Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze Belijdenis.

8 minuten leestijd

Art. 10b: het uitgedrukte beeld der zelfstandigheid des Vaders en de glans Zijner heerlijkheid. Hem in alles gelijk zijnde. Dewelke is Gods Zone, niet alleen van dien tijd af, dat Hij onze natuur heeft aangenomen, maar van alle eeuwigheid, gelijk ons deze getuigenissen leeren, wanneer zij met malkanderen vergeleken worden".

XLI.

Tegenover alle gevoelens, volgens welke de naam „ Zoon van God" alléén moet opgevat worden in zedelijken zin, houden wij vast aan de belijdenis, dat Christus alléén de eeuwige natuurlijke Zoon van God is.

Het is dus niet waar, dat Christus de Zone Gods is in den zin waarin ook Adam in den staat der rechtheid als zoodanig kon aangemerkt worden; het is niet waar dat Christus de Zoon van God is in dien zin, dat Hij met buitengewone goddelijke gaven en krachten was toegerust; het is dus ook niet waar, dat Christus de Zone Gods slechts geweest is van het oogenblik af dat Hij onze menschelijke natuur heeft aangenomen.

Immers, als dat waar was, dan — gij zult het aanstonds gevoelen - dan was er geen sprake van een vleeschwording des Woords, dan zou het geen zin hebben dat Paulus tot de verborgenheid der godzaligheid rekent, dat „God is geopenbaard in het vleesch".

Integendeel, als wij Christus den Zoon van God noemen, dan doen wij dat omdat wij gelooven dat Christus alléén het eenige en eeuwige, het volle en waarachtige Zoonschap bezit.

Hij alleen is het afschijnsel Zijner heer­lijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid". Wanneer in dit bekende woord uit Hebreen 1: 3 van de heerlijkheid Gods wordt gesproken, dan worden daarmee bedoeld al de deugden en volmaaktheden Gods die hier onder het beeld van een licht worden voorgesteld. Van dat licht nu is Christus het afschijnsel. Vandaar, dat de Heiland zelf eens gezegd heeft: „Wie Mij gezien heeft, heeft den Vader gezien". Wie het afschijnsel van het licht gezien heeft, heeft in dat afschijnsel het licht zelf aanschouwd.

En als er gesproken wordt van Gods zelfstandigheid dan moeten we daaronder verstaan het Wezen Gods. Welnu, van dat Wezen Gods is een beeld uitgedrukt in den Zoon. Vandaar dat Christus zelf in 2 Cor 4:4 het beeld Gods en in Coll 1:15 het beeld des onzienlijken Gods geheeten wordt.

Zulk een afschijnsel, of wilt gij, zulk een beeld van God nu is Christus van eeuwigheid geweest. Hij is dat niet geworden door Zijn geboorte, veel minder door Zijn opstanding. Hij is dat ook niet geworden door zijn voorverordineering tot Zijn Middelaarsambt. Immers, in betrekking tot Zijn Middelaarswerk draagt Hij steeds den naam van Knecht, Engel of Gezant en nooit den naam van Zoon. De Zone Gods is Hij van eeuwigheid . krachtens een oneindige daad des Vaders, die gewoonlijk generatie wordt genaamd.

Wij mogen dus in geen geval zeggen, dat de Zoon door den Vader geschapen is. Immers, het begrip schepping sluit in zich een voortbrengen uit niets. Zoo gelooven wij dat de Heere den hemel met al wat er in is en de aarde met al wat er op is, geschapen heeft. D. w. z. dat de Heere op een enkel machtwoord door zijn alvermogenden wil dit alles heeft doen ontstaan. - Hij spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er. Maar iets dat ontstaan is heeft eenmaal niet bestaan. Gesteld eens dat de Zoon dus door den Vader geschapen zou zijn, dan zou Hij er eenmaal niet zijn geweest. En dit nu is in strijd met de Waarheid van Gods woord. .Immers, als de Zoon niet eeuwig Zoon was geweest dan zou ook de Vader niet eeuwig Vader zijn, want de Vader zou geen Vader zijn zonder den Zoon.

Van een geschapen zijn van den Zoon kan dus uit den aard der zaak geen sprake zijn.

En ook van een „geboren worden" van den Zoon kan slechts gesproken worden in betrekkelijken zin. Zeker, wij weten dat het woord geboren worden aan de Schrift is ontleend.

Immers „Ik was geboren als de afgronden nog niet waren". Daarom is het te billijken, dat ook onze Belijdenis zegt, dat de Zone Gods van eeuwigheid geboren is. Maar dat geboren worden van Christus, als Zone Gods, mogen wij toch niet opvatten in den zin dien wij, menschen, gewoonlijk aan het woord hechten. Voor ons toch is het begrip „geboren worden" altoos beperkt, omdat wij ons nooit een geboorte kunnen denken uit één enkelen persoon.

Voor iedere menschelijke en in 't algemeen voor iedere creatuurlijke geboorte is altoos het optreden van een moeder onmisbaar. Maar bij het geboren worden van den Zone Gods is dat niet alzoo. De Vader heeft den Zoon geheel en al voortgebracht uit de volheid van Zijn eigen Wezen,

Vandaar dat wij zeggen: „de Vader heeft den Zoon gegenereerd".

„Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd".

En niet dat er een oogenblik was waarop die generatie des Zoons is begonnen; en evenmin dat er een tijd zal aanbreken waarop die generatie eindigen zal. Neen, nooit was de Vader zonder den Zoon, en evenmin de Zoon zonder den Vader. En nooit zal de Vader los van den Zoon, noch ook de Zoon los van den Vader zijn. Die absolute daad des Vaders, waarbij het goddelijk Wezen aan den Zoon is medegedeeld, is een eeuwige daad, die nooit een begin had en waaraan ook nooit een einde zal zijn.

Het is dus een geheel eenige gestalte dien wij in den Persoon van Christus aanschouwen. Eenerzijds toch is Hij waarachtig mensch, vleesch van ons vleesch en bloed van ons bloed, geboren uit een vrouw, maar diezelfde Persoon, die zich zoo diep vernederde, dat Hij de dienstknechtsgestalte aannam, bestond in een andere bestaanswijze reeds lang voor den tijd waarop Hij zich door zijn menschwording zoo uitermate vernederd heeft.

Voor dien tijd bestond Hij in de gestaltenis Gods en achtte het geen roof Gode even gelijk te zijn. Met tal van getuigenissen uit de H. schrift zou dit kunnen aangetoond worden. Niet slechts met de getuigenissen die aan het einde van artikel 10 onzer Belijdenis met elkaar vergeleken worden, maar daar zijn meerdere woorden in de Schrift, die ons duidelijk wijzen op een eenheid tusschen Vader en Zoon, tusschen God en Christus, zooals die nergens tusschen den Schepper en Zijn schepsel bestaat. Aan Zijn goddelijke namen, als het Beeld, het Woord, en de Zoon Gods behoeft wel nauwelijks meer herinnerd te worden.

Zijn goddelijke eigenschappen zijn eveneens bekend. Of wordt Hij ons in Hebr. 13:8 niet voorgesteld als de onveranderlijk Getrouwe, die gisteren en heden dezelfde is en in der eeuwigheid? Wordt Hij in Hand. 1:24, 7:59 en Rom.:10:12 en 13 niet geteekend als de Alwetende, die de gebeden tot Hem opgezonden, hoort? Wordt Hij ons bovendien in Matth. 28:18, 1 Cor 15:27 en Openb. 1:4 en 19:16 niet beschreven als de Almachtige, aan wien alle macht in hemel en op aarde gegeven is en die een Overste van alle koningen der aarde is?

Maar niet slechts uit deze Goddelijke namen en volmaaktheden blijkt de eeuwige Godheid des Zoons, niet minder blinkt Zijn goddelijke grootheid daarin uit, dat Hij deelneemt aan de werken die alléén door God worden verricht. Zoo wordt aan Hem toegeschreven de schepping aller dingen. Volgens Joh. 1:3 en Coll. 1:5 heeft Hij met den Vader en den Geest alle dingen gemaakt. Volgens Coll. 1:17 en Hebr. 1:3 is Hij ook de onderhouder van alles, zoodat het niet alleen uit Hem, maar ook bij voortduriüg in Hem en door Hem bestaat. Bovendien wordt ook het werk der verlossing aan dén Zoon toegeschreven.

In Hand. 20:28, Coll. 1:14, Efeze 1:7, Hebr. 5:9 en 1 Petr. 1:18 en 19 wordt Hij Zaligmaker, Heiland of Verlosser genoemd. Hij is het dan ook die in natuur en genade wonderen verricht, die volgens Joh. 5:2 en 11:43 zelfs de dooden levend maakt en die de dingen die niet zijn, roept alsof zij waren.

Terwijl dan in de laatste plaats ook uit de goddelijke eer die aan Jezus toegekend wordt duidelijk blijkt, dat Hij zelf God is. Immers aan een geschapen wezen kan de eer, die alleen den Heere toekomt, nooit straffeloos gegeven worden.

De Heere is een jaloersch God op Zijn eere. Vandaar dat we telkens in de Schrift vermaand worden om den Heere alleen te aanbidden. Wijl de Heere Zijn eer aan geen ander geeft, noch Zijn lof den gesneden beelden. Maar als dan nu de Heiland de eer der aanbidding wordt waardig gekeurd, als b.v. de apostel zegt in Filip. 2:10 dat in den naam van Jezus zich zal buigen alle knie dergenen, die in den hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, is dat dan geen duidelijk bewijs, dat Hij is van hetzelfde wezen als de Vader, dat Hij dus is de eeuwige natuurlijke Zoon van God. En niet slechts de eer der aanbidding, maar blijkt het uit Joh. 14:1 en uit 1 Cor. 16:22 niet duidelijk, dat wij in den Zoon moeten gelooven met hetzelfde geloof waarmee men in God gelooft en dat wij den Zoon moeten liefhebben met dezelfde liefde waarmee men zich aan God verbonden gevoelt. Ja, de Heere heeft het zelf in Joh. 5:23 zoo duidelijk gezegd: Opdat zij allen den Zoon eeren, gelijk zij den Vader eeren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet die Hem gezonden heeft.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken