Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze Belijdenis.

10 minuten leestijd

Art. 14. En in al zijne wegen goddeloos, verkeerd en verdorven geworden zijnde, heeft hij verloren alle zijne uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had en heeft niet anders overig behouden dan kleine overblijfselen derzelve, welke genoegzaam zijn om den mensch alle onschuld te benemen; overmits al het licht dat in ons is, is in duisternis veranderd, gelijk de Schrift ons leert, zeggende: het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen; alwaar de heilige Johannes de menschen duisternis noemt."

LVI.

Door de zonde is de dood in de wereld gekomen. De bezoldiging der zonde, zegt de apostel Paulus, is de dood. En die dood vangt niet eerst aan bij de scheiding van lichaam en ziel. Die scheiding is slechts de voortzetting van een proces dat reeds veel vroeger begon. De dood werkt in den mensch van het eerste oogenblik van zijn aanzijn af. De mensch ligt immers bij zijn geboorte reeds gescheiden van Hem, die in den staat der rechtheid zijn leven was. Hij is van nature dood door de misdaden en de zonden. Vandaar dat hij in al zijne wegen goddeloos, verkeerd en verdorven is geworden.

De mensch is van nature een kwade boom en een kwade boom kan geen goede vruchten voortbrengen. Zeker, uiterlijk kan de natuurlijke mensch soms doen wat God hem gebiedt — vandaar dat we ook bij den mensch dezer wereld vaak burgerlijk-en uitwendig-zedelijk of uitwendig-godsdienstig goede dingen kunnen aantreffen — maar ook deze dingen doet hij van nature niet uit het beginsel der liefde. Vandaar dat ook zijne deugdzaamheid ten slotte nog zonde wordt voor God, en Jesaja het zoo terecht gezegd heeft, dat zelfs onze gerechtigheden voor den Heere niet anders zijn dan als een wegwerpelijk kleed.

In al zijn wegen is de mensch goddeloos, verkeerd en verdorven. Deze algeheele verdorvenheid van het menschelijk geslacht, dat ganschelijk onbekwaam zijn tot eenig goed en dat geneigd zijn tot alle kwaad, vinden we gegrond in verschillende uitspraken der H. Schrift. Zoo heeft de Heere Zelf reeds vóór den zondvloed getuigd, dat het gedichtsel van de gedachten van ons hart ten allen dage alleenlijk boos was (Gen. 6:5). Zoo heeft Job geklaagd, dat niemand een reine kan geven uit een onreine (Job 14:4). Zoo heeft Salomo in zijn gebed bij de inwijding van den tempel getuigd, dat er geen mensch is die niet zondigt (1 Kon. 8 : 46). En als de Heere Zelf, volgens Psalm 14 en 53, uit den hemel nederziet op de menschenkinderen, om te zien, of iemand verstandig is die God zoekt, dan geeft Hij dit getuigenis: wij zijn allen afgeweken, tezamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand die goed doet, ook niet één. Ja, ook volgens het woord van den Prediker (Pred. 7:20), is er geen mensch rechtvaardig op de aarde, die goed doet én niet zondigt. En om u te herinneren ook aan een enkele uitspraak van het Nieuwe Testament, verwijzen we u naar het breedvoerig betoog van den apostel Paulus in Rom. 3, dat de gansche wereld voor God verdoemelijk ligt en dat daarom, aangezien zij allen onder de zonde besloten zijn, uit de werken der Wet geen vleesch voor God gerechtvaardigd kan worden.

De volstrekte onmacht ten goede wordt dus in de H. Schrift zoo absoluut mogelijk geleerd. En die schrikkelijke toestand, waarin de mensch van nature verkeert, is een gevolg daarvan, dat hij al zijne uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had, verloren heeft en dat hij, zooals onze Belijdenis het uitdrukt, niet anders heeft overig behouden dan kleine overblijfselen derzelve.

Dus kleine overblijfselen zijn er toch nog. Echter niet om er ons op te verheffen. En toch wordt dit dikwijls gedaan. Het is immers van algemeene bekendheid, hoe die leer van de kleine overblijfselen vaak wordt aangegrepen om er des menschen onmacht mede te loochenen. Ziet ge wel, zoo roept men het den belijders van de Gereformeerde Confessie dan toe: uw eigen Belijdenis zegt het, dat er toch altoos nog iets goeds in den mensch is overgebleven. Wel niet veel, o zeker, dat geeft men dan ook gaarne toe, maar iets zou er toch altoos in den zondaar nog zijn, dat het hem mogelijk maakt, niet om zichzelf te verlossen, o neen, dat stemt men wel toe, maar dan toch om een hand, al was het maar een enkelen vinger, tot zijne verlossing uit te steken.

Tegen deze opvatting nu van de kleine overblijfselen dient met nadruk geprotesteerd En dat ook onze Belijdenis die kleine overblijfselen volstrekt niet in dien zin heeftopgevat, dat z I ook maar iets tot onze verlossing en zaligheid zouden kunnen bijdragen, dat blijkt wel daaruit, dat er onmiddellijk op volgt: welke genoegzaam zijn om den mensch alle onschuld te benemen.

Wat hier met deze kleine overblijfselen bedoeld wordt, is dan ook niet anders dan om te doen uitkomen, dat de mensch door de zonde niet ontmenscht is, maar wat zijn wezen betreft mensch gebleven is. Gewoonlijk drukt men dit zoo uit, dat de mensch door de zonde geen „stok of blok" is geworden.

Nu zijn er inderdaad geweest, die dit geleerd hebben. Lijnrecht in tegenstelling met degenen, die in den mensch nog iets geestelijk of wezenlijk goeds meenen te vinden, staat de voorstelling, die in Luthersche kringen nog wel gehuldigd wordt, dat de gevallen mensch te vergelijken is met een stok of een blok. Deze opvatting hangt samen met de opvatting die men heeft van het beeld Gods, waarnaar de mensch in den staat der rechtheid geschapen was. Schiep de Heere den mensch oorspronkelijk buiten Zijn beeld en drukte Hij later dat beeld op of in den mensch af, of heeft Hij hem waarlijk aanstonds naar Zijn beeld geformeerd? Wanneer wij het eerste leeren, dan be.schouwen wij het beeld Gods als iets bijkomstigs, en dan is de gevallen mensch nu wel het beeld Gods geheel en al kwijt, maar kan hij ook, zonder dat er iels wezenlijks aan hem veranderd wordt, weer in dat beeld ingezet worden. Uit dat beeld uitgevallen, heeft hij er dan ook nu niet het minste meer van overgehouden.

Zijn we echter van het tweede gevoelen, dat ons wezen zelf naar Gods beeld is geformeerd en dat naar datzelfde beeld onze menschelijke natuur ons is ingeschapen, dan kunnen we spreken van het beeld Gods in engeren en in ruimeren zin. Wat nu het beeld Gods in engeren zin betreft, dat hebben we door de zonde ten eenenmale verloren. Onze natuur is dan ook alzoo bedorven, dat wij ganschelijk onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad, en zal daar ooit weer iets goeds uit ons geboren worden, dan kan dat alleen een vrucht zijn van waarachtige wedergeboorte uit water en Geest,

Maar waar nu de zonde onze natuur verdierf, daar heeft zij ons wezen, daar heeft zij dus het beeld Gods in ruimeren zin onaangetast gelaten. De mensch immers is na den zondeval mensch gebleven. Van de grondtrekken van het menschelijk wezen is er door den val niet één teloor gegaan. Evenals gij aan een lijk nog alle menschelijke deelen vindt, die gij aantreft bij een levend menschelijk organisme — alléén de ziel is er uit weg — zoo vindt ge ook bij den geestelijk dooden zondaar nog al de gaven en krachten, die oorspronkelijk in hem gelegd waren. Alleen het geestelijk leven ontbreekt en zonder dat leven is er natuurlijk geen saambinding mogelijk en kan er niet anders dan ontbinding zijn. Evenals gij aan een gebroken uurwerk nog alle raderen vindt, die er in waren toen het nog liep, zoo vindt ge ook bij den gevallen mensch nog al de vermogens die hij als menschelijk wezen in den staat der rechtheid bezat. Alléén maar door de algeheele storing, die er in dat geestelijk raderwerk door de zonde is ontstaan, werken die vermogens juist het omgekeerde uit van wat zij eenmaal in den staat der rechtheid uitgewerkt hebben. De vermogens zijn er dus nog wel. Ook de gevallen zondaar immers heeft nog verstand, maar in dat verstand is hij van nature verduisterd. Ook de gevallen zondaar heeft nog een hart, maar dat hart is van nature een „vuile bron van al zijn wanbedrijven, " En zoo heeft ook de gevallen zondaar nog wel een wil, maar het is een wil, die zich van nature nooit uitstrekt om het goede te doen, maar altoos om het kwade te werken.

Hieruit blijkt, dat de mensch dus, wat zijn wezen betreft, niet gelijk is aan een stok of een blok, maar dat hij ook na den val mensch is gebleven en als zoodanig ook voor al zijne zonden verantwoordelijk blijft. Was de mensch werkelijk te vergelijken met wat men gewoonlijk noemt een stok of een blok, dan kon hij in de eerste plaats niet meer aansprakelijk gesteld worien voor wat hij misdeed en dan kon hij zich in de tweede plaats niet tegen den Heere verzetten. En we weten immers, dat doet hij juist wel.

De kleine overblijfselen, waarvan onze Belijdenis spreekt, en het „eenig licht der natuur, dat ook na den val in den mensch is overgebleven", waarvan in aansluiting hiermee ook de Dordtsche leerregels gewagen, zij beteekenen niets anders dan dit, dat de mensch ook na den zondeval zijn menschelijke natuur heeft behouden. Vandaar dat die kleine overblijfsels ook alleen dienen om hem alle onschuld te benemen. Maar dat hij „door dit overgebleven natuurlicht nooit tot zaligmakende kennis van God of tot bekeering van zich zelf kan komen" het wordt door Schrift en ervaring beide geleerd en bevestigd.

De natuurlijke mensch kan niets goeds willen en niets goeds doen. „Zal ook een Moorman zijn huid veranderen of een luipaard zijn vlekken? Zoo zult gijlieden ook niet kunnen goeddoen, die geleerd zijt kwaad te doen." (Jerem, 13:23). „Daarom dat het' bedenken des vleesches vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet, " (Rom, 8:7).

Het goede dat een mensch nog krachtens zijn wezen als mensch doen kan en niet zelden ook doet, beweegt zich uitsluitend in de wereld van het zichtbare, en heeft dus ook alleen beteekenis voor het natuurlijk bestaan. Wat echter de onzichtbare dingen, de sfeer des geestelijken levens betreft, staat hij volslagen machteloos en kan hij eer met zijn hand aan den hemel reiken dan dat hij door eigen kracht ook maar iets kan worden van wat hij voor den Heere moet zijn.

Neen, zonder wedergeboorte mag een mensch in natuurlijke dingen soms nog goed oordeelen — hoewel zijn oordeel ook daarin niet zelden verkeerd blijkt te zijn — maar met betrekking tot de geestelyke dingen dan is al het licht dat in ons is, geheel en al duisternis, „De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden, " (1 Cor. 2 : 14). Vandaar dat het ook niet te verwonderen was dat de wereld het licht dat eenmaal in haar duisternis scheen, niet begrepen heeft en dat zij zelfs getracht heeft om dat Licht des levens te blusschen. Immers „dit is het oordeel dat het licht in de wereld gekomen is, en de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hunne werken waren boos."

Ontzettende toestand dus waarin de menschheid van nature ligt weggezonken. Wel te kunnen bedenken en te kunnen doen wat verkeerd is en slecht, maar niets te kunnen bedenken en niets te kunnen doen wat recht is en goed.

Tot dit laatste moet de mensch eerst in de wedergeboorte het vermogen erlangen. Wel mocht de apostel dus zeggen (2 Cor. 3:5): Niet dat wij van onszelve bekwaam zijn iets te denken als uit ons zelve, maar onze bekwaamheid is uit God."

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 15 May 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van Friday 15 May 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken