Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Staat en Maatschappij.

4 minuten leestijd

De eindbeslissing.

Met 60 tegen 83 stemmen is het wetsontwerp ter bestrijding van de zedeloosheid door de Tweede Kamer aangenomen. Wel werd nog een poging aangewend — en het was Mr. Tydeman, die hiertoe het initiatief nam — om althans het bedrijf van den totalisator bij de wedrennen nog voorloopig te laten als het is, maar alleen reeds de vraag of zulk een voorstel aan de orde kon komen, vond èn bij den Minister van Justitie èn bij het grootste deel der Kamer zooveel bestrijding, dat zelfs van de behandeling van het amendement niets kon komen. En zoo mocht de Minister Regout ten slotte den arbeid van vele jaren met eene glansrijke overwinning bekroond zien. Met uitzondering van een vijftal linksche stemmen, die zich vóór de wetsvoordracht verklaarden, ging het bij de stemming rechts tegen links.

Het is niet voor het minst aan de krachtige verdediging van den Minister van Justitie te danken, dat het schip behouden in de haven binnenkwam.

Zooals we reeds opmerkten heeft het heel wat jaren geduurd, voordat het resultaat, waar het hier om ging, bereikt werd. Eerst was het Minister Loeff, die een voorstel tot bestrijding der zedeloosheid indiende. Dit ontwerp, door Minister van Raalte ingetrokken, werd later eenigszins gewijzigd weer door Minister Nelissen aanhangig gemaakt, terwijl daarna Minister Regout er de laatste hand aan mocht leggen.

Met dit ontwerp wordt een belangrijke stap gedaan ter bestrijding van de onzedelijkheid, waarbij de Overheid bij de indiening zich ten volle bewust heeft geweten van hare roeping.

Wijziging der Leerplichtwet.

Bij de behandeling van de wijziging der Arbeidswet in de Tweede Kamer werd van de zijde van enkele voorstanders van herziening der leerplichtwet van de gelegenheid gebruik gemaakt, om nog eens aan te dringen op verhooging van den leeftijdsgrens voor leerplichtige kinderen.

Men weet, dat de arbeidswet het tijdstip vaststelt, waarop een kind mag gaan arbeiden. Artikel 3 der wet bepaalt: dat eerst op twaalfjarigen leeftijd het kind arbeid mag verrichten.

In de voorgestelde wijziging der arbeidswet wil nu de regeering dit artikel 3 zoo wijzigen, dat het kind beneden de dertien jaar, of nog leerplichtig zijnde, niet aan het werk mag gesteld worden.

Een groot deel der linkerzijde vond dezen stap van te weinig beteekenis en wilde verder gaan en de dertien jaar veranderd zien in veertien.

In verband daarmede rees tevens voor die leden de vraag, of thans de tijd niet aangebroken was, om ook de leerplichtwet te verscherpen.

En de daad bij het woord voegende stelde de bekende schoolman, de heer Ketelaar eene motie voor, luidende:

De Kamer,

van oordeel, dat voor eene doeltreffende regeling ten aanzien van den arbeid van kinderen en jeugdige personen wijziging der leerplicht wenschelijk is;

dat deze wijziging behoort te omvatten uitbreiding van de leerverplichting voor de langere school tot den leeftijd van 14 jaren en invoering van leerplicht voor het voortgezet onderwijs.

In hoeverre de motie van den heer Ketelaar verband houdt met de wijziging van de arbeidswet en of bij het stellen der motie niet meer de gedachte voorzat, om de kwestie van de herziening der leerplichtwet ongemerkt aan de orde te stellen, laten wij in het midden. Maar zeker is het, dat zoo de motie mocht aangenomen worden, de gevolgen daarvan van zeer verre strekking zullen zijn. Dat die gevolgen bij aanneming van het gewijzigd artikel 3 der arbeidswet nog te overzien zijn, blijkt wel hieruit, dat o.m. de meeste leerlingen uit de fabriekscentra reeds tót ongeveer den dertien jarigen leeftijd op de school blijven. Het getal kinderen, dat tot den leeftijd van dertien jaar geen onderwijs geniet, gerekend van het 7e jaar af, bedroeg op 15 Januari 1909 ruim 38.000. Maar dit getal klimt bij uitbreiding van de leerverplichting tot het 14e levensjaar tot haast 100.000. En als men dan — afgezien van andere financieele gevolgen — alleen maar eens wil berekenen wat aan meerder onderwijssubsidie zal behooren te worden uitgegeven, dan loopt dit bedrag in. de millioenen.

Aan eene wijziging der leerplichtwet op dit punt, valt dan ook voorhands niet te denken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 24 March 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van Friday 24 March 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken