Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit het kerkelijk leven

12 minuten leestijd

De „Gereformeerden" en de „Confessioneelen".

IV.

En nu wat betreft den Doop. Ds. Lingbeek zegt: „zij (de mannen van den Geref. Bond) doopen, wat in het doophuis komt, maar erkennen de gedoopten niet als erfgenamen des Verbonds."

Dat wordt ook maar weer zóo neergeschreven zonder eenig bewijs en zonder eenige kennis van de werkelijkheid; en dan zóo, dat het héél wat schijnt en feitelijk niets is.

Als de mannen van den Geref. Bond maar een knauw krijgen!

Weet Ds. Lingbeek niet, dat het allertreurigst staat met onze Herv. Kerk? Dat het in tal van families, alom in steden en dorpen, zoo diep, diep ellendig gesteld is in zake belijdenis en wandel? In zake hetgeen het Formulier om den Heiligen Doop te bedienen aan de kleine kinderen der geloovigen zegt in deze woorden: Ten derde, overmits in alle verbonden twee deelen (partijen) begrepen zijn, zoo worden wij ook weder van God door den Doop vermaand en verplicht tot eene nieuwe gehoorzaamheid, namelijk, dat wij dezen eenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur dooden en in een godzalig leven wandelen."

't Staat niet goed in deze in het midden van onze Herv. Kerk.

Bij elk Verbond zijn twee partijen. En nu is die tweede partij er niet af om bij dat verbond te zeggen: ik behoor toch óók tot de Herv. Kerk en mijn kind is toch ook een Hervormde van geboorte — om overigens in 't minst geen teekenen van „die nieuwe gehoorzaamheid" te vertoonen, ja, integendeel dagelijks teekenen te vertoonen van vijandschap, ongerechtigheid en onverschilligheid. Niet zelden ook van geslacht op geslacht hardnekkig volhoudende in het booze, om openlijk de waarheid te verloochenen, leugenleeringen aan te hangen, de wereld te dienen en roekeloos te spotten met God en Zijn dienst of publiekelijk te schenden Gods gebod en Gods verbond.

Dat doet niet zelden de tweede partij in dat verbond, in het midden van onze Ned. Herv. Kerk.

En zegt dan Gods Woord niets meer in betrekking tot deze zaak?

Hebben we onzen Catechismus dan héelemaal over boord geworpen?

Is er geen schenden van het verbond en is er dan geen toorn Gods meer, die komt over de gansche gemeente, over de gansche Kerk.

Als men deze zaak aanroert, dan is het beneden peil om die heilige zaak zóo aan te roeren als Ds. Lingbeek doet o. a. in „de Geref. Kerk" van 31 Oct. j.L, waar hij in de Vragenbus alles goedpraat tegenover Dr, Kuyper Jr., van Rotterdam. Of liever, waar hij het zóo voorstelt, dat in de Herv. Kerk, al de ouders die tot den Doop naderen, doop-of belijdende leden der kerk zijn, waar de. kerk geen bizondere bezwaren tegen hebben kan of mag, daar ze zich in hun belijdenis en leven als geloovige leden openbaren.

Hier spreekt Ds. Lingbeek grove onwaarheid. Want het staat helaas! — het wordt met diepe droefheid geschreven — héél anders in onze Herv. Kerk! Héél anders bij tal van doopouders èn wat het leven èn wat de leer betreft.

Er zijn er zéér velen, die zich als uitwendig ongeloovige en goddelooze menschen openbaren, wat ze niet zelden geenszins verbergen voor de Kerkeraads-Commissie of voor den predikant.

Neen, dan hebben we meer respect voor Dr. Kromsigt, als hij staat tegenover Dr. Niemeyer, den modernen predikant van Bolsward, die te Amsterdam optreedt om de vrijzinnigen ter stembus te jagen, en als Dr. Kromsigt dan in het debat zegt: „gij, modernen, hoort niet in onze Herv. Kerk thuis."

Er zijn toch ook grenzen in zake het heilige ! Of roept de Kerk dan niet de geloovigen, d. w. z. degenen die zich in belijdenis en leven openbaren als leden der Kerk, die met Gods Woord en met Gods inzettingen rekening houdend?

Ook al weer kenmerken en teekenen dus! waarnaar de Kerk, de ambtsdragers, een onderzoek moeten instellen wat het publieke, opienbare leven betreft.

Bij den Doop komen de ouders in het geding en het gaat er om of zij, waar de rechten en inzettingen Gods worden voorgesteld, waar de zegen en de vloek wordt voorgesteld, bereid bevonden worden om met hun kind in dat Verbond Gods in te gaan, die rechten en inzettingen te erkennen en aan te nemen, den vloek te gevoelen en den zegen te begeeren.

Daarom ook het antwoorden, het hoorbaar antwoorden van de ouders. Aan die voorwaarde moeten de ouders voldoen.

En dan is de Kerk minder dan een nul, als de Kerk niets anders gaat vragen dan: zijt gij zelf indertijd gedoopt? — en méér niet! Als de kerk totaal geen acht geeft op de ouders of ze ook spottend tot het heilige naderen, of ze ook jaar op jaar publiekelijk zich als mijneedigen openbaren.

Dan is de Kerk moedwillig, tegen beter weten in, ontrouw.

Dan brengt de Kerk zelf den toorn Gods over de gansche gemeente!

O, wij weten het wel, dat onze vaderen ruim waren in hun doopspractijken. Maar zij eischten toch altijd dat de doop gevraagd zoude worden en dat de ouders of getuigen de doopvragen zouden beantwoorden.

Neen, dan wilde men niet alles „curieuselijk" onderzoeken.

Met de publieke toetreding en met het in het openbaar beantwoorden van de vragen was men tevreê.

Maar we veroordeelen het, als de Kerk het in de hand werkt, dat er publiek gelogen wordt en dat de Kerk dan willens en wetens als getuige van die publieke leugen optreedt.

We veroordeelen het, wanneer publiek het verbond geschonden wordt, in woord en daad, dat de Gereformeerde Kerk van Nederland, met Gods Woord, met den catechismus, met de belijdenis, met het formulier in de hand, dan niet luide gaat verkondigen: de christelijke Kerk is schuldig, naar de ordening van Christus en van Zijne Apostelen, zulken — totdat zij betering huns levens bewijzen — door de sleutelen des hemelrijks uit te sluiten (Zondag 38).

En de prediking èn de tucht heeft hier wat te doen.

Want God is een jaloersch God! Vooral zoo dreigend, waar dikwijls niet eens „onder een christelijken naam onchristelijke leer of leven gevoerd wordt" (Zondag 31), maar waar niet zelden, trotsch zich verheffend op alle gemis aan kennis en eerbied, met opgerichten hoofde te midden van den dienst der wereld en zonde, brutaal de hand voor een oogenblik óok gelegd wordt op Gods heilig verbond, om zich 't zelfde oogenblik weer terug te begeven naar de tafelen des duivels en de geneugten der wereld en den raad der spotters.

Wat de raad der kerk niet zelden weet en stillekens laat gaan.

Doch zoo iets mag nooit goedgepraat worden met een dooddoener: 't is een genadeverbond, dat uitgaat van God en niet van den mensch.

Hier staat onze Geref. Kerk schuldig!

(Wordt vervolgd.)

'Een medewerker schrijft ons:

Confessioneele voorlichting.

(Vervolg.)

Hadden we het den vorigen keer over het goed recht van onze afwijking van de lijn der Vaderen op kerkelijk terrein, wijl wij thans de gevolgen doorzien, die er uit het door hen ingenomen standpunt voortvloeiden, hetgeen echter van hen kwalijk kan verlangd worden, thans willen we met klem van argumenten verdedigen, waarom wij hun opvatting op staatkundig terrein niet meer deelen en tevens van de gelegenheid gebruik maken om scheeve voorstellingen te weerleggen.

Ook hier maakt Ds. Lingbeek zich schuldig aan een foutief weergeven van de gedachten zijner tegenstanders. „ De Vaderen wilden — aldus schrijft hij in De Geref. Kerk van 9 Mei 1912 — blijkens art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis, dat de natie als een Christelijke natie zou worden erkend en dat de overheid eene Christelijke overheid zou zijn.

Dat willen de „Gereformeerden" (let op de aanhalingsteekens!) sinds Dr. Kuyper niet. Zij willen een natie en een overheid, die als zoodanig neutraal zijn en niet aan het gezag van God en Zijn Woord zijn gebonden. Terwijl dan de Christenen geroepen zijn om door hun meerderheid van stemmen zich van het gezag over die natie meester te maken.

Met andere woorden: niet een Christelijke natie, die zich aan het gezag van God en Zijn Woord onderwerpt, maar een neutrale natie, waarover de Christen tracht de heerschappij te verkrijgen.

In De Geref. Kerk van 12 Sept. 1912 voert hij tegen een predikant der „Gereformeerde Kerken" aan (wederom de aanhalingsteekens!): Uw ideaal is: een neutrale of Heidensche Staat met neutrale, dat is Heidensche Staats­ instellingen, Scholen etc.; en in dien neutralen Staat eenige Christelijke Kerken, wier leden al die neutrale instellingen in stand helpen houden, maar niet gebruiken en er hun eigen instellingen naast plaatsen.

Het kan geen kwaad daarnaast eens te leggen, wat de grootmeester van het Neo-Calvinisme in zijne breede uiteenzetting over de verhouding van Kerk en Staat in zijn veelgeroemde „De gemeene gratie" zegt. De lezer kan dan oordeelen in hoeverre Ds. Lingbeek's uiteenzetting juist is. Wanneer hij Latijn kent, dan zal hij zeggen; domine, toto coelo erras, d. i. gij dwaalt gansch zeer.

Het is alleszins billijk, wanneer Ds. Ling beek over het staatkundige standpunt van het Neo Calvinisme wil schrijven, van hem te verlangen, dat hij bekend is met de genoemde artikelenreeks. Anders oordeelt hij onverhoord, iets wat hij niet Gereformeerd vindt, vooral niet, wanneer het er over gaat om een modernen domine zonder vorm van proces den kansel te weigeren (zie De Geref. Kerk van 12 Sept. j.l.) — en wij (n.l. het onverhoord oordeelen van iemand) niet Christelijk.

Dr. A. Kuyper meent het recht te mogen hebben, van zijn beoordeelaars te vergen, dat zij. voortaan bij hun bestrijding uitsluitend naar de uiteenzetting daar gegeven verwijzen zullen. 1) Nooit is voorzeker aan hem grooter aangedaan, dan toen men hem de meeniog toedichtte en nahield, als zou hij beweerd hebben, dat de openbaring van het Woord alleen voor de geloovigen gold, zoodat op staatkundig terrein alleen te rekenen viel met de natuurlijke Godskennis. Met beslistheid moet elke voorstelling worden bestreden, alsof de openbaring Gods haar eisch slechts op een beperkt terrein zou doen gelden 2) De bijvoeging van „Christelijk" beteekent op zichzelf nooit iets anders, dan dat de Staat, de Overheid en de wet is gelijk ze, volgens den klaarlijk geopenbaarden wil van God zijn moet.

Van dien wil ligt de klaarste openbaring in de Heilige Schrift. 3) Hoe de Staat te beschouwen, in te richten en te leiden is, moet alzoo opgemaakt 1o. uit de kennisse van het natuurlijk leven, bezien bij het licht der Gemeene Gratie; 2o. uit de bijzondere openbaring, die ons gegeven is in de H. Schrift 4) Tusschen ongeloovige Staatslied.en en Christen-staatslieden bestaat alleen dit verschil, dat ongeloovige staatslieden ten slotte hun eigen wil als maatstaf of norma nemen en dat de Christenstaatsman steeds te vragen heeft naar den wil van God en zich aan dien wil heeft te onderwerpen.

Het is duidelijk — de lezers kunnen zelf oordeelen — dat Ds. Lingbeek met heel deze uiterst belangrijke artikelenreeks van Dr. A. Kuyper, waarin het standpunt van het Neo Calvinisme betreffende de verhouding van kerk en staat zoo principieel mogelijk wordt ontvouwd, onbekend is en zich desniettegenstaande niet ontziet het uit de hoogte te veroordeelen.

We begrijpen wel, hoe Ds. Lingbeek tot zijn onjuiste uiteenzetting is gekomen. Ook hij heeft houvast gezocht aan een enkele min gelukkige uitdrukking, die aan Dr Kuyper voor twintig en meer jaren ontvallen was. 6) In geschrift na geschrift toch is het dezen zelfs als hoofdzonde aangerekend, dat hij den neutralen Staat in beginsel zou verdedigen.

Terecht kan men hen verwijten, dat ze op hooren ïeggen afgaan en zich nooit de moeite gunden hetzij deze quaestie dei neutraliteit hetzij zijn gevoelen hierover met eenigen ernst te onderzoeken. Zonder iemand hard te vallen, vraagt Dr. Kuyper dan ook alleen, dat men nu voortaan, alvorens deze versleten aanklacht te herhalen, althans van deze reeks artikelen (d.i, die over Kerk en Staat) kennis neme. Wie zich de moeite geeft zijn gevoelen over een punt van gewicht volledig uiteen te zetten, heeft er recht op naar deze uiteenzetting en niet naar een incidenteele uitdrukking beoordeeld te worden.

Die volgens Dr. Kuyper „incidenteele" uitdrukking vindt men in Ons Program. De niet-belijdende Overheid is wel bevoegd en verplicht in volstrekten en rechtstreekschen zin de natuurlijke, maar niet de geopenbaarde godskennis als officieel richtsnoer van zijn optreden te nemen. 8) De overheid wortelt rechtstreeks in het natuurlijk leven en heeft als zoodanig, d. i. rechtstreeks, dus ook geen andere dan een natuurlijke godskennis. De politieke en toch den levenden God belijdende Staat der Gereformeerde of Puriteinsche volkeren, die den Staat rechtstreeks alleen op de natuurlijke godskennis bouwen en dientengevolge de overheid in de sfeer der natuurlijke godskennis actief, maar in de sfeer der geopenbaarde godskennis slechts passief als dienaresse Gods laten optreden 9) De overheid staat alzoo buiten het terrein van den geopenbaarden godsdienst. Zij bezit qualitate qua

i) De gem. gratie III blz. 89. 2) a. w. blz. 133. 3) a. w. blz. 148. 4) a. w. blz. 154. 5) a. w, blz. 163. 6) a. w. blz. 89. 7) a. Vv. blz. 176. 8) § 51. Vijfde druk 1907, blz. 79. 9) a. w. § 52 blz. 80, 8i, wel de natuurlijke godskennis, maar niet rechtstreeks de bovennatuurlijke, i)

Het zijn deze uitspraken van Dr. A. Kuyper die aan Ds. Lingbeek ten onrechte zijn voorstelling in de pen geven. Men behoort zich echter naar den uitdrukkelijken wensch van Dr. A. Kuyper ter kenschetsing van zijn standpunt niet hierop, maar, gelijk gezegd, op de artikelenreeks in De gemeene gratie — ruim 20 jaren na „ Ons Program" verschenen, te beroepen, hetgeen, naar we veronderstellen. Ds. Lingbeek alleen uit onbekendheid daarmee niet gedaan heeft. Zoo niet, dan zou hij spreken tegen beter weten in wat we niet kunnen gelooven. '

(Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 november 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 november 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken