de macht van Satan, dood en hel te verlossen — en Die nu, aan 't eind van den verlossingsweg zijnde, ingegaan in Zijn heerlijkheid, niets liever wil dan bij Zijn gunstelingen te zijn, om hen rijk en gelukkig te maken.

Hij is de Overwinnaar van dood en graf. Hij heeft den laatsten vijand gebonden en zijn prikkel weggenomen.

Wie in Hem gelooft zal leven en niet sterven in der eeuwigheid — terwijl een ieder, die Hem verwerpt en tegenstaat zal vallen in een ontzettend oordeel.

Dat ligt ook in die woorden: „En ik heb de sleutels der hel en des doods."

't Gaat in alles om Christus, omdat Christus alles is voor Zijn volk.

Die Christus niet kent is en blijft een prooi van Satan en zal den dood sterven, maar die door genade onder de vleugelen van Christus schuilen mag, die zal uit het huis van den sterk gewapende verlost zijnde, ingaan in het leven en eeuwig bij den Heere wonen, met genieting der zaligheid.

Het gebouw der eeuwigheid kan op geen andere fundamentsteenen gebouwd worden dan op hetgeen de Heiland zelf hier noemt: „Ik ben dood geweest en zie Ik leef."

En daarom zullen wij de verzoening van onze zonden en de bedekking van onze schuld moeten kennen in dat lijden en sterven van den Heiland, terwijl we dan mogen weten dat de weg van vernedering door de diepte naar de hoogte is gegaan, waar Christus, Sions Borg en Losser, nu staat als de Eeuwig-levende, bekleed met majesteit, eere en heerlijkheid— de handen uitstrekkend naar Zijn erfdeel, om dat te doen deelen in eeuwige glorie, met genieting van de zaligheid.

O! als Christus daar niet stond te midden van de zeven gouden kandelaren, met dat lange witte kleed als een heerlijke Hoogepriester om Zijn volk te leeren en te leiden, te zegenen en te bewaren, o! dan was er geen hope.

Maar ziet, nu leeft Hij en regeert Hij — en dragende de zeven sterren in Zijn rechterhand, zorgt Hij voor al de Zijnen, dat zij ambtelijk geleerd en geleid zullen worden hier beneden, totdat ze eenmaal zullen worden opgenomen in heerlijkheid.

Hij leeft — en Hij is in het midden van Zijn Gemeente, waar Hij blijven zal tot op den jongsten dag, om Zijn erfdeel te bewaren en zorg te dragen dat Sion niet wordt overgegeven in de handen des boozen, om eeuwig om te komen.

Terwijl uit Zijn mond uitgaat een scherp zwaard om tegen te staan en te verderven die Hem haten en hoonen, weigerend om Hem te erkennen en te dienen als Sions Koning!

O! wat groot is de Heere. Wat heerlijk is de Koning van Sion !.

Daar staat Hij, Sions Heere en Koning, Sions Wetgever en Rechter, Sions Losser en Behouder.

Geen vorst is aan Hem gelijk. Geen gebieder draagt majesteit, die gelijk is aan de Zijne.

En die sterke God vol zaligheid, die Koning der eere, die verheerlijkte' Heiland en Middelaar staat in het midden der Gemeente, waar Hij alles wil zijn in allen, zeggende: „Ik ben met ulieden tot aan de voleinding der wereld en Ik houd u in Mijne hand en niemand zal u daaruit rukken."

O, die dan den Heiland kennen mag in Zijn kruis-en zoenverdiensten, in Zijn gepastheid en gewilligheid, die mag met zielevreugd nu zingen:

„De Heer' is bij mij, 'k zal niet vreezen. De Heer' zal mij getrouw behoên; Daar God mijn schild en hulp wil wezen. Wat zal een nietig mensch mij doen? "

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1910

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Schriftbeschouwing.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1910

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

PDF Bekijken