Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest ter plaatse mijner vreemdelingschappen. Ps. 119:54.

Een lied des Heeren in een vreemd land.

Een lied des Heeren in een vreemd land.

De 119e Psalm wordt wel eens genoemd de geestelijke apotheek van Gods Kerk. D.w.z. voor alle krankheden die het geestelijk leven vaak ondermijnen biedt deze Psalm een medicijn. Daarom is ook elke betuiging die er in voorkomt op zichzelf verstaanbaar, zonder dat bepaald naar het verband behoeft gezocht.

In het woord dat we hierboven schreven spreekt de dichter over de plaats zijner vreemdelingschappen. Welke plaats heeft hij daarmede bedoeld? Sommigen meenen dat David hier op het oog heeft de oorden zijner ballingschap, waar hij niet zelden heeft moeten vertoeven. We weten immers dat de man naar Gods hart telkens voor het aangezicht zijner vijanden vluchten moest. Was hij eerst door Saul gejaagd als een-hinde op de bergen, straks is hij zelfs door zijn eigen zoon Absalom uit zijn huis en uit zijn bezitting verdreven en heeft hij een tijdlang in den vreemde verkeerd.

Doch, al ontkennen wij niet dat hij bijzonder op die plaatsen gedoeld heeft, toch gelooven wij dat de plaats zijner vreemdelingschappen, waarover hij hier spreekt, een breedere beteekenis heeft, en dat hij hier meer zijn gansche aardsche leven op het oog heeft gehad.

Dat David immers zijn leven hier op aarde als een leven in den vreemde beschouwde, dat hij dus behoorde tot degenen van wie Paulus later zeide dat zij beleden hadden gasten en vreemdelingen op de aarde te zijn, dat blijkt o. m. zeker wel daaruit dat hij in het 19e vers van dezen Psalm deze belijdenis reeds had afgelegd: „ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg uwe geboden voor mij niet."

David was een vreemdeling op deze wereld. En een vreemdeling heeft daar waar hij als vreemdeling toeft geen blijvende plaats. Hij is er maar voor een tijd onder dak, hij trekt er eigenlijk maar door. En o, we weten dat het zoo niet alleen met David was, maar dat het zoo is met ieder menschenkind. Wij menschen zijn hier op deze aarde maar voor een korte spanne tijds. Wie onzer kent niet de beschrijving die de dichter van Psalm 90 van de kortstondigheid van ons aardsche bestaan gegeven heeft. „Wij brengen onze jaren door als een gedachte.... wij vliegen daarheen"? Ja, wie heeft het in de ervaring van zijn leven nooit bevestigd gezien, wat de Prediker zegt: „ De mensch gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers zullen in de straat omgaan"? O wat is het goed dat wij er telkens weer aan herinnerd worden dat onze dagen een handbreed gesteld zijn en dat ons leven als niets is voor God I Wat is het goed dat het ons gedurig weer wordt toegeroepen, dat deze wereld de plaats onzer vreemdelingschappen is, en hoeveel beter nog wanneer wij deze aarde ook waarlijk als zoodanig mogen beschouwen. Dan immers weten wij dat onze bestemming elders ligt.

En waar lag dan de bestemming van David, en waar ligt de bestemming van hen die bij Geesteslicht geleerd hebben dat zij hier op aarde gasten en vreemdelingen zijn? Ach, door de zonde hebben zij hun Vaderland verloren, door de zonde zijn zij niet alleen vreemdelingen geworden in een vreemd land, maar zijn zij ook het spoor naar hun Vaderland bijster geraakt. En eerst wanneer God nu komt om hun oog te ontsluiten voor dien verschen en levenden weg die daar in den Zoon Zijner eeuwige zondaarsliefde ontsloten is, dan leeren zij weer zien niet alleen dat er een Vaderhuis is waar vele woningen zijn, maar dat in dat Vaderhuis ook voor hen een plaats is bereid.

En zou er naar dat Vaderhuis dan niet een zeker heimwee zijn in hun hart? O zeker, bij den een is dat heimwee sterker ontwikkeld dan bij den ander. Dat is net als in het natuurlijk leven. Ook daar kunnen sommigen het een tijdlang in den vreemde uithouden, zonder dat er eenig verlangen naar huis in hun hart schijnt te zijn, terwijl daarentegen anderen schier door heimwee verteerd worden en met smachtend verlangen het oogenblik verbeiden waarop zij weer hun voet op den vaderlandschen bodem mogen zetten. Welnu, zoo is het nu ook met de geestelijke vreemdelingen, waartoe de dichter van dezen Psalm zich rekenen mocht. Ook in hunne harten ligt een heimwee naar Boven, maar het werkt niet altoos en niet bij ieder van hen even sterk. Er zijn er bij wien gij er vaak weinig van speurt; er zijn er ook die het van zichzelven niet durven gelooven dat er zulk een begeerte in hen gevonden wordt. Daartegenover echter staan anderen bij wie dat verlangen veel vaster en veel levendiger is. Maar dat neemt toch niet weg, bij een ieder, die de wortel der zaak, die een beginsel van het eeuwige leven deelachtig is, wordt iets gevonden van dat zuchtend verlangen dat zich uitspreekt in het bekende lied van den 42en Psalm:

God des levens, ach, wanneer. Zal ik nad'ren voor Uw oogen, In Uw huis Uw Naam verhoogen?

Gelukkig echter dat de Heere dat verlangen niet op hun tijd, maar op Zijn tijd komt bevredigen. Maar zoolang Hij het niet bevredigt, schenkt de Heere Zijn volk wat ook in het land hunner vreemdelingschappen noodig en nuttig voor hen is. Niet zelden wordt hun in het land hunner vreemdelingschappen zelfs een lied op de lippen gelegd.

Hoe zouden wij een lied des Heeren zingen in een vreemd land? Dat was eenmaal de twijfelmoedige vraag van Israels ballingen, die, gedachtig aan Zion, weenend nederzaten aan de rivieren van Babel.

Oppervlakkig beschouwd zouden we ook zeggen dat dat onmogelijk was om in een vreemd land een der vaderlandsche liederen op de lippen te nemen. En toch, dat het mogelijk is, de dichter van Psalm 119 heeft het bewezen. Immers op de plaats zijner vreemdelingschappen, ver dus van zijn vaderland, spreekt hij van gezangen die door hem werden aangeheven. En die gezangen waren voor hem de inzettingën Gods.

Uwe inzettingen, zegt hij, zijn mij gezangen geweest ter plaatse mijner vreemdelingschappen. De dichter spreekt hier dus over Gods inzettingen. Het kan u niet onbekend zijn wat we .daaronder hebben te verstaan. De inzettingen Gods, daar bedoelt de dichter hier mee alles wat uit den mond des Heeren is uitgegaan, zoowel Zijn bedreigingen als Zijn beloften, zoowel Zijn vloek als Zijn zegen, zoowel hetgeen den zondaar ontdekt en vernedert als hetgeen hem vertroost en verhoogt.

Ja, de inzettingen Gods zijn altoos tweeledig, eensdeels gebiedend, maar anderdeels belovend, eensdeels afbrekend, maar anderdeels opbouwend,  eensdeels ontmoedigend, maar anderdeels bemoedigend, eensdeels het sieraad makend tot asch, de vreugdeolie tot treurigheid en het gewaad des lofs tot een benauwden geest, maar anderdeels ook de asch weer makend tot sieraad, de treurigheid weer tot vreugdeolie en den benauwden geest weer tot een gewaad des lofs.

O gelukkig als we de inzettingen Gods als zoodanig mogen kennen. Dan immers krijgen wij uit Gods bevelen verstand; dan zijn zij onze teerkost op den weg naar het Vaderhuis; dan is het met Hiskia onze belijdenis: bij deze dingen leeft men en in dit alles is het leven mijns geestes.

En ziet, zoo was het nu ook met den dichter van onzen Psalm. De inzettingen Gods waren hem gezangen geweest ter plaatse zijner vreemdelingschappen. De inzettingen des Heeren waren dus de oorzaak dat hij aan de rivieren - van het geestelijke Babyion zijn harp van de wilgen had kunnen nemen.

Ach, zonder die inzettingen Gods dan was alle vreugd uit zijn leven gebannen; en zonder die inzettingen is er geen oorzaak waarom ook wij ons in waarheid zouden kunnen Verlustigen. O zeker, de wereld meent ook buiten Gods inzettingen om stof te hebben om zich te verheugen en van blijdschap vroolijk te zijn. Dat merkt gij in onze dagen zoo duidelijk in de z. g. n. onafhankelijkheidsfeesten, die thans allerwege gevierd worden en die door het volk worden aangegrepen om allerlei lofliedekens te zingen niet ter eere van den Schepper, maar ter eere van het schepsel. Maar dat de wereld zingt is enkel uit onkunde; alleen haar groote zelfverblinding is de oorzaak daarvan. Het gezang der wereld zal dan ook eenmaal verstommen. De profeet Ezechiël heeft het eenmaal voorspeld zeggende: „Ik zal het gedeun uwer liederen doen ophouden en het geklank uwer harpen zal niet meer gehoord worden."

De ziel, dië God vreest echter, leert dit ondermaansche leven gaandeweg meer kennen, zooals het in werkelijkheid is. En dan blijft er op zichzelf zeker niet veel zangstof over. Integendeel, ziende op alle zonde die zich in haar opdoet en die haar bovendien lichtelijk omringt, ziende op alle teleurstellingen die zich voordoen, ziende op alle begeerten die onvervuld blijven, en bovenal ziende op alle dood en verderf die om zich heen grijpen, dan is er veeleer stof om te klagen dan om te zingen, dan is er veeleer reden om te treuren dan om te juichen.

En toch geeft de Heere hier op aarde aan Zijn volk vaak stof om te zingen. Toch mag daar niet zelden een loflied worden aangeheven en gebeurt het menigmaal dat de harp wordt getokkeld en dat een vroolijk gezang van bevrijding weerklinkt.

Hoe komt dat dan? De eenige oorzaak hiervan ligt in de inzettingen Gods, omdat de Heere aan Zijn volk bekend maakt wat Hij in Christus aan hen heeft gewrocht. Ja, als hunne ooren daar iets van mogen hooren, als hunne oogen daar iets van mogen zien en hunne harten mogen daar iets van verstaan, dan ademen zij in het land hunner vreemdelingschap weer op. De inzettingen Gods, dat ziijn dan als 't ware de brieven die hun in hun vreemdelingschap uit het Vaderhuis hierboven worden toegezonden. En als gij wel eens in den vreemde verkeerd hebt, dan weet gij hoe goed het u deed, wanneer gij, misschien na lang wachten, eindelijk een brief vau uw vader, uw moeder, of van een ander dien gij liefhadt ontvingt. Zulk een brief gaf u dan immers wel eens een lied op de lippen en deed u soms schier opspringen van vreugd. Welnu, zoo is het nu ook met Gods kinderen, wanneer zij bij het licht des Geestes de inzettingen Gods als zoovele brieven uit den hemel mogen beschouwen. Dan leven zij weer op, en niet zelden kan het dan met den profeet Jesaja door hen beleden worden: „ik ben zeer vroolijk in den Heere en mijn ziel verheugt zich in mijnen God."

Gelukkig de mensch die met den dichter van Psalm 119 in de inzettingen Gods gezangen mag zien ter plaatse zijner vreemdelingschappen. Immers als de brieven uit het Vaderhuis u in het vreemde land reeds als hemelmuziek in de ooren klinken, wat moet het dan zijn, wanneer straks de reis voleindigd zal wezen en gij door de poorten der gerechtigheid zult ingaan in het huis des Vaders, waarin vele woningen zijn.

Dan zal 't gejuich ten hemel dringen; Dan zullen wij Gods eer, Bij opgestoken vaandels zingen: Uw' wensch vervull' de Heer'!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 12 September 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van Friday 12 September 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken