Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze Belijdenis.

8 minuten leestijd

Art. 15a. Wij gelooven dat door de ongehoorzaamheid Adams, de erfzonde uitgebreid is geworden over het gansche menschelijk geslacht, welke is een verdorvenheid der geheele natuur.

De zonde, de ontzaglijke klove, die daar tusschen God en mensch, tiusschen Schepper en schepsel bestaat, kan uit tweërlei oogpunt bezien worden.

Eenerzijds juridisch en anderzijds medisch.

Wanneer wij de zonde juridisch beschouwen dan is zij schuld die geboet moet worden. Wanneer wij haar echter uit medisch oogpunt bezien dan is zij een gebrek dat genezing behoeft. Nu kan, bij een juiste opvatting van het feit der zonde, geen van beide beschouwingen gemist worden.

En evenals de zonde zelf uit tweeërlei oogpunt dient bezien, zoo is het ook met den samenhang, met het verband dat er bestaat tusschen de eerste zonde, die eenmaal in het Paradijs werd bedreven, en den stroom van ongerechtigheden, die zich van daaruit over de gansche aarde heeft uitgestort.

Daar zijn er die, op voetspoor van Pelagius, het bestaan van zulk een verband ten eenenmale ontkennen, en er zijn anderen die dien samenhang wel niet loochenen, maar die er zich toch een gansch verkeerde voorstelling van gevormd hebben.

Volgens degenen, die den samenhang tusschen Adams en onze zonde geheel en al wegcijferen, staat iedere zonde op zichzelf. Bij hen is er dus van een zondige natuur of van een zondige gezindheid geen sprake. Er zijn alleen zondige daden, die met den persoon zelf niet anders in verband staan dan dat zij de gevolgen van zijn volkomen vrije wilskeuze zijn. De eenige invloed dien zulke zondige daden op anderen kunnen uitoefenen is die van het kwade voorbeeld. Vandaar dan ook, volgens deze Pelagiaansche opvatting, de algemeene zondigheid van het gansche menschelijke geslacht. Die algemeene zondigheid kan alleen daaruit verklaard worden dat de menschen in den regel zulk een kwaad voorbeeld aan anderen geven, en daardoor niet alleen op tijdgenooten, maar ook op nakomelingen zulk een slechten invloed oefenen.

Nu mogen wij den invloed van het kwade voorbeeld zeer zeker niet gering schatten. Wij zien dat aan hen die, uit slechte ouders geboren, altoos in een goddelooze en zedelooze omgeving geleefd hebben. Maar daarnaast mogen we niet vergeten dat dat slechte voorbeeld nooit zulk een invloed ten kwade zou hebben kunnen uitoefenen, indien het hart zelf niet zulk een neiging tot het kwade in zich droeg. En .zoo is het omgekeerd ook met de goede voorbeelden die gegeven worden. Ook daarvan mag de waarde geenszins miskend, maar toch mag aan de andere zijde niet vergeten worden dat alle goede voorbeelden met volkomen machteloosheid geslagen zijn, indien eerst het hart niet zoodanig veranderd is dat het voor het goede ontvankelijk werd.

Wij mogen dus wel zeggen dat het voorbeeld vaak de aanleiding is dat de zonde tot ontwikkeling komt, maar de wortel der zonde schuilt in het hart. Daar in het binnenste van den mensch, daar ligt de bron van al zijn wanbedrijven, en die vuile bron is de oorzaak der zonde; die kwade boom draagt er de schuld van dat er geen goede vruchten worden voortgebracht.

En die kwade boom dat is nu maar niet uw of mijn hart, dat is nu maar niet de natuur van dezen of genen, maar die kwade boom dat is de menschelijke natuur in 't algemeen, dat is dus die natuur waarin wij allen — niemand uitgezonderd — ontvangen en geboren zijn.

In die menschelijke natuur ligt dus het verband tusschen de zonde van Adam en de zonde van ons. Maar nu doet de vraag zich Voor: welk is nu dat verband, waarin bestaat nu die samenhang? Diegenen nu die zich van dat verband een onschriftuurlijke en dus verkeerde voorstelling hebben gevormd, de z.g.n. semi-Pelagianen stellen het zóo voor, dat de mensch zijn bedorven natuur, waar de zonde uit opwelt, wel uit zijne ouders heeft medegebracht, maar zij houden daarbij staande, dat die zedelqke verdorvenheid geen zonde is die het karakter draagt van schuld. Zij meenen dat die aanklevende verdorvenheid, die zij dus alleen uit een medisch oogpunt bezien, wel genezing behoeft maar geen straf waardig is, en dus ook niet verzoend behoeft te worden.

Nu is het in de eerste plaats zeer ongerijmd om de dadelijke zonden wel strafwaardig te achten en de erfelijke verdorvenheid alleen maar te beschouwen als een gebrek. Immers waarom ligt in zonde het begrip van schuld ? Is het niet daarom omdat de zonde ongerechtigheid is? Overtreding van Gods heilig gebod, schending van Gods onkreukbaar recht? Ja, dat de mensch in verzet is gekomen tegen de Majesteit van den hoogsten Wetgever, dat hij negatief van de Wet Gods is afgeweken en positief gedaan heeft wat met die Wet in tegenspraak is, dat heeft den mensch tot zondaar gemaakt. Maar of hij dat nu gedaan heeft door een persoonlijke daad, dan wel door een verdorvenheid die zijn natuur aankleeft, dat is in dien zin volkomen gelijk, dat hij zich in beide gevallen aan schending van Gods Wet heeft schuldig gemaakt, en dat er diensvolgens in beide gevallen schuld aanwezig is en er mitsdien ook straf volgen moet.

Maar niet alleen dat het ongerijmd is om wel van erfsmet doch niet van erfschuld te spreken, maar het is bovendien ook in lijnrechte tegenspraak met de doorloopende beschouwing van de Heilige Schrift. Die Schrift toch gaat overal uit van deze gedachte dat de menschheid maar niet bestaat uit eene willekeurige hoop zielen, die wel eeuwen naast en met elkander geleefd hebben, doch die in oorsprong en wezen niets met elkander te maken hebben. Integendeel, volgens hetgeen ons in Gods Woord geleerd wordt, is de gansche menschheid een eenheid en kan zij het best vergeleken met een lichaam dat vele leden of met een boom die vele takken heeft.

Adam wordt ons in de Heilige Schrift niet slechts voorgesteld als een mensch, maar als de mensch. Hij was de wortel waaruit gansch het menschelijk geslacht zich heeft ontwikkeld. En niet slechts dat er een natuurlijk, een z.g.n. physisch verband bestaat tusschen Adam en alle degenen die uit zijne lendenen zijn voortgekomen, maar daar is ook een z.g.n. juridisch en ethisch verband, in dien zin nl. dat Adam kan aangemerkt worden als hoofd van het Verbond der werken dat de Heere in hem met gansch de menschheid had opgericht.

Uit dit feit nu, dat de gansche menschheid in Adam onderworpen was aan de Wet des Heeren, kan afgeleid worden dat de menschheid ook één gebleven is in haar diepen val. Wanneer wij dan ook de Heilige Schrift opslaan dan zien wij dat ook zij het voorstelt dat in Adam de gansche wereld voor God verdoemelijk ligt. Alle onderscheid in rang of stand, in eer of gaven, dat onder de hemelen bestaat, is een vrucht van Gods genade. Van nature echter zijn alle menschen voor den Heere gelijk, want zij zijn allen zondaren, daar is niemand die goed doet, ook niet tot één toe; tezamen zijn zij afgeweken en onnut geworden; zij zijn allen besloten onder de ongehoorzaamheid en mitsdien onder den rechtmatigen toorn van God.

Die organische eenheid van het menschelijk geslacht, ook wat haar schuld voor den Heere betreft, wordt door den apostel Paulus in Romeinen 5 diepzinnig behandeld en duidelijk verklaard. Daar toch wordt in vers 12 gezegd: daarom gelijk door éénen mensch de zonde in de wereld ingekomen is en door de zonde de dood en alzoo de dood tot alle menschen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben." — Door dit woord heeft de apostel maar niet willen zeggen dat alle menschen eenmaal sterven moeten, maar dat zij allen, niet in zichzelven en niet in hunne ouders of voorouders doch reeds in Adam gestorven zijn. Dezelfde gedachte vinden we ook in 1 Corinthe 15:22: Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzoo zullen zij ook in Christus allen levendgemaakt worden."

De apostel heeft hiermede dus dit willen zeggen dat de menschen niet eerst aan den dood onderworpen zijn doordat zij zelve gezondigd hebben of doordat hunne ouders of voorouders zich hebben schuldig gemaakt, maar in Adam zijn zij reeds gestorven: de oorzaak en het beginsel van den dood, waaraan wij allen onderworpen zijn, moeten dus bij Adam gezocht. Nu kent Paulus geen andere oorzaak van den dood dan de zonde. Wanneer allen gemeenschap hebben aan Adams dood, dan moeten zij dus ook allen gemeenschap hebben aan de zonde waaraan ons Verbondshoofd zich heeft schuldig gemaakt. Vandaar dat de apostel in het vervolg van Rom. 5 ook doet uitkomen, in vers 16, dat „de schuld is uit ééne misdaad tot verdoemenis" en in vers 18 dat „door ééne misdaad , . de schuld gekomen is over alle menschen tot verdoemenis." Ja, in vers 19 zegt hij het nog duidelijker en^ wel met deze woorden, dat , door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch velen tot zondaars gesteld zijn geworden." Daarin ligt de gedachte opgesloten van toerekening. Immers dat „tot zondaars gesteld" beteekent zooveel als „in den staat van zondaren gebracht." Evenals in het stuk der rechtvaardigmaking de gerechtigheid van Christus allen dengenen die in Hem begrepen zijn, wordt toegerekend, zoodat zij in den staat des rechtvaardigen worden verplaatst, zoo heeft God allen die in Adam gezondigd hebben in staat van beschuldiging gesteld.

Wanneer wij dus van erfschuld spreken, dan moeten wij daar niet slechts onder verstaan een gevolg van de erfsmet, maar dan hebben we daaronder te verstaan de toerekening van de zonde van Adam en het rechtyaardig oordeel Gods dat deswege van nature op ons rust.

Het is dan ook niet zóo, dat de erfschuld een vrucht is van de erfsmet, maar wel omgekeerd is de erfsmet af te leiden uit de erfschuld.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken