Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze Belijdenis.

7 minuten leestijd

Art. 11a. Wij gelooven en belijden ook, dat de Heilige Geest van eeuwigheid van den Vader en van den Zoon uitgaat.

XLIII.

Wanneer wij aan de bespreking van den derden Persoon van het Goddelijk Wezen genaderd zijn, is vóór alle dingen noodig dat wij den nadruk leggen op Zijn persoonlijkheid. De groote strijd immers, die in den loop der eeuwen over den Heiligen Geest gestreden is, ging in de eerste plaats hierover, of de Geest des Heeren een „persoon" was of niet.

Volgens sommigen was en is de Heilige Geest slechts een naam om de kracht des Heeren of de heilige natuur van God aan te duiden. Men wijst er dan op dat de naam God in de Heilige Schrift nooit aan den Heiligen Geest wordt toegekend en dat Hij in de Schrift alleen maar als een kracht en als een gave Gods voorgesteld wordt. Gewoonlijk geeft men er dan deze voorstelling van: Ieder redelijk wezen, zoo zegt men, heeft eenen geest en wel zijn eigen geest. Dat wil zeggen: ieder heeft zijn geaardheid, zijn eigenheid, zijn .bijzondere richting, die hij in zijn denken, gevoelen en werken volgt; zijn eigen beginsel van handel en wandel, zijn eigen karakter hetwelk hij in zijn doen en laten betoont'en dat hij ook aan anderen kan meedeelen. Zoo nu heeft ook, aldus leert men, God Zijnen eigenen geest, een bijzondere richting van denken en willen, een eigen beginsel van leven en werken. God nu, zoo redeneert men dan verder, heeft, omdat Hij heilig is, een heiligen geest. Dat beteekent: in al Gods denken, gevoelen en handelen heerscht heiligheid; al wat Hij doet, doet Hij dus in dien heiligen, alleen het goede beoogenden zin. Dien heiligen geest, zoo leert men, heeft Hij in de hoogste mate gegeven aan Zijnen Zoon Jezus Christus. En het hoofddoel van de komst des Zoons in de wereld was geen ander dan om denzelfden geest aan de menschen naar de mate hunner vatbaarheid mede te deelen. Daartoe moest alles dienen wat Hij in de menschheid leerde, deed en leed, ten einde de menschen Hem in aard en zin gelijkvormig zouden worden. En die één van geest werden met Hem, zijn dan ook met den Vader volkomen verzoend en ook onderling door eenzelfden geest vereenigd als rechtgeaarde kinderen.

Op deze wijze wordt het tegenwoordig voorgesteld alsof de Heilige Geest niet anders zou zijn dan de in de Christelijke gemeente levende geest van gemeenschap met God en met elkander; een geest dus zonder persoonlijkheid.

Met deze voorstelling nu is onze Belijdenis ten eenenmale in strijd als zij het in artikel 11 uitspreekt „dat de Heilige Geest van eeuwigheid van den Vader en den Zoon uitgaat. Daarmee wordt de persoonlijkheid des Heiligen Geestes op den voorgrond gesteld.

Wel is niet te ontkennen dat de Heilige Geest in de Schrift ook meermalen een kracht Gods wordt genoemd. Denk maar aan het bekende woord van Lukas 1:35, waar de engel tot Maria zegt: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen."

Maar dat dit volstrekt geen bewijs is dat de Heilige Geest geen persoon zou wezen, blijkt wel v.n.l. daaruit dat ook Christus, de tweede Persoon van het Goddelijk Wezen, wel genoemd wordt een kracht van God. Denk maar aan 1 Cor. 1:24: wij prediken Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods."

Ja, dat de Heilige Geest meer is dan een levenlooze, van God uitvloeiende kracht, maar dat Hij werkelijk een Persoon is, die niet van God uitvloeit, maar wel van God uitgaat, dat blijkt uit het volgende:

In de eerste plaats wordt de Heilige Geest in de Schrift vaak op één lijn gesteld met den Vader en den Zoon. We denken hier bijzonder aan Mattheüs 28 : 19, waar den discipelen wordt opgedragen niet slechts in den naam des Vaders en in den naam d«s Zoons, maar ook in den naam des Heiligen Geestes den Heiligen Doop te bedienen, en aan 2 Corinthe 13:13, waar de apostel Paulus in zijn bekende apostolische zegenbede niet slechts spreekt van de genade van den Heere Jezus Christus en van de liefde Gods, maar ook van de gemeenschap des Heiligen Geestes.

In de tweede plaats heeft de Heilige Geest zich meermalen zelfstandig geopenbaard en ook daardoor heeft Hij bewezen dat Hij een eigen bestaan heeft dat van dat des Vaders en des Zoons wel niet gescheiden, maar toch onderscheiden is. Om slechts één enkel voorbeeld te noemen, wijzen wij u op den doop van Jezus in den Jordaan, Dan is het immers de Vader die spreekt, de Zoon die gedoopt wordt, maar het is de Heilige Geest, die in de gedaante van een duif uit den hemel nederdaalt en die daarna den Middelaar naar de woestijn heeft uitgedreven om van den duivel te worden verzocht.

In de derde plaats worden in de Heilige Schrift aan den Heiligen Geest zulke eigenschappen en werkingen toegeschreven als alleen aan een Persoon eigen kunnen zijn. Zoo wordt ons duidelijk geleerd dat de Heilige Geest heeft verstand zoowel als gemoed, zoowel als een wil. Volgens 1 Corinthe 2 : 10—13 onderzoekt Hij immers alle dingen, ook de diepten Gods, weet Hij hetgeen Gods is, evenals de geest des menschen weet hetgeen des menschen is. In Efeze 4:30 worden we gewaarschuwd tegen het bedroeven van den Heiligen Geest, gelijk we ook in Jesaja 63 : 10 reeds lezen hoe Israels volk in zijn weerspannigheid den Heiligen Geest smarten had aangedaan. Terwijl we van den wil des Heiligen Geestes kunnen lezen in 1 Corinthe 12:11, waar Paulus zegt dat de Geest des Heeren aan een iegelijk in het bijzonder deelt gelijkerwijs Hij wil.

Hieruit blijkt onmiskenbaar dat ook de apostelen van den Heiligen Geest gesproken hebben als van een goddelijk Persoon. Maar niet slechts de apostelen, niemand minder dan de Heiland zelf heeft ons den Heiligen Geest voorgesteld als een Persoon die spreekt, die in de Waarheid leidt en die troost.

Immers als Jezus zegt in Johannes 16:13: maar wanneer die zal gekomen zijn, nl. de Geest der Waarheid — Hij zal u in al de waarheid leiden, want Hij zal van zichzelven niet spreken, maar zoo wat Hij zal gehoord hebben dat zal Hij spreken en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen", dan gevoelen we aanstonds dat zulks niet van een onpersoonlijke kracht of van een bezielend beginsel of van een denkwijs of richting gezegd kon worden, maar dat de Heere hier niet anders op het oog kan gehad hebben dan een Persoon.

Zoo ook wanneer de Heere in Zijn afscheidsredenen, die ons in Johannes 14, 15 en 16 bewaard zijn, telkens spreekt vanden Trooster dien Hij na Zijn heengaan van deze aarde tot Zijne discipelen zenden zal, dan beseffen we dat de Heere met dien Trooster niet bedoeld heeft een kracht of een invloed die er na Zijn heengaan nog van Hem zou uitgaan, dat hier dus geen persoonsverbeelding (personificatie) in 't spel is, maar dat de Heilige Geest ons hier zeer bepaald als een werkelijk Persoon voorgesteld wordt.

De Heilige Geest is dus naar hetgeen de Heilige Schrift ons leert een Persoon, maar Hij is een Persoon, die van de Personen van Vader en Zoon wel te onderscheiden is. Wanneer Christus den Heiligen Geest als een Trooster — dus niet als een troost — aankondigt, dan zegt Hij dat die Geest een andere Trooster zal zijn. Het feit dat de Heilige Geest in Johannes 14 : 16 een andere Trooster genoemd wordt, is wel het duidelijkste bewijs dat de Geest wel persoonlijk naast den Vader en den Zoon moet geplaatst worden, maar toch ook weer onderscheiden van hen moet worden voorgesteld.

Dit denkbeeld ligt trouwens ook in het woordeke „uitgaan". Dat „uitgaan" mag echter niet bloot opgevat worden in den zin van gezonden worden, gelijk b. v. een dienaar gezonden wordt door zijnen heer. Wij moeten dan ook wel onderscheiden tusschen het uitgestort worden en het uitgaan van den Heiligen Geest. Het uitgestort worden ziet op de bijzondere wei king des Heiligen Geestes tot toepassing van het werk van den Middelaar, waarbij nog steeds de Pinksterdag ons bepaalt. Wat die uitstorting betreft, kunnen we zeggen dat de Heilige Geest gezonden is, want op de voorbede van den Middelaar zou Hij door den Vader gegeven worden. Maar als daar sprake is van het uitgaan des Heiligen Geestes, dan doelt onze Belijdenis daarmee op die eeuwige daad des Geestes, die ons de wijze van Zijn persoonlijk bestaan in het Goddelijk Wezen karakteriseert.

{Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken