Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

En als de bloedwreker hem najaagt, zoo zullen zij den doodslager in zijne hand niet overgeven. Jozua 20:5a

De Vrijstad.

Het was een bekende instelling in Israel, de instelling van de zes vrijsteden, waarvan drie aan de eene en drie aan de andere zijde van den Jordaan moesten liggen.

Ieder weet dat zij een toevlucht waren voor den doodslager die onvoorziens iemand verslagen had en die nu door den bloedwreker werd vervolgd.

Stel u voor het gevaar, waarin zulk een doodslager zich buiten de vrijstad bevond. Zulk een doodslager immers had een moord begaan. Zij het dan ook dat hij het niet bepaald had bedoeld, hij had zich toch vergrepen aan het leven van.zijn medemensch, die eenmaal geformeerd was naar het beeld en naar de gelijkenis Gods. Zulk een doodslager stond dan schuldig aan overtreding van Gods heilig gebod. Hij had gedaan wat kwaad was in de oogen des Heeren en had dan ook niet anders verdiend dan dat het doodvonnis aan hem voltrokken zou worden. De bloedwreker, d. i. de bloedverwant van den verslagene, had dan ook recht om, als hij hem ontmoette, hem het hart te doorboren, zonder dat het hem een bloedschuld zou zijn.

O, wie gevoelt niet iets van den gevaarvollen toestand waarin zulk een doodslager zich bevond. Ieder oogenblik toch kon het zwaard van den bloedwreker hem treffen. Overal waar hij heenging kon hij dien bloedwreker ontmoeten: nergens was hij meer veilig. In zijn verbeelding zag hij het zwaard reeds opgeheven, waarmee de doodelijke wonde hem zou toegebracht worden. Waar zou hij zich bergen? Waarheen moest hij zich wenden?

Nergens kon hij rust vinden voor het hol van zijn voet. Ja toch, daar waren vrijsteden in Israel, die naar het bevel des Heeren op ongeveer gelijken afstand van elkaar verwijderd moesten zijn. Wanneer hij nu maar een van die vrijsteden bereiken kon, dan zou hij veilig zijn, want daar zou hij in de hand des bloedwrekers niet worden overgegeven.

O, wij kunnen ons voorstellen, niet waar, hoe alleen de wetenschap dat er zulke vrijsteden waren, den Israelitischen doodslager reeds eenige hope gaf. Die wetenschap was wel niet genoeg, want door die wetenschap alléén was hij niet veilig, maar toch die wetenschap deed den doodslager, die zich door den bloedwreker vervolgd zag, vluchten en die wetenschap dat er ontkoming was, gunde hem geen rust, voordat zijne voeten binnen de muren van een dier vrijsteden gekomen waren.

Nu ging echter het vluchten naar de vrijsteden vaak met allerlei moeilijkheden gepaard. Niet van de zijde Gods, want de Heere had het vluchten naar die vrijsteden zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt. Immers de vrijsteden waren zóó gelegen, dat de doodslager ze uit de verte reeds kon zien. Rechte wegen waren het die er henen leidden en bovendien moest de overheid in Israel zorgen, dat er bij een drie-of viersprong van den weg handwijzers waren geplaatst, opdat de vluchtenden niet van den rechten weg zouden afdwalen.

Maar de doodslager zelf legde zich vaak allerlei moeilijkheden in den weg. Soms verloor hij den tijd door om te zien naar den bloedwreker, soms gedacht hij aan alles wat hij in de plaats zijner inwoning had achtergelaten, soms ontmoette hij ook vijanden, wier toeleg het was hem in de handen van den bloedwreker over te geven, en soms meende hij ook dat hij toch nooit in de vrijstad zou komen, dat zulk een vrijstad veel te ver of veel te hoog lag dan dat hij haar ooit bereiken zou. En dan zat hij wel eens in moedeloosheid terneer.

Maar hoe dichter de bloedwreker hem op de hielen zat, hoe meer hij zich haastte om in één der vrijsteden te komen, totdat hij eindelijk, door angsten des doods voortgezweept, nederzonk voor de poort en als dan eindelijk de wachter hem had opengedaan en hij door de geopende poort was binnengegaan, dan was hij binnen de vrijstad veilig. Immers geen bloedwreker, hoe rechtvaardig zijn wraak ook scheen, mocht binnen de muren van de vrijstad worden toegelaten, zoodat het binnen de vrijstad de belijdenis van lederen doodslager wezen kon:

Ik zal door 's vijands zwaard  niet sterven, maar leven en des Heeren daan, waardoor wij zooveel heil verwerven, Elk tot Zijn eer doen gadeslaan.

Het gevaar van den doodslager buiten de vrijstad, de vlucht van den doodslager naar de vrijstad en de veiligheid van den doodslager binnen de vrijstad. O gij gevoelt allen, niet waar, dat ons hierin een treffend beeld van geestelijke dingen geteekend wordt.

Doodslager, dat immers is een naam die op ieder mensch van nature van toepassing is. Als zoodanig leert dan ook bij ontdekkend licht des Heiligen Geestes ieder ontdekt zondaar zich kennen.

Zeker, het is mogelijk dat wij geen doodslag begingen in letterlijken zin van het woord, dat wij dus om ons doodslaan nog nooit met den strafrechter in aanraking kwamen, maar we kennen het woord des apostels: een ieder die zijn broeder haat is een doodslager. En als we dezen maatstaf aanleggen, wie onzer zal dan vrij uit kunnen gaan?

Daarom is het gevaar zoo groot waarin ieder mensch, die niet in een vrijstad geborgen is, zich bevindt. Immers gelijk de doodslager in Israel ieder oogenblik en overal den bloedwreker kon ontmoeten, zoo kunnen ook wij ieder oogenblik en overal dien God ontmoeten, die als een Wreker, zeer grimmig, tegen ons komt.

En ziet, als wij dat nu verstaan, als wij dat nu bij het licht des Heiligen Geestes hebben gezien dat de Heere Zijn zwaard heeft gescherpt om er ons mee te slaan, dan is het met onze rust gedaan, dan kan er geen vrede meer in onze beenderen zijn. Waaneer een misdadiger weet dat zijn doodvonnis geteekend is en dat ieder oogenblik de beul zijn cel kan binnentreden, om hem te leiden naar het schavot, zou zulk een misdadiger dan nog wel in rust kunnen nederliggen? Maar zou dan een mensch gerust kunnen zijn, die ziet dat het zwaard van Gods wrekend recht boven hem hangt en die weet dat ieder oogenblik het vonnis van den eeuwigen dood aan hem voltrokken kan worden?

Neen, als een ontdekt zondaar bemerkt dat hij door den bloedwreker, dat hij door het rechtvaardig oordeel Gods wordt vervolgd, dan is hij, evenals de doodslager in Israel, aan radeloosheid ten prooi. Waar zal hij zich dan bergen? Zou er ook ergens nog een middel zijn om de rechtvaardig verdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen?

Neen, nergens! Ja toch, daar is een middel, want God zelf heeft geen zes vrijsteden, maar heeft in Zijnen Christus ééne vrijstad, de vrij­ stad besteld, waarvan al de vrijsteden in Israel slechts een flauwe afschaduwing waren. O wat een voorrecht, dat wij weten dat de Heere in Zijn Middelaarswerk voor doemschuldige doodslagers zulk een vrijstad ontsloot.

Maar hoe rijk dat voorrecht ook is, aan die wetenschap alleen heeft niemand genoeg. Gelijk in Israel geen doodslager veilig was voor hij binnen de poort van een der vrijsteden zijn voet had gezet, zoo is geen zondaar veilig of hij zal door het waarachtig geloof den Heere Christus moeten ingeplant wezen en alzoo in de vrijstad geborgen moeten zijn.

Maar gelijk nu de doodslager in Israel, die met het bestaan der vrijsteden bekend was, zich haastte om er heen te vluchten, zoo vlucht immers ook ieder, die zich onder Gods recht veroordeeld ziet, naar die eenige vrijstad, die de Heere in het werk van den Zaligmaker niet alleen heeft gesticht, maar waarheen Hij ook Zijnerzijds den weg zoo gemakkelijk heeft gemaakt.

Ja, van Gods kant Is de weg naar de vriistad Christus' zulk een gemakkelgke weg. Helaas, dat de ontdekte zondaar, evenals de doodslager in Israel, zichzelf nog weer telkens allerlei moeilijkheden en struikelblokken in den weg laat leggen en daarom ook zoo gedurig, nog ver van de vrijstad zijnde, in moedeloosheid neder zit. Daarom is het goed dat de bloedwreker Gods kinderen telkens maar weer dicht op de hielen zit. Immers hoe meer zij zich vervolgd zien, hoe meer behoefte er zal wezen om in de vrijstad te schuilen en daar voor de pijlen van Gods gramschap geborgen te zijn.

Alléén wie in de vrijstad is immers, is veilig. Zeker, ook op den weg naar de vrijstad mag een kind des Heeren vaak getuigenis ontvangen van de goedertierenheid Gods. Die geopende weg, die vriendelijke handwijzers, hoe hebben zij hem op den weg niet menigmaal gesterkt en hem voor wanhoop bewaard.

Maar zekerheid van hun zaak hebben die den Heere vreezen niet, voordat voor het oog van hun geloof de poorten van de vrijstad hun zijn opengedaan en zij het uit den mond des Heeren zelf vernomen hebben: zoon of dochter, wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven.

Ja, in de ark alléén was behoudenis voor Noach en zijn gezin.

In de vrijstad alléén was de doodslager in Israel voor de wraak van den bloedwreker bevrijd.

En zoo is het ook nu. Daar is geen rust, geen vrede, geen veiligheid en geen zaligheid buiten het werk van den Middelaar eenmaal op Golgotha volbracht.

Maar als we ook weten dat de poort van die betere vrijstad ons werd opengedaan, als we gelooven mogen dat de Heere ons borg in 't verborgen van Zijn tent, dan kunnen we ook verzekerd zijn dat het zwaard van den bloedwreker ons niet meer zal treffen.

Hoe streng en hoe rechtvaardig de eisch van de wet dan ook is, wanneer zij aan de vrijstad aanklopt om des doodslagers' ziel voor zich op te eischen, dan vindt zij op de poort van die vrijstad dit opschrift geschreven: Vader, Ik wil niet dat deze verloren zal gaan, want Ik heb verzoening gevonden.

Gelukkig wie binnen de muren van het werk van Christus veiligheid vinden mocht en op wien alzoo het woord van den dichter van toepassing is: „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken