Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft. Jes. 66:20.

Der armen schat!

Alle hoovaardij draagt het brandmerk der dwaasheid aan het voorhoofd. Bijzonderlijk die zich tegen God verheft. Elke grond ontbreekt daaraan.

Als een landheer dè armen in zijn bosschen toelaat om hout te sprokkelen, en dezen praalden straks tegen dien rijke met wat uit zijn woud was saamgelezen, 't ware dwaas. Maar oneindig dwazer is 't, wanneer nietige menschenkinderen zich tegen God verheffen op wat enkel door Zijne gunst en uit Zijne hand hun gewerd.

Wat hebt gij, o mensch, dat gij niet ontvangen hebt, ontvangen om niet! In wat gij tot stand bracht werkten kracht en inzicht u van God geschonken. Gij, die in God leeft, u beweegt en zijt, welke roem rest u ? Immers geene.

Op 't zelfde oogenblik als Nebucadnezar zich verhoovaardigde op 't groote Babel, dat hij gebouwd had, werd hij uit zijn koningschap uitgestooten en den zinnelooze een woonplaats gewezen bij de beesten des velds en gras tot spijze. "

Hoovaardij grenst aan zinneloosheid. En als gelijk Godsgericht wierd voltrokken aan allen, die zich tegen God verheffen, wie ging vrij uit?

Toch, al toeft nog 't eindoordeel, God wederstaat den hoovaardige! Zelfverheffing is een gruwel in de oogen van Hem, Dit alles draagt. God wederstaat den hoovaardige! De Heere geeft Zijn eer aan geen ander. In alle hoovaardij schuilt een misdadige greep naar de kroon des Almachtigen. En dat wreekt zich. Zal een droge stoppel met een vuurgloed twisten ? het dorre blad met de kracht van den stormwind?

Op den wederstand, dien God den hoovaardige biedt, verplettert zich in 't eind al wat ingaat tegen God.

Laat ons wel toezien.

Der hoovaardij staat zoo menig schuilgewaad ten dienste.

Zoo vaak kiest zij de nederigheid tot een dekmantel.

't Gaat ons licht als dien Griek in de oudheid, die gescheurde kleederen droeg om zijn eenvoud te toonen; maar een ander riep hem toe: vriend, de hoogmoed ziet uit door de gaten van uw kleed.

Hoogmoed, die zich hult in 't gewaad van den eenvoud, is een dubbel verfoeilijk kwaad. Nauwgezet zelfonderzoek moet daartegen beoefend.

Verstaan wij, dat alle zelfverheffing opkomt uit zielsverblinding, dan moet ons de bede om verlichte oogen des verstands eene gedurige zijn.

Waarachtige zelfkennis breekt de hoovaardij des harten.

Als Gods Geest het dieplood der ontdekking neerlaat in den afgrond onzer verlorenheid, dan zinkt alle hoogmoed weg in die bodemlooze kuil. Dan dooft de vloedgolf onzer ellende al 't dwaallicht van gewaande grootheid.

Achterhaald door den cherub der Wet Gods moet de zondaar 't aanzien, dat al zijne gewenschte dingen in rook opgaan; onderden moker van het Recht Gods wordt alle eigene gerechtigheid tot pulver vergruizeld.

Dan. staat de praler van weleer beroofd en berooid. Hem bleef niets over. Heel de tempel van eigen sterkte en eer ligt in puin; Alles is verloren. Hoewel er eigenlijk niets verloren is; als wezenlijke winste moet voor een zondaar geboekt de schipbreuk van zijn eigen werk. Daarmee is de strik der doodelijke hoovaardij gebroken; het net van den zielverderver stuk gescheurd.

Wellicht verstaat de patient van den Goddelijken Heelmeester dit niet terstond.

Maar toch, op dezen zal Ik zien, spreekt de Heere, op den arme!

Gij verstaat toch, dat hier aan geestelijkarm-zijn moet worden gedacht, lezer.

Stoffelijke armoede geeft geen voorkeur voor 't Koninkrijk Gods.

Tot armen van GEEST gaat de blijmare van vrije genade uit.

De armoede, hier bedoeld, duidt op 't gemis van geestelijk goe4, gemis van God. En zulk arm-zijn grijpt oneindig dieper dan alle tijdelijke nood.

Zulk arm-zijn is niet te bannen door al 't goed dezer wereld; want wie dit alles gewon en schade aan zijn ziele leed, arm bleef in God, ware nog de ellendigste van allen. Deze armoede waart rond zoowel door de paleizen der grooten als door de stulpen der kluizen. Deze armoede versombert en drukt 't leven van elken mensch.

Maar hoe kan dit arm-zijn dan als aanduiding dienen?

Bedoeld is met den arme, op wien de Heere ziet, de Zondaar die weet heeft van zijne geestelijke ellende. De ijdele roemtaal: „rijk en verrijkt" is op zijn lippen verstomd. Arm en blind en naakt, jammerlijk en ellendig is de vijf koordige geesel geworden, die op zulk een neerstriemt.

Van God vervreemd is ieder mensch, ook gij, lezer.

En ook voor u allen is dit de bron van geestelijke armoede, zoo jammerlijk, dat geen woord dit volkomen uitdrukt. Maar hoe groot is nu 't onderscheid tusschen hem, die dezen kalen barren ondergrond des levens bedekt met de kunstbloemen uit den valschen schat van 't eigen hart, en degene, die de naakte werkelijkheid doorziet; voor wien de adem der Waarheid al die kunstige tooi heeft weggevaagd en die nu , vol droefheid staart op al zijn gemis.

De eigengerechtige wereldling draagt al maar nieuwen opschik aan, om te verbergen dat hij arm is; wie door God ontdekt en stilgehouden werd, voelt, dat in zijn groot gemis God alleen vervulling biedt.

't Gelukt hem niet meer langs anderen weg levensverzadiging te vinden. Of hij 't nooit beproeft?

Ach wie durft 't ontkennen; maar zijn trouwe God draagt er zorg voor, dat hij niet slaagt.

En nu zegt de Heere: op dezen zal Ik zien; zien in gunst en ongebonden erbarmen; zien met teeder welgevallen; zien als een moeder op haar doodkrank kind, neen in oneindig teerder ontfermen nog!

In dat zien verpandt God, de Getrouwe, de oneindige liefde van Zijn Vaderhart aan Zijn arm en ellendig kind.

Waarom.toch? Is daar dan in dat hulpeloos schepsel grond voor zulk  onzegbaar gunstbetoon? Maar immers neen, lezer.

Maar wie bracht dien arme tot erkentenis van zijn zielenood?

Is 't niet diezelfde God, Die nu in Christus Jezus ontfermend op hem ziet, wijl Hij 't werk Zijner genade mint, en nooit laat varen wat Zijn hand begon?

Die arme is een verslagene van geest!

Dat beduidt, dat hem de zelfaanklacht van den dichter door 't harte voert: 'k ben door Uwe Wet te schenden, krom van lenden, vol van druk, benauwd van hart! Door van zijn God af te wijken, viel hij in zoo namelooze ellende, dat maakt hem verslagen van binnen, en merk nu op, lezer! hoe hij in die verslagenheid zijn God eere geeft. Dat ook is Gods werk en op Gods werk rust Gods liefde.

Zonder genade vervult 't besef onzer ellende ons met bitterheid, of ook met wanhoop; als genade ons daarin leidt, dan wordt uit de verslagenheid des geestes droefheid naar God geboren, en o lezer! dat is zulk een vrucht van gesteldheid van den zieleakker. Dat is als malsche regen op het groene kruid. Dat vermurwt en verteedert; dat buigt en neigt naar God henen, bij Wien alleen hulpe is.

Dan wordt 't puin der ziele besproeid met de tranen van 't waarachtig berouw. In zulke harten maakt de Eeuwige woning. Die Zijn paleis in 't Hooge heeft gesteld.

Is er onder u, lezers, zulk een arme en verslagene: hij scheppe moed, zijn hart zal vroolijk leven; nooddruftigen veracht Gods goedheid niet.

Op dezen zal Ik zien, zegt de Heere.

Daar is tweeërlei zien bij God. Daar is een zien met het vlammend oog der wrake, waarvoor de duivelen en de goddeloozen sidderen zullen; daar is ook een aanzien in ontfermen, dat Hagar met haar kind leven deed, en dat alle verslagenen van geest zal doen leven in eeuwigheid. Daar is een. zien dat neerdrukt in eeuwige verwoesting; 't gaat over hen, die zich tegen God verheffen; maar daar is ook een zien, dat opheft uit verbrijzeling, dat zorgvol leidt langs de steilste paan, dat behoedt in 't bangst gevaar, dat veilig voert in de eeuwige rust.

Dat gaat over den arme en verslagene van geest, en die voor het Woord beeft! Dat is geen sidderen als der duivelen; geen beven als van hen, die zonder Borg worden gedagvaard ter hooge Vierschaar Gods.

Neen, maar 't beven van het kind; de diepe en stille eerbiedenis van den yerslagene; ook 't hoopvol wachten van den arme, tot de Vader der Lichten zijn Hand zal openen en Zijne schatkamer ontsluiten.

Ware verslagenheid openbaart zich in 't kinderlijk beven voor het Woord.

Niet alleen onthoudt zulk een zich van 't waanwijs bedillen en schiften der Schriften; niet alleen geeft zich zulk een gaarne gevangen onder de gehoorzaamheid aan het Woord; maar al wat hij bij zijn God zoekt en verwacht, zoekt en verwacht hij in den weg des Woords.

Dan is het Woord levend en krachtig geworden.

En 't leven Gods, dat ritselt in het Woord, deelt zich door dat Woord aan de zielen mee.

Gelijk de zephir de halm van het korenveld en het loover der boomen zachtkens wuiven en ruischen doet, zoo grijpt 't levende Woord Gods de verslagene ziele aan en stort er de roering des levens over uit.

Die zoo voor 't Woord beeft, schroomt dat Woord te weerstaan als 't Gods eischen vertolkt, maar is evenzeer beducht dat Woord te miskennen, waar het Gods Erbarmen uitroept over ellendigen, en 't jaar der vrijmaking spelt aan gebondenen.

Dan is 't Woord geworden wat 't ons zijn moet, de stemme onzes Gods, die doodt en levend maakt, die slaat en wonden heelt.

Al 't spreken Gods tot Zijn kind gaat door 't Woord; en wanneer er ook in onze dagen weer zijn, die oude dwaling oprakelen en uit hun zielservaren het Woord uitschakelen, zij mogen verbeden zijn daarvan af te laten, en bedenken, dat wie voor 't Woord niet beeft, alle aanraking met het leven Gods moet derven. Want in het Woord alleen raakt het leven Gods aan de sferen onzer ziel.

Op dezen zal ik zien! Lezer, ligt in deze rijke toezegging Gods niet genoeg om in onze ziel de oprechte begeerte te wekken naar de genade, die ons arm en verslagen maakt en leert beven voor het Woord?

Israels Wachter sluimert niet! Zorgvol waakt Zijn oog over al Zijn volk I Hij, Die de ontelbre sterren bij name roept en daar wordt er niet één gemist, Hij vergeet Zijn kinderen niet.

Als de liefdeblik des Vaders ons geleidt, dan gaat 't veilig langs de steilste wegenen door het donkerst pad, dan zal de kroon des levens in het land der ruste ons niet ontgaan.

Verslagenen ziet Hij zoo in Christus aan.

Verzet u dan niet, als Hij u den valschen schat der eigengerechtigheid ontneemt, in de diepte u leidt en voor Zijn Woord u leert beven; dat is de weg, donker en diep soms, doornig en steil vaak, maar toch de weg naar het Eeuwige Licht.

De Heere make in dien weg Zijns Woords uw gang en treden vast.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken