Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, enz. Gen. 3:13.

Ik zal

„De donkere dagen voor Kerstmis"— 't is spreekwoordelijk geworden. En terecht. Wat zijn de dagen kort, donker, somber. Wat kan het guur en koud zijn. Alles wat buiten is versterft en wordt stuk gewaaid. Alles blijkt vergankelijk. Alles spoedt ten einde. En 't is de tijd om den grafsteen voor het jaar 1910 in orde te maken.

Als wij daarin nu maar een beeld van onzen toestand mogen zien, zooals wij daar liggen als zondaren voor het aangezichte Gods.

Donker is onze toestand; vol zonde. Kort zijn onze dagen. En de toorn Gods is geweldig; Zijn oordeelen zijn gewis; 't einde nadert.

Zijn wij het niet waardig, om voor eeuwig wég te zinken in duisternis en ellende? om vér van God rampzalig om te komen, zonder brood om te eten, zonder water om te drinken ?

Ja — onze toestand is waarlijk wel te vergelijken met de donkere dagen voor Kerstmis.

En als de stormwind van Gods toorn losbreekt, dan zijn we niet meer en onze plaats kent men niet meer. „De overtreders worden te zamen verdelgd; het einde der goddeloozen wordt uitgeroeid" Ps. 37 : 38.

En ziet, dan wil de Heere in die donkere dagen, voor een volk dat in duisternis en treurigheid neerzit, gescheiden van God vanwege hunne zonden, Zijn boden uitzenden, om alom te verkondigen: „hier is de Opgang uit de hoogte, die door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods ons komt bezoeken, om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op den weg des vredes."

Dat is de blijde boodschap van deze Adventsweken. Dat is het licht temidden van deze donkere dagen.

Zelf hebben wij den levensdraad afgesneden, 'zelf den kuil gegraven, zelf het fundament omgewoeld.

En ziet — inplaats dat de eeuwige nacht zijn vale vlerken nu komt uitbreiden met schrik en oordeel, wil de Heere komen spreken van een blijden dag na bang gevaar, in Christus Jezus die wil komen tot hen, die gezeten zijn in schaduwen des doods.

Is dat dan het licht en is dat dan de blijdschap; „Ik zal vijandschap zetten"? Moet vijandschap licht verspreiden en vreugde schenken?

We worden verplaatst in het Paradijs. Daar leeft de mensch, naar Gods beeld en gelijkenis geformeerd, in vrede en met vreugd — en een toekomst van eeuwige zaligheid wacht hem.

De Heere, die hem geschapen heeft, is bij hem en de heerlijkheid des Heeren omstraalt hem.

En dan komt dat oogenblik, dat het schepsel tegen zijn Maker rebelleert en zijn Onderhouder den oorlog verklaart, om over te loopen naar Gods allergrootsten vijand.

Dat is het oogenblik, dat de melaatschheid over den mensch komt, van het hoofd tot de voeten; dat de eeuwige dood op het schepsel beslag legt, als bezoldiging op de zonde.

Sterveling, hoe hebt ge het durven wagen! Dwaas creatuur, hoe hebt gij uw hand opgeheven tegen uw Schepper!

God wordt gewantrouwd en men valt Satan in de armen.

, .... ..Daar opent zich de hemel. Daar nadert God, de Heere. Daar valt vuur van boven; de donder van Gods toorn, de bliksem van Gods heiligheid wordt gezien. De mensch is niet meer!....

Ja, dat zou rechtvaardig geweest zijn. Maar 't gebeurt niet!

Dê mensch zelf is er bevreesd voor. Want als de conscientie gewond is, dan voelt de mensch aanstonds, dat het éenige oordeel maar zijn kan: „ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven"; „vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek der wet om dat te doen."

Wie zal ook spotten met den Allerhoogste ? Wie zal twisten met den Heilige?

En ziet, als dan de mensch God verlaten heeft, Zijn gebod vertredend, dan komt de Heere en spreekt: Ik zal u niet in de armen van Satan laten, om daar te sterven. Ik zal een scheur trekken tusschen Satan en den mensch. En Ik zal, onder vele worsteHngen door, een volk van zondaren uit de kaken des doods redden om het triumfantelijk in te dragen in den hemel.

Dat is het licht in de duisternis.

De eerste straal van licht, uit dit woord uitgaande, is: de Heere wil langmoedig en geduldig het menschelijk geslacht nog sparen. Hij wil den boom bij den wortel nog niet afbouwen en in het vuur werpen.

De Heere wil nog een geschiedenis van het menschengeslacht.

O! dat is zoo'n heerlijke deugd des Heeren. Is de hand van Satan rechtvaardig opgeheven om ten doode te treffen — dan treedt de Heere naar voren om tusschenbeide te komen en te zeggen: gij zult den mensch laten leven en Ik zal u van de menschen ontrukken een volk, dat leven zal tot in eeuwigheid.

De tweede straal van licht is: God zegt het. God komt tusschenbeide. De Almachtige spreekt. Hij die maar te spreken heeft en het is er, te gebieden en het staat er.

Satan is machtig. Naar Gods wonderen en volmaakt wijzen raad mocht hij zijn macht ontplooien, eerst in den hemel, daarna op de aarde. Hij legt den mensch neer aan zijne voeten, den dood waardig. Maar nu komt de Heere tusschenbeide. Satan mag niet doorwerken.

Dat heeft de Heere in den hemel niet toegelaten, dat zal Hij ook op de aarde niet dulden. Hij, de Almachtige, heeft Satan uit den hemel geslingerd, zoodat hij als een bliksem nederviel, ingaande in de helle voor eeuwig, waaruit geen verlossing is voor den booze.

En die Almachtige is Hij ook op aarde. Hij is de Koning der koningen. Hij doet met het heir des hemels en de inwoners der aarde naar Zijn wil.

De goddeloozen zullen Hem niet weg-lachen; zij zullen Zijn Naam niet uitroeien van de aarde.

God zal Satan op aarde tegenstaan — en Satan zal niet allen bezitten. Velen zullen door den Almachtige uit de wreede kaken der verderfenis worden gered. Ik, de Heere, zal het doen!

De derde straal van licht is: wat God doet, doet Hij welbewust.

„Ik zal vijandschap zetten", zegt de Heere. En dat is niet een inval van het oogenblik. Dat is een wél overdacht plan. Dat is de openbaring in den tijd van hetgeen in de stille eeuwigheid tusschen Vader, Zoon en Heilige Geest besloten is.

O, wat liggen er in die eeuwigheid een schatten verborgen voor een arm zondaarsvolk. Wat is de Heere van eeuwigheid met de aarde, met Zijn Sion bezig geweest.

En Hij, de Almachtige, zal Zijn eeuwig voornemen volbrengen. Zijn werk zal niet mislukken. Hij wil het, naar redenen uit Zichzelf genomen. Hij wil het en stelt er Zijn eere in. Hij wil het voor Zijn volk. Hij wil het tegenover Satan.

En wetende wat Hij wil zal het door Hem, den Almachtige, worden volbracht. En de eeuwigheid zal juichen tot Zijn eer.

Zoo zal er dus een scheur getrokken worden tusschen Satan en Sion. God wil het. God zelf zal het doen.

En o! als Hij het niet deed, dan zou het nooit gebeuren.

Immers heeft de mensch een verbond gesloten met Satan?

Immers begeert het schepsel niet anders dan bij Satan te blijven! En Satan houdt vrede met allen, om allen te trekken in den kuil van eeuwig verderf.

Maar nu heeft de Heere van den beginne afaan gezegd, dat Hij tusschenbeide zou komen. En Hij komt. Hij is gekomen en Hij komt telkens weer. Om een scheur te trekken tusschen Satan en een zondaarsziel. Om Sion los te maken uit de omarming des doods. Om Sion Zich toe te eigenen, dat erfdeel wegnemend van onder de heerschappij van den booze.

Dat is het goddelijk werk, vol almachtige kracht en eeuwige barmhartigheid. Om zich te ontfermen over degenen, die zich moed- en vrijwillig in den dood hebben gestort. Om Zijn hand uit te slaan naar Zijn vijanden en die te maken tot Zijn kinderen. Om erfgenamen der verdoemenis te redden voor een eeuwige zaligheid..

O, als Hij het niet deed en telkens doen wilde, werd er niemand zalig. Wie zal opstaan tegen Satan? Wie zal zich zijner ontworstelen?

Kan ook een doode uit zijn graf opstaan? Kan een blinde zich baden in het licht?

Maar dan dat woord des Heeren: Ik zal het doen.

O, de hemelen moeten weerklinken van dit woord. God openbaart zich voor 't eerst in hetgeen Hij doen zal met een zondig volk.

En Hij zegt: Ik zal Mijn hand naar dat volk uitstrekken en Ik zal een scheur trekken tusschen dat volk en Satan, om het hém te ontrooven en 't Mij toe te eigenen voor eeuwig.

Hoe dat kan en mag?

Hoe de Heere zondaren kan redden voor den hemel en overtreders met Zich verzoenen ?

De Heere kan en mag Zichzelf toch niet verloochenen ? Hij kan toch niet liegen ? En Hij heeft toch gezegd: vervloekt is een iegelijk die zondigt!

Is dat woord dan niet waar? Is het deel des zondaars dan niet bij Satan? Is het oordeel dan niet vast en onveranderlijk?

En ja, de Heere is de onveranderlijke God, bij Wien geen schaduw van omkeering is. Hij doet niets van Zijn woord af, óok niet van Zijn vloek.

Maar ziet — nu volgt op dat woord des Vaders: „Ik zal!" — het woord des Zoons: „Ik kom, om Uwen wil te doen, o God!"

Dat is het heil. Dat is de vreugd. Dat is het wonder van Kerstfeest.

„Ik kom!" spreekt de Zoon. En Hij zal in het gevangenhuis van Satan ingaan, des boozen macht wederstaan, des Heeren vloek dragen, — maar Hij zal rooven de vaten des Heeren, om ze in te dragen in het heiligdom hier boven.

God wil het. Christus doet het.

En ziet Hij komt, om te verlaten den hemel Zijner heerlijkheid, het kruis op Zich nemende, met verachting van de schande — en Hij rooft uit Satans hand al Gods gunstgenooten, de kleinen met de grooten, al woedt de hel en al verzet zich de mensch.

En ja — dan slaat en strijdt en benauwt Satan. 't Gaat door de angsten der hel heen! Maar Hij die gezegd heeft: „Ik zal!" wist wat Hij zeide. En Hij die gezegd heeft: „Ik kom!" wist het ook.

Waarom voor zielen in banden des doods hope der bevrijding is; voor gruwelijke zondaren verlossing; voor vervloekten heil.

En die uit de duisternis getrokken is en overgezet in Gods wonderbaar licht, valt neer in aanbidding voor den Heere, en zegt: ja, Heere, dat Gij gezegd hebt „Ik zal", dat is de oorzaak van mijn bevrijding — en in Hem, die gezegd heeft „Ik kom!" ligt mijn eenige en eeuwige hope.

Want Hij, die op aarde is gekomen, is gekomen om alles te zijn voor een ziel, die alles verbeurd heeft en voor Sion te wezen een algenoegzame, juist gepaste en eeuwig getrouwe Middelaar en Losser.

En zoo mogen dan degenen, die gezeten zijn in duisternis en in schaduwen des doods hunne voeten richten op den weg des vredes! Door Christus!

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken