Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

En legde de hand op hem. Matth. 8: 1—4.

En legde de hand op hem.

Wanneer de geschiedenis, in onze tekstwoorden vermeld, precies gebeurd is, weten we niet.

Uit de vergelijking van hetgeen Mattheus in het 8ste, Marcus in het 1ste en Lucas in het 5de hoofdstuk ons berichten, kunnen we opmaken, dat aan het feit zelve niet te twijfelen valt.

En we kunnen ons van de geschiedenis als zoodanig een duidelijke voorstelling maken. Maar om nu precies te zeggen op welk oogenblik dit wonder geschied is, dat gaat moeilijk.

Nu — dat is ook de hoofdzaak niet.

Wanneer we ons nu houden aan het verhaal van Mattheus, zien we, dat het geschied is vlak na de bergrede.

Velen hadden Hem hooren spreken over 't geen den mensch noodig is om zalig te worden. Arm van geest te mogen zijn, hongerig en dorstig naar de gerechtigheid, een goed fundament voor het gebouw van ons geloof en onze hope te mogen hebben — ja, daar zal het op aan komen.

Want anders zullen we rijk en verrijkt ons wanen en we zullen arm, ellendig, blind en naakt bevonden worden voor God!

We zullen ons wijs maken op een goed fundament gebouwd te hebben en het zal blijken een zandgrond te zijn.

En ach, die zich bedriegt voor de eeuwigheid — die is onherroepelijk verloren

Daarom is het goed, om naar die bergrede te luisteren om dan met deze dingen te mogen inkeeren tot ons zelf en gezet te worden tot een nauw onderzoek.

Wat aangenaam is het dan ook om te mogen lezen: toen Hij nu van den berg afgeklommen was, zijn Hem vele scharen gevolgd

Er was dus een zekere bekoring van des Heilands woord uitgegaan in het midden van die menschenmassa en velen konden er niet van loskomen. Het had hen aangegrepen in de conscientie. Ze moesten getuigen, dat was de waarheid!

Helaas! dat van die velen, die nu Jezus volgden, later weer zoo velen van achter Hem zijn henengegaan, om toch weer dndere paden te kiezen, meer naar den lust van het vleesch. In welke paden de mensch ten slotte ellendig omkomt.

O, de waarheid Gods is ook zoo hard. 't Gaat zoo tegen vleesch en bloed in. Er moet werk des Geestes aan te pas komen, om het harte er voor te winnen en de ziele er mee te vervullen. En ja, dan, dan is het: hoe lief heb ik Uwe waarheid, o God, zij is mijne betrachting den ganschen dag.

Dan is 't: ontneem mij alles, maar laat mij Gods dierbaar getuigenis. Dan is het: Jezus is de schoonste van de menschenkinderen; met Hem kan ik leven en sterven, maar moet ik Hem missen, dan ben ik verloren!

Maar ach, wanneer het werk des Geestes er niet aan te pas komt en ons harte niet gansch wordt verbroken en vernieuwd, dan kan de waarheid Gods misschien ons uitwendig aanraken en voor een tijd ons bekoren, doch het gaat niet dóór tot in de ziele en het gaat verachteren, het gaat verdwijnen, het is spoedig niet meer!

En voort hollen we weer in eigen gekozen paden, ons niet meer bekommerend om de dingen waarnaar we kort geleden nog aandachtig luisterden; en niet meer zoekend, dat, waarover we pas nog zoo belangstellend met deze en gene konden praten.

Wat is een mensch toch een ongelukkig schepsel ! Wat is zijn hart toch hard als diamant. En wat is het toch enkel en alleen Gods werk, wanneer een schepsel valt voor Zijn aangezicht, om Hem in oprechtheid te leeren aanroepen als een arm zondaar!

O, als de mensch toch eens besefte hoe diep ellendig hij van nature is, wat zou er een vluchten tot Christus gezien worden en wat zou de ziele er wél bij varen.

Dat zien we aan dien melaatsche, „die kwam, en Hem aanbad, zeggende: Heere ! indien Gij wilt. Gij kunt mij reinigen."

Waar kwam die ongelukkige vandaan ?

Hoe kwam die man er toe om tot Jezus uit te gaan?

Dat weten we niet.

Maar we weten wél, dat het een ongelukkige man was, die zich ongelukkig voelde in z'n eenzaamheid, waar hij door de menschen was uitgestooten en waar hij tet het heiligdom te Jeruzalem geen toegang had.

Neen, van de menschen behoefde hij het niet te verwachten. Niemand wilde met hem omgaan, niemand wilde hem aanraken, en ieder in Israël wist het, dat de melaatschheid een voor menschen ongeneeselijke ziekte was, die door God werd toegezonden en ook alleen door God kon worden weggenomen.

En ziet, waar nu die stumperd zich zoo eenzaam en ellendig voelde en wist, dat hij niet met menschen van doen had, maar met God, daar mag hij te midden van z'n ellende en smart opstaan, de menschen voorbij gaan en z'n schreden richten tot Jezus, Gods Zoon, zeggende: „indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen."

Iemand die levend dood was; die met de verrotting des vleesches en met de vertering der beenderen, in de eenzame woestijn ellendig rondzwierf, ziet, die mag z'n toevlucht nemen tot den Christus Gods, om in Hem te zien den Almachtige, die alleen helpen kan!

. „Gij kunt mij reinigen, " zegt hij.

In Jezus dus ziende Gods Zoon. Jezus' almacht erkennend. Belijdend: niets is voor U te wonderlijk!

En neen! voor den Heiland is niets te wonderlijk. Hij is het, die maar te spreken heeft en het is er, te gebieden en het staat er. En die in de wereld is gekomen, om het verlorene te zoeken om zondaren zalig te maken, om Zijn armen uit te breiden tot vermoeiden en een Helper te zijn van bedrukten.

Hij is de Almachtige, die den dood beheerscht en Lazarus opwekt; die de ziekten bedwingt en den geraakte doet wandelen; die de zonden vergeeft, en Zacheus doet jubelen van blijdschap.

Neen, nooit kan er iets te groot voor Hem zijn.

Ook geen melaatschheid gaat boven Zijn macht, om die te genezen.

De melaatsche gelooft het en belijdt het.

Hij spreekt het uit, waar allen bij staan.

Hij, de onreine, die van ieder uitgestooten is, komt tot de „vele scharen" die Jezus volgen en roept daar Christus' glorie uit.

0! wat is de melaatsche al vér gevorderd. Wat heeft hij een helder gezicht op Jezus. Wat kent hij Hem in Zijn deugden en heerlijkheid.

Als de ziel zoó ver maar komen mag ! Onrein, gansch melaatsch, den dood onderworpen, van God vervloekt, in het midden van de menschen zonder hulp — en dan het oog op den Heere te mogen slaan, dan naar Hem te mogen opzien, dan te gelooven in Zijn almacht, dan luide Zijne deugden te prijzen en Zijne heerlijkheid te verkondigen.

O! het is zoo groot. En den Heere is het welbehagelijk, gelijk het voor de ziele ten zegen is.

Want dan kan de ziele tot verruiming komen te midden van de benauwdheid, door het getuigen van Gods grootheid, Zijn macht en heerlijkheid.

Maar ... dan zegt de melaatsche: „indien Gij wilt".

En ach, als Jezus nu eens niet wil?

Want Hij is het toch niet verplicht!

't Is toch verbeurd en verzondigd. En zal de Almachtige nu omzien naar een onreine ?

Zal Christus zich nu ontfermen over een ongelukkige ?

Zal een, die bij de menschen is uitgestooten en in den tempel niet naderen mag, door den Christus Gods ontvangen worden ? Zal Hij zich met hem inlaten ? Zal Hij gemeenschap willen hebben met dezen ellendige ?

En o! dat is gegrepen uit elke ziel, die een oog gekregen heeft voor eigen zondeen doemstaat, zich zelf aanschouwend als voor het aangezichte van den grooten God.

Zal de Heere zich willen nederbuigen?

Z'n macht is onbeperkt. Maar Z'n liefde ? Z'n genade ? Z'n beloften en toezeggingen?

„Zou het wel voor mij zijn? " vraagt de ziele angstig.

't Is toch verzondigd. De Heere is toch niets aan ons verplicht.

En o! dat angstig, dat bang gevoel kan de ziele zoo vreeselijk verontrusten, zoo lang met benauwdheid kwellen.

Maar Hij is de éenige die het doen kan.

Een ander is er niet.

En daarom, waar zal de ziele henenvluchten ?

Waar zal de zondaar henen gaan?

't Moet tot den Heere. 't Moet tot den Heiland.

En o! dan valt de ziele, die weet dat Hij helpen kan, maar het geenszins verplicht is, voor Hem neer, zeggende : „kom ik dan om, dan kom ik om" ; den Heiland aangrijpende in Zijn macht en liefde, zeggende: „indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen".

En ziet, als zoo de ziel gedreven wordt om op Jezus aan te loopen, wetende met den melaatsche, dat het nergens ènders te vinden is dan bij Hem, dan bemerken we in deze onze geschiedenis, dat Hij die kan, maar niet verplicht is om ellendigen aan te nemen, met ongekende liefde en rijke ontferming de hand uitstrekt en hem aanraakt, zeggende: „Ik wil, word gereinigd".

Wat een gadelooze ontferming!

Geen mensch zou den melaatsche aanraken. Geen priester zou hem tot zich trekken.

En nu staat Jezus daar, de Goddelijke Hoogepriester en de schoonste onder de menschenkinderen, en Hij legt Zijn hand op den onreine en geneest hem. Nooit heeft Jezus de ellendigen ontloopen. Nooit heeft Hij zich verre gehouden van bedroefden en bekommerden.

Altijd heeft Hij gezegd : Ik ben voor zieken in de wereld gekomen ; Ik ben gekomen om te zoeken wat verloren is; Ik ben gekomen op aarde, niet om rechtvaardigen maar zondaren te bekeeren I

En wat mag ieder zondaar, die verlegen en verslagen van harte tot Hem vluchten mag, ervaren, dat het waar is wat Hij gezegd heeft. Want die Hèm aanroept in de nood vindt Zijn gunst oneindig groot. Die schreiend tot Hem vlucht, zal Hij geenszins uitwerpen. Heerlijk, indien de ziele dan door Gods Geest mag worden gedreven en gedwongen om tot Hem te roepen!

't Zal geen ziel berouwen om den nood voor God uit te schreien, om den schuld voor den Heere te bekennen, om Jezus aan te roepen in de benauwdheid, om te zeggen: Heere, ik laat U niet los, vóór dat Gij mij zegent.

Want nooddruftigen wil Hij verschoonen en aan armen uit gena. Zijn hulpe tot verlossing toonen; Hij slaat in ontfermen Zijn oog op hen, om hen van 't geweld des doods te bevrijden.

En 't wondere is dan: dat Hij, de Reine, de onreinheid van den ellendige overneemt en den ongelukkige het kleed der gerechtigheid omhangt.

O! 't is haast niet te gelooven, dat Hij het doen wil.

Maar zooals Hij eenmaal zich liet veroordeelen tot den dood, terwijl de moordenaar Bar-abbas toen van den dood verlost werd en als een vrij man uitging over de straat — zoo wil Hij als de plaatsbekleedende Borg de schuld en den vloek des zondaars op zich nemen, om den ellendige met goederen des heils te vervullen.

Daar ging de melaatsche. Als een gereinigde.

Door de aanraking van Jezus aam Zijn onrein lichaam.

En de priester kon hem onderzoeken «n vond geen vlek, geen smet, geen onreinheid meer aan hem!

Waarbij de gereinigde toen het offer der duiven moest brengen, door n.l. een duif te laten slachten boven levend water, het bloed van die duif te laten druppelen op de andere duif, om dan vervolgens die tweede duif in het open veld te laten vliegen, opdat zij vry zich in de lucht bewegen zou.

Voelt gij de beteekenis daarvan ?

Vrij is de éene duif — maar ten koste van het bloed van de andere.

Vrij, o zondaar! — maar door het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon.

Die is gestorven voor al de Zijnen.

Die heeft Zichzelf gegeven als schuldovernemende Borg.

En door Zijn dood is Sion genezing geworden.

Door Zijn bloed — reiniging van alle zonden.

O ! hoe kostelijk en heerlijk is de weg in Christus gebaand voor een arm en in zich zelf gansch verloren zondaarsvolk.

Doodschuldig in zich zelf.

Maar door het geloof in Christus van den vloek der wet verlost en geroepen tot het leven.

„Zoo is er dan geen verdoemenis voor degenen dié in Christus Jezus zijn".

Ontzondig mij met hyzop, en mijn ziel,

Nu gansch melaatsch, zal rein zijn en genezen.

Wasch mij geheel, zoo zal ik witter wezen

Dan sneeuw, die versch op 't „aardrijk nederviel.

Ai! geef mij weer gewenschte zielevreugd;

Laat uit Uw' mond mij stof tot blijdschap hooren.;

Zoo wordt op nieuw 't verbrijzeld hart verheugd

En in mijn geest de ware rust herboren.

Ps 51:4.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 29 August 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van Friday 29 August 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken