Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit het kerkelijk leven.

9 minuten leestijd

Onze Eeredienst.

Door het bericht uit den Haag over eenige wijzigingen in den vorm van den openbaren eeredienst en door de aankondiging van het boek van Dr. A. Kuyper over „onze Eeredienst" dachten wij weer eens na over de vraag wat is het wezen, de heerlijke strekking, het Gode welhehagelijke van de samenkomsten der Gemeente op Zondag ? En toen kregen wij een stuk van wijlen Ds. J. van Andel onder de oogen, waar we iets uit willen overnemen.

Ds. van Andel, in leven Geref. predikant, te Gorinchem, zegt o.a. „Elke plaatselijke gemeente vertegenwoordigt het lichaam Christi.

Hare leden zijn tot priesterlijke diensten geroepen in de gemeente, dat is, in het heiligdom Gods. Als priesters komen zij samen, brengen zij God de offers van lof en dank, bede en smeeking met hunne gaven voor het heiligdom en de broederen.

Dat is het wezen, de heerlijke strekking, het Gode welbegaaglijke onzer samenkomsten op Zondag.

Maar... - waar wordt het zóo begrepen en zóo beoefend?

Zeker niet daar, waar men naar de kerk gaat slechts om een prediker te hooren; waar men niet eens bedenkt, dat men er vóór alles wat te doen heeft, namelijk priesterdienst; en waar men waant, dat men daar lijdelijk moet neerzitten en niets te doen heeft dan zich te laten stichten.

Zulk een praktijk zou er door kunnen, als Rome gelijk had, en wij inplaats van mondige zonen een leekenmassa waren en de prediker de priester was, zoodat wij niets te doen hebben, dan ons van hem te laten dienen en bewerken.

Ach, mocht dat Roomsche element eens uit ons protestanten verbannen worden! Voorzeker zal dit niet geschieden tenzij de geest des Zoonschaps weder in de gemeente opwake.

Maar de predikers moeten daartoe het hunne doen. Zij moeten ons de rechte, zuivere leer aangaande den eeredienst voorstellen, temeer, daar zij eene verlorene en vergetene leer onder ons volk geworden is. Zij moeten ootmoedig-zijn en zeggen, dat zij niet de hoofdpersonen in de samenkomst zijn en dat hunne prediking niet het hoofdwerk aldaar is; maar dat de gemeente zelve werkzaam moet zijn, priesterlijk werkzaam in gebed en gezang, in de offering der gaven, in den dienst der liefde, gelijk zij dat is in de breking des broods bij haar heilig avondmaal".

Als we dat zoo lezen, dan moeten we bekennen, dat het te weinig onder ons gevonden wordt, dat de gemeente voelt zelf werkzaam te moeten zijn-

't Is dikwijls, dat men niet anders op 't oog heeft dan dit: „ wij gaan een preek hooren". En zeer zeker is de bediening des Goddelijken Woords een van de voornaamste dingen bij onze godsdienstoefeningen.

Maar het gebed, de dankzegging, de belijdenis, het lied, de sacramenten enz. enz., dat alles mag niet als het hinkende paard achteraan komen.

En daarom als de volle heerschappij van Gods Woord blijft, dan behoeven we niet te gaan doen als in Amerika, waar men telkens weer wat nieuws verzint om menschen te trekken, maar dat de Gemeente zelve meer gaat meeleven bij de Godsdienstoefeningen zou wel gewenscht zijn. (1 Petr. 2 : 9.)

„De zilveren koorde." III.

Ach, die Overheids-bemoeiïng!

Wat een ellende js er door in de Kerk gekomen, bizönder in onze Ned. Hervormde (Gereformeerde) Kerk.

Terwijl de Kerk vrij moest zijn, onder de Souvereine macht van Sions Koning, om vrij haar eigen zaken te regelen en te beheeren, om vrij zich in te richten naar uitwijzen van Gods Woord en vrij te leven uit haar goddelijk beginsel dat van boven is — is onze Gereformeerde Kerk helaas! van 't begin af aan door de Overheid niet vrij gelaten, daar de Overheid roeping gevoelde zóo haar hand op de Kerk te leggen, dat zij eigenlijk met de Kerk kon doen wat ze wilde.

Om nog eens even éen voorbeeld te noemen.

Te Dordrecht was in 1574 op de Synode bepaald, dat de predikanten liefst gansche bijbelboeken in vervolgstoffen voor de gemeente zouden behandelen en dan bij voorkeur uit het Nieuwe Testament zouden preeken en. uit het Oude Testament alleen met raad en advies van den Kerkeraad.

Nu had Dr. Johannes Fontanus van Arnhem (de bekende reformator van Gelderland) het Evangelie van Mattheus behandeld en gaf toen aan den kerkeraad in bedenking om in zijne predikatiën of den profeet Jesaja óf de openbaring van Johannes uit te leggen.

De Kerkeraad gaf hiervan bericht aan den magistraat en toen heeft 14 Januari 1588 „de magistraat, op goedvinden van den Kerkeraad, verstaan, dat Dr. Fontanus in zijne predikatiën den profeet Jesaja verklaren zou."

Heerlijke tijd toch, toen onze gereformeerde kerk gebonden was als de vogel, die in Artis met een ketting aan haar poot op een stokje zit. Zij kan met haar vleugels klepperen ; da's waar. Maar zij kan geen halven Meter zich verplaatsen, of die ketting trekt haar met pijn terug.

Heerlijke vrijheid!...

En de Kerk zucht nóg onder die verschrikkelijke Overheidsbemoeiingen.

Want wat is er in ons Vaderland in de dagen der Hervorming geschied?

Gemeente na gemeente nam den gezuiverden (gereformeerden) vorm van den Christelijken godsdienst aan.

Van onder de Roomsche dwalingen kwam de Heere Zijn Kerk hier te lande vrij maken, om ze terug te brengen tot de oude beproefde waarheid, die naar Zijn Woord is.

Niemand van de Hervormden dacht er dan ook aan, om te zeggen dat zij een nieuwe Kerk hadden gesticht, of dat zij van de eene Kerk tot de andere was overgegaan.

Zoo stond de zaak voor het bewustzijn onzer Vaderen niet.

Men was en bleef de Christelijke gemeente, hebbende den ouden Christelijken godsdienst nu gezuiverd van de dwalingen.

En omdat men dezelfde gemeente bleef, met den zelfden godsdienst, bleef men ook in 't bezit van de eigen kerkelijke goederen, daar de onzuivere Roomsche Kerk in hare publieke beteekenis was verdwenen.

De Christelijke Kerk in Nederland was verjongd en vernieuwd te voorschijn gekomen, door de genadige werking van Gods Geest daartoe gebracht! En het heilig Evangelie van Jezus Christus beschouwend als haar grootsten schat, bleef zij in bezit van de kerkelijke goederen, die voor de verbreiding van dat evangelie en voor het onderhoud van den Christelijken, eeredienst gegeven waren.

Die goederen waren oud, soms zeer oüd. Misschien waren er wel uit de dagen voor de algemeene invoering van den Christelijken godsdienst hier te lande, door de heidenen ter handhaving van hun afgodendienst, ter. ouderhouding van hunne tempels en ter bezoldiging van hun priesters bestemd, doch sedert door de Christelijke gemeenten verkregen en ontzaglijk vermeerderd.

De herkomst en de geschiedenis is veelszins niet aan te wijzen noch te verhalen.

En dus zou het niet meer dan billijk zijn geweest, wanneer de Gereformeerde gemeenten, die overal uit de Roomsche Kerk te voorschijn waren gekomen en den onzuiveren vorm van die Roomsche Kerk, in haar groote en algemeene beteekenis, in ons vaderland hadden doen verdwijnen, in het bezit waren gekomen van de kerkelijke goederen en fondsen.

Maar daar komt de Overheid aanloopenl Om die kerkelijke goederen aan de Roomsche Kerk te laten ? Neen I De Roomsche Kerk was als Kerk voor ons land en volk verdwenen.

Om die goederen dan aan de Gereformeerde Kerk toe te kennen om haar bij die goederen in haar rechten te beschermen? Neen! Want wél was de Gereformeerde Kerk nu de Vaderlandsche Kerk geworden, maar de Overheid vond het zoo begeerlijk in het goud en zilver te rammelen, dat men b.v. in de provincie Holland eenvoudig alle kloostergoederen in beslag nam, verkocht en gebruikte om... de oorlogskosten te vergoeden.

De Kerkelijke goederen, die aan de gemeenten behoorden, werden te gelde gemaakt en dat geld op verschillende z.g.n. geestelijke kantoren te Delft, den Briel en elders gebracht, om uit dit geld de nieuwe herders der gemeenten, de predikanten te bezoldigen.

In de provincie Friesland deed men anders. Daar liet men de kerkelijke goederen aan de gemeenten. Men maakte ze niet tot geld. Men liet ze in de handen der Kerk; uit welke oorzaak te verklaren is, dat men daar in Friesland nóg zooveel gemeenten heeft, die in het bezit zijn van pastoriën met rijke pastoriegoederen.

Evenwel konden de Staten van Friesland het toch niet over hun hart verkrijgen om van de klooster-en geestelijke goederen der Kerk af te blijven. Die verkocht men en de ontvangsten gebruikte men om oorlog te voeren èn ook om armen te bedeelen of onderwijzers te bezoldigen.

Frieslands machtigen zaten bij het vuur en zij hebben zich gewarmd.

En gelijk we in ons vorig artikel zagen — om er niet meer van te zeggen — de fondsen der geestelijke kantoren heeft koning Lodewijk Napoleon in 1808 eenvoudig in de schatkist gestort, waarbij hij bepaalde, dat de betalingen, die vroeger uit deze fondsen geschiedden, voortaan uit 's lands kas zouden geheven worden!

Weg zijn voor een groot deel de Kerkelijke en geestelijke goederen.

Weg! Voor een deel gestolen op de geestelijke kantoren; voor een ander deel door de Overheid gebruikt voor doeleinden die met het kerkelijk en geestelijk leven niets hebben uitstaan; ook voor een deel in de schatkist gestort, waarvoor de Kerk nu, als vergoeding, uit de schatkist rijkstractementen, academie-en kindergelden, pensioenen enz. ontvangt.

Weg zijn de goederen.

De rechthebbenden zijn er.

Maar de goederen zijn weg. De bewijzen van eigendom zijn weg. Daar staat de Kerk zonder!

En er behoeft maar een Regeering aan 't bewind te komen, die de schatkist voor de Kerk sluit en de rechthebbenden staan beroofd van geld en goed op straat.

Zóo heeft de Overheid met de Gereformeerde Kerk van Nederland gehandeld en de verschillende Gereformeerde gemeenten zijn er de dupe van. geworden!

Want neen! wij gelooven niet, dat er spoedig een regeering zal komen, die tot schrapping van art. 178 zal overgaan. Om verschillende oorzaken niet. Nederland is Frankrijk niet.

Maar de radicale en revolutionaire idééën zijn er toch in het midden van onze natie. En ze werken door op verschrikkelijke wijze.

Doch wat het voornaamste is, de Gereformeerde Kerk van Nederland, de gereformeerde gemeenten overal, zijn uit hun eigen bezittingen gezet en zijn niet vrijgelaten om hun eigen goed te beheeren en hun eigen zaken te regelen.

Waarbij nu de Overheid steeds willekeurig te werk gaat in het betalen aan de Kerk uit de schatkist, aan de Hervormde Kerk uitbetalingen doende, ook aan de Lutersche-, Remonstrantsche-, Roomsche Kerk — maar b.v. niet aan „de Gereformeerde Kerken", noch aan de Christ. Geref. gemeenten enz. Bij elke beweging op het terrein van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk niet vragende wie houden zich aan de belijdenis dier Kerk, maar wie zijn gehoorzaam aan de Synodale organisatie van 1816, door de hand van Koning Willem I op de Kerk gelegd, en sindsdien, onder voortdurend protest van duizenden, uit gemakzucht door de Synode zelf bestendigd.

Doch daarover D.V. de volgende week.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken