Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit het kerkelijk leven.

21 minuten leestijd

Is de Ned. Herv. Kerk de Geref. Kerk?

IV.

2. Wat is er in 1816 gebeurd? (3de Vervolg).

De tijdsomstandigheden waren dus aldus: vlak na de Fransche overheersching bezat het Koninklijk gezag een buitengewoon prestige en de liefde voor den Koning droeg het karakter van een schier kinderlijke vereering; vooral de predikanten hadden reden te over om te spreken van „Vader" Willem en den Koning te danken voor Zijne goede zorgen voor de dienaren der Kerk; en de kerkelijke vergaderingen hadden als hoogste wijsheid: de Kerk heeft een belijdenis; die belijdenis is goed en moet blijven; dwalingen zijn jammer, afwijkingen zijn te betreuren, maar alles staat zoo wankel voor de Kerk, dat de kalme rust voor haar zeer noodig is. En daarom vóór alles: geen kibbelarijen en geen strijd over de leer of kerkelijke aangelegenheden.

Gunstige omstandigheden om gedaan te kragen, wat .men zich aan 't Hof voorgenomen had te doenl

Een belangrijke plaats in de Regeering des lands werd ingenomen door den Commissaris-Generaal H. van Stralen, die ook voor de regeling in zake de tractementen, pensioenen, kinder-en schoolgelden der predikanten veel gedaan had.

6 April 1814 werd hij vervangen door den heer Roëll, die den titel van Secretaris van Staat voor dé binnenlandsche zaken voerde, maar in den eersten tijd daarna bleef de heer van Stralen toch nog een werkzaam aandeel houden in de regeling van de kerkelijke zaken, omdat hij zoo gaarne verschillende dingen ten einde bracht, die onder zijn beheer waren begonnen.

En zoo werd dan den 26sten April 1814 door den heer van Stralen ook aan den Souvereinen Vorst voorgesteld, om éêne Algemeene Synode samen te roepen, ter verkrijging van een nieuwen vorm van bestuur.

De Overheid namelijk zag gaarne meer eenheid in den vorm van het bestuur der Kerk. De verschillende provincies deden te veel alsof ieder een eigen levenssfeer had, waarbij de éénheid der Kerk niet tot haar recht kwam. En daarom begeerde de Overheid, dat alle provinciën niet alleen in het burgerlijke, maar ook in het kerkelijk bestuur dezelfde wetten en gewoonten zouden hebben. Gelijk de Overheid ook éene kerkelijke vergadering wilde hebben, om in deze vergadering de vertegenwoordiging van de Kerk te zien en door deze vergadering met de Kerk in correspondentie te kunnen treden.

Centralisatie was dus de leus. En daarom hield het voorstel van den voormaligen Commissaris-Generaal ook in om voortaan geene provinciale synoden meer te doen samenkomen, maar die allen, als 't ware, te laten wegsmelten in éene jaarlijksche algemeene Synode.

Dus ongeveer zooals het nu is!

De Raad van State vond dit evenwel te kras; en 14 Mei '14 bracht deze Raad daartegen bezwaren in.

Men beschouwde zoodanige algemeene synode niet noodzakelijk; het behoefde in de Kerk niet precies te gaan zooals in den Staat wat de éénheid van bestuur betreft. Ook was, oordeelde men, zoodanige synode niet wenschelijk.

Nieuwigheden in de Kerk in te voeren was gevaarlijk, gelijk de geschiedenis getuigen kon, dat daardoor heel wat moeilijkheden waren ontstaan, met een nasleep van twisten en beroeringen. Gevaarlijk scheen dit inzonderheid voor een nauwelijks gevestigden Staat, die dergelijke ongelegenheden niet hebben kon.

Eveneens kwam het den Raad van State voor, dat éene algemeene synode niet strooken zou met de natuur van het Nederlandsch-Hervormd Kerkgenootschap, daar dit alzoo wederom onder éene oppermacht zou worden teruggebracht, waartegen het altijd zoo ernstige bezwaren had gehad en waarvan het zich in de dagen der reformatie met inspanning van alle krachten had losgemaakt.

Maar alleszins onraadzaam vond men om een zoodanige algemeene synode der Kerk saam te roepen en hare besluiten dan te doen gaan over de zuiverheid der hervormde leer „wijl men er zich geen waarborg voor konde beloven, dat daarbij altijd die gematigdheid zoude plaats grijpen, welke alleen de rust der Kerk kon verzekeren.".

Daarenboven stond het te vreezen, dat over de wettigheid van zoodanige synode, indien zij niet was samengesteld uit afgevaardigden van de bizondere, provinciale synoden, heel wat ongenoegen zou ontstaan onder de Hervormden, vooral onder de predikanten, waarvan allerlei wanorde het gevolg kon zijn.

Insgelijks meende de Raad van State, dat, volgens art. 139 van de grondwet, 's vorsten bemoeiingen met de Kerkgenootschappen zich niet verder mochten uitstrekken dan tot schikkingen van finantieelen aard.

Uit hoofde van het een en het ander was de Raad van gedachte, dat er geheel geene redenen bestonden om éene algemeene synode saam te roepen.

Evenwel, ingeval de Vorst een nadere regeling van het bestuur volstrekt noodig mocht achten, oordeelde de Raad van State het beste een consuleerende Commissie te benoemen, saamgesteld uit eenige „bizondere", „verlichte" leeraars der Herv. Kerk en andere „kundige" lidmaten uit de onderscheidene provincies, ter voorlichting ter zake van eene verbeterde organisatie.

De Vorst volgde dezen raad op. En bij besluit van 12 October 1814 werd voorgesteld dat een Commissie zou worden benoemd — waarbij 't vooreerst moest blijven van wege de politieke verwikkelingen en de terugkomst van Napoleon in Frankrijk.

Men vond het niet raadzaam om onder de oorlogsrumoeren een zoodige commissie saam te roepen en te laten vergaderen.

Maar 13 Mei 1815 drong de secretaris van Staat toch aan op de benoeming van de Commissie bij „geheim besluit". Men zou dan vast met de leden van die Commissie „ vertrouwelijk" kunnen correspondeeren en de zaken konden vast worden voorbereid, om dan tegeiegertijd de Commissie ter vergadering op te roepen.

Dit voorstel werd den 28sten Mei in een Koninklijk besluit veranderd.

De Konins: benoemde daaropelf leden, een uit elk der toen bestaande synodale ressorten en uit de Waalsche Kerkgemeenschap.

't Waren de heeren: H. H. Donker Curtius, predt. te Arnhem, W. L. Krieger, predt. te 's Gravenhage, W. Broes, predt. te Amsterdam, A. van Deinse, predt. te Middelburg, O. van der Leeuw, predt. te Utrecht, N. Lobry, predt. te Leeuwarden, C, Fransen van Eek, predt. te Deventer, D. Hendriksz, predt. te Groningen, J. de Jongh, predt. te 's Hertogenbosch, G. Benihem Èeddingius, predt. te Assen en D. Delprat, predt. bij de Waalsche Gemeente te 's Gravenhage.

't Ging dus alles buiten de Kerk om. Geen kerkelijke vergadering was hierin gekend. Het departement van binnenlandsche zaken, met name de commissaris: generaal, regelde alles — óok voor 't vervolg!

Want na plaats gehad hebbende onderhandelingen met de afzonderlijke leden der commissie, bracht de secretaris van Staat voor de binnenlandsche zaken een onderhands ontworpen Algemeen reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk van het Koninkrijk der Nederlanden in orde, welk ontworpen Reglement den 17den van zomermaand deszelven jaars door den secretaris van Staat aan elk der leden werd toegezonden, vergezeld van een rnemorie van toelichting, waarin de beginselen werden uiteengezet waarop het ontworpen Reglement gegrond was.

Elk der leden ontving mede het verzoek, om te overwegen, of dit ontwerp tot grondslag der besprekingen en werkzaamheden zou kunnen worden aangenomen; en zoo ja, welke veranderingen of bijvoegingen daarin dan noodig geoordeeld werden. Ieder der leden werd verzocht hierover z'n gedachten schriftelijk kenbaar te maken aan den commissaris voor de kerkelijke zaken.

Al de leden voldeden hieraan met „nauwgezetheid", „vrijmoedigheid" en „blijmoedigheid"; en op deze wijze werden er verscheidene op-en aanmerkingen in het midden gebracht, die bij de behandeling der zaak een grooten invloed op de vaststelling der kerkelijke grondwet konden hebben en werkelijk ook hebben gehad.

9 October 1815 werd een gewijzigd ontwerp aan de leden der Commissie toegezonden en werd hen aangeschreven den 25sten October te 's Gravenhage bijeen te komen om hun eerste vergadering te houden, in tegenwoordigheid en onder leiding van den Commissaris voor de kerkelijke zaken.

Die eerste bijeenkomst werd op den bepaalden dag gehouden en voortgezet tot den 4den November, toen het ontwerp, zooals het nu was voltooid, door al de leden der Commissie werd onderteekend.

13 November bood de Commissaris-Generaal, die als Voorzitter de vergaderingen der consuleerende Commissie had bijgewoond, het gemaakte ontwerp den Koning aan, met een begeleidend schrijven waarin de beginselen en de bepalingen van het ontwerp-Reglement zéér werden geprezen.

Enkele kleine veranderingeii had de Commissaris zelf nog aangebracht, buiten de Commissie om.

Zoo had de Commissie omtrent de bijwoning der Synode door een Koninklijk gevolmachtigde zich in dezer voege uitgedrukt: „de synodale vergadering, kan worden bijgewoond door of van wege het hoofd van het departement, waaraan de zaken der Hervormde Kerk zijn toevertrouwd". Maar de Commissaris maakte er van „zal worden bijgewoond."

Op last des Konings werd het ontwerp daarop nog eens onderzocht door drie leden uit den Raad van State, wat, na enkele besprekingen met den Commissaris-Generaal, tot eenige kleine veranderingen, verbeteringen en ophelderingen leidde. Waaruit ten slotte geboren was het Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk, 't welk den 7den Januari 1816 door 's Konings goedkeuring werd bekrachtigd, met bevel dat dit Reglement met den meesten spoed, in zijn geheel en in het loopende jaar moest worden inwerking gebracht en dat de bestaande kerkelijke collegiën en bestuurders hunne werkzaamheden regelmatig moesten eindigen. De verschillende bizondere reglementen (voor de kerkeraden, de diaconie, het examen enz.), die noodig waren en wier vervaardiging in het Algemeen Reglement was voorgeschreven, zouden ontworpen worden aan het departement van binnenlandsche zaken en aan de eerste Synodale vergadeiring worden aangeboden.

Zoo was dan de grondslag van het bestuur der Kerk gelegd door de Overheid des lands, zonder dat eenige Kerkelijke vergadering daarin gekend was noch in gekend zou worden. De Koning sprak — en het oude was weg, terwijl het nieuwe er voor in de plaats kwam, zonder dat over de wenschelijkheid en de rechtvaardigheid van het nieuwe door de Kerk zelf ook maar een woord mocht worden gesproken. Alles was gekomen in handen van den Staat en de Staat zou het nu verder wel regelen. Ieder die zich daar tegen verzette, verzette zich tegen den Koning en de landawetten, wat natuurlijk 't vreeselijkste was wat men doen kon!

Ook al de leden van de eerste en allergewichtigste Kerkvergadering werden — zonder medewerking van de Kerk — door den Koning gekozen en benoemd, bij Kon, besluit van 28 Mei 1816, zijnde de elf predikanten die in Consulteerende Commissie zitting hadden gehad, met toevoeging slechts van drie andere predikanten, eén ouderling en drie praeadviseerende professoren. Die drie predikanten waren: Ds. J. J. Scholten predt. te Breda uit het Prov. Kerkbest. van Noord-Brabant; Ds. A. Goedkoop predt, te Gent uit het Prov. Kerkbest. van Limburg en Ds. I. J. Dermout predt, te 's Gravenhage die als secretaris der Synode zou optreden. De heer Mr, J, van Leeuwen van Arnhem was de eenige ouderling; terwijl uit de godgeleerde faculteit te Leiden prof. J. van Voorst, uit de godgel. faculteit van Utrecht prof. H. Royaards en uit de godgeleerde faculteit van Groningen Prof H. Muntinghe als praeadviseerende leden der Synode werden benoemd.

De Synode kwam den 3den Juli 1816 voor 't eerst bijeen, plechtig geopend in de Kloosterkerk te 's Gravenhage met een rede van Ds. Krieger naar aanleiding van 1 Cor. 14 : 10 „laat alle dingen eerlijk en met goede orde geschieden." „waarin Z. Hoog Eerw. na eene beknopte toelichting van den gekozen tekst, de aandacht der hoorders bepaalde bij het nut van het tegenwoordig bestaande Kerkelijk Bestuur, den oorsprong van de Synode, en de voordeelen daaruit ontstaan; sluitende dezelve met gepaste aanspraken en opwekkingen."

Z.Ex. de Commissaris-Generaal liet daarop door den WelEd. Gestr. Heer secretaris en adviseur bij het Departement der Kerkelijke Zaken openlijk voorlezen de artikelen uit het Algemeen Reglement van het bestuur der Herv. Kerk, betreffende de Synode en deszelfs werkzaamheden van art. 16—30; en nadat het Kon. Besluit van 28 Mei 1816 was voorgelezen, uit hetwelk bleek wie er als leden van de Synode door den Koning waren benoemd, hield Z. Ex. de Commissaris-Generaal zelf eene „treffende en doelmatige aanspraak aan de Leden van de Synode, waarin de heuglijke tijdsgeiegenheid dankbaar werd vermeld en de plichten in art. 9 van het Algem. Regl. genoemd, met ernst en waardigheid ontvouwd en aanbevolen werden, wordende alzoo deze Vergadering door Zijne Excellentie namens Zijne Majesteit geconstitueerd."

„Deze aanspraak werd door den Hoog Eerw. Heer W. L. Krieger gepast en zegenend beantwoord, eindigende Zijn Hoog Eerw. met eene minzame en hartelijke aanspraak aan de leden van de Synode."

Is het wonder, dat het oordeel van zeer velen is: „de kerkelijke organisatie van 1816 is op onwettige wijze tot stand gekomen"?

(zie o.a. J. J. Prins Kerkrecht blz. 64.)

Het beheer der kerkelijke goederen.

Is de Synode bevoegd om het beheer der kerkelijke goederen te regelen?

't Is dikwijls reeds bevestigend beantwoord, 't is ook telkens weer ontkend; en 't blijft een'brandende kwestie.

't Was te verwachten, dat Dr. van Baarsel, die een studie publiceerde, rakende de financieele zijde van het kerkelijk vraagstuk, ook deze kwestie zou onder de oogen zien en daarover 't zijne zou zeggen. Gelijk ook andere stukken vinden we dit stuk uit Dr. v. Baarsels boek waard om even te worden gememoreerd.

Hij zegt op blz. 41: „De stemmen nu, die de bevoegdheid der Haagsche Synode tot regeling van het beheer der kerkelijke goederen ontkennen, worden al luider. Het „pro" der H.H. Cannegieter, Kleyn, Conor (Ds. Kruyff) e. a. scheen in de laatste jaren — vooral het allerlaatste — in de theologische kringen onzer Kerk steeds meer veld te win­ nen. Mr. Van Verschuer was voor veertig jaren reeds in zijn doorwrocht Gids-artikéi als de krachtige pleitbezorger voor Synodaal beheer opgetreden (zeggende): „De aangewezen weg is, dat thans de Synode bij wettige kerkelijke verordening regele, wat in het algemeen belang der Kerk niet ongeregeld kan blijven en wat dan ook bij art. 65 van het Algemeen Reglement van 1852 aan haar ter regeling is opgedragen. Ligt in het Koninklijk Besluit de eenige grondslag van de macht der Synode, dan heeft die Synode geen wettig bestaan en derhalve ook geen rechtsbevoegdheid. Is daarentegen, gelijk door de rechterlijke macht wordt aangenomen, het Reglement van 1816, tot de vaststelling waarvan de Koning de bevoegdheid miste, door de naleving en daadwerkelijke bekrachtiging van de zijde der Kerk tot statuut van het Kerkgenootschap aangenomen, dan ligt de grondslag zijner verbindbaarheid niet in een besluit des Konings, maar in de bekrachtiging van het Kerkgenootschap. Derhalve: of de Synode heeft geen wettig bestaan en dan is het ijdel over hare rechtsbevoegdheid te twisten, óf het tegendeel is waar, maar dan wordt hare bevoegdheid geregeld door de Statuten en Reglementen, die de Kerk krachtens hare autonomie voor ziehzelve vaststelt en niet door een of ander Koninklijk Besluit. En dan is de Synode niet alleen krachtens de bepalingen van het Algemeen Reglement van 1852 bevoegd, maar ook in het algemeen belang der Kerk verplicht maatregelen te nemen, opdat niet door gemis van toezicht de goederen der Hervormde gemeenten worden verkwist of weggemaakt of aan hun bestemming ten behoeve van den openbaren eeredienst bij het Kerkgenootschap worden onttrokken."

Het scheen den heer Van Verschuer daarom vrijwel uitgesloten —om niet te zeggen absurd — de Synodale bevoegdheid te willen ontkennen.

In juridische kringen is ook ten dezen opzichte een merkwaardige kentering te bespeuren. Zeker achtte de meerderheid der Rechtsgeleerde Adviseurs der Synodale Commissie in 1889 de Synode niet bevoegdeene voor de kerk bindende regeling van het beheer der Kerkelijke goederen tot stand te brengen, omdat daartoe de vrije toetreding der gemeenten vereischt is. (Zie de breede aanteekening bij art. 65 Algem. Regl in de uitgave Knottenbelt, 5de druk blz 45—49) „Als iets vaststaat, dan is het wel de onbevoegdheid der Synode zich met de beheersregeling in te laten, getuigt Prof. Rengers Hora Siccama met een welverzekerdheid, die hem met Prof Cannegieter den draak doet steken.

Heineken heeft hetzelfde reeds voor jaren gezegd: Hoe men ook over het reglement van 1816 denke, {het als grondslag te willen nemen voor het beheer der Kerkelijke goederen, is het onmogelijk te beproeven (de rechts toestand der Kerkelijke goederen blz. 190) De Synode had de bevoegdheid of niet, maar de regeering kan ze niet geven of weigeren. Dat het intrekken der reserve iets aan die bevoegdheid zou kunnen veranderen, is onjuist. Art. 65 al. 2 moet beoordeeld worden naar de basis, waarop het geheele Synodaal bestuur rust (a.w. blz. 194.) De reserve is slechts de individueel e opvatting der regeering die op het wezen der zaak geenen invloed kan uit oafenen. Hetgeen voor 1852 is geschied, kan het bewijzen. Maar de Synode is toen reeds gestuit op de klip, waarop zij altijd zal stuiten, op haar oorsprong Ca. w. blz. 196.)

Hooyer stelde zich in de Oids van 1867 op hetzelfde standpunt: de Kerkelijke goederen, welke door de Kerkvoogden geadministreerd worden zijn niet de goederen van de Kerk ah eenheid, maar van de bizondere gemeenten op zich zelve, van welke ieder voor zich een afzonderlijk lichaam nitmaakt, over welks eigendom niemand te beschikken heeft.

De Meyier sprak insgelijks uit: het beheer der gemeentegoederen behoort niet aan de Hervormde Kerk, maar aan iedere gemeente afzonderlijk als zedelijk lichaam.

En de heer Tonckens was van dezelfde gevoelens: „Bepalingen aangaande het beheer der kerkelijke goederen van de Synode uitgegaan zouden krachteloos zijn, omdat zij alleen voor het geestelijk bestuur wetgevende macht bezit."

Ja, de Synode zelve wendde zich —gelijk bekend is (zie aanteekening Knottenbelt pag. 46) — in 1876 tot de Regeering met het verzoek om em gelegenheidswet, waarbij de rechtsgrond werd aangewezen, waarop de regeling van het beheer der goederen en fondsen in de gemeenten kon gebouwd worden.

De nieuwe school nu, waarvan Prof. Siccama het eminente hoofd is, staat met volle overtuiging op het standpunt van de onbevoegdheid der Synode. [Stelling V in de dissertatie van de Jonge van Ellemeet luidde: , de Algemeene Synode der Nederd. Herv. Kerk is niet bevoegd het beheer der kerkelijke goederen te regelen."]

Wanneer de Synode er zich mede onledig wil houden een reglement daartoe te ontwerpen en aan te nemen — zij heeft het al meer dan eens gedaan — zij kan gerust haar gang gaan: 't hindert niets en 't geeft niets. „De eerste de beste rechter werpt het in de prullemand."

Ja waarlijk — het daghet in den Oosten.

Is dat reeht?

Alles wat door de Grondwet van 1815 aan de Herv. Gemeenten verzekerd was — toen de organisatie van 1816 nog niet bestond — is na 1816 door de Regeering gebonden aan het blijven onder de Bestuursorganisatie, die aan de Kerken wederrechtelijk door de Overheid is opgelegd.

Dat kan nooit rechtvaardig zijn!

Verkeerde redeneering.

In 1816 heeft de Regeering, zonder de Kerk te raadplegen en zonder de Kerken vrij te laten aan de Kerken een bestuursorganisatie opgelegd.

Dat was in strijd met de grondwet.

Toen in 1842 het adres van Ds. B. Moorrees te Wijk (in het land van Heusden) en Ds. C. D. Louis Bähler te Aalst bij de Regeering kwam, met verzoek dat de Regeering de Synode van 1840 zou doen terugkomen op een genomen besluit of wel zelve denoodige verordeningen te bevelen, ten einde de Hervormde Kerk op den ouden voet zou worden hersteld — antwoordde de Regeering: de Hooge Regeering is onbevoegd kerkelijke aangelegenheden door verordeningen af te doen

„Het zou — zoo antwoordde de Koning — noch met de bepalingen der Nederlandsche grondwet, noch met de bedoelingen der Regeering overeenkomen, dat dezelve zich een jus in sacra zoude aanmatigen, noch zelfs eenig jus circa sacra uitoefenen, buiten de bestaande reglementaire verordeningen enz." „Mitsdien kunnen alle veranderingen in de bestaande Kerkorde, voortaan alleen van de Kerk uitgaan enz."

Wonderlijke redeneering !

In 1816 had de Regeering „naar aanleiding der toenmalige geheel bijzondere omstandigheden" — zooals zij zelf excuseerde — gedaan wat „noch met de grondwet, noch met de bedoelingen der Regeering overeenkwam".

Want zij had zich een recht — jus circa sacra en jus in sacra — toegeëigend, dat baar niet toekwam.

Daarbij had zij toen alles zelve zóo geregeld, dat (in 1842) de gemeenten absoluut geen invloed op de samenstelling van de kerkelijke besturen hadden.

Door haar onrechtvaardig toedoen was dat zoo geworden.

En de gemeenten konden daar absoluut niets in veranderen.

Toen kwam de bede: als de Synode de toestand dan niet wil veranderen, — de toestand die voor de Geref. Kerk zoo drukkend en zoo schadelijk is! — wil Gij dan o! Koning tusschen beide komen, daar Gij de bestuursorganisatie in 1816 in strijd met de grondwet en in strijd met het recht der Overheid gegeven hebt.

Kom Gij o! Sire, tusschen beide en geef de gemeenten het recht om zich in kerkelijke aangelegenheden vrij uit te spreken en den weg te openen om terug te keeren tot de oude presbyteriale Kerkregeering die altijd door de Geref. Kerk werd voorgestaan.

En het antwoord is dan:

„ik mag mij niet bemoeien met kerkelijkw zaken!"

Eerst dus in 1816 wederrechtelijk in de gevangenis werpen met aanstelling van een cipier.

En als dan in 1842 de bede komt uit de gevangenis, van degenen die er door den Koning onschuldig en wederrechtelijk ingeworpen zijn: o! Sire help ons nu om er uit te komen, want we zuchten nu reeds 26 jaar onschuldig en wederrechtelijk in dit muffe hol, waar de dood ons wacht! — dan is het antwoord: ik mag mij met de gevangenis niet bemoeien!

En dat zegt hij, die er ons ingesloten heeft! Had de Regeering, had de Koning in 1842 niet moeten zeggen: ik heb mij in 1816 vergrepen aan u en ik zal u in vrijheid stellen?

Dat had recht geweest.

En dan had de Kerk zelf, in wettige Kerkelijke vergaderingen saamgekomen, over de kerkelijke aangelegenheden kunnen handelen — waarbij de Regeering alleen te waken had „voor de goede orde en de veiligheid van den Staat." Ieder op eigen terrein!

Maar .... het heeft niet alzoo mogen wezen.

Met erkenning van 't geen de Regeering niet mocht doen, heeft de Regeering bij 't geen haar niet toekwam volhard en heeft de Kerken gelaten onder het juk, dat namelooze ellende gebracht heeft over de Gereformeerde Kerken van Nederland — gelijk nog.

Naar de wet?

In 1816 heeft de Regeering onwettig gehandeld.

In strijd met de grondwet heeft de Koning aan de Kerken bij besluit van 7 Jan. 1816 een bestuursorganisatie opgelegd, zonder de Kerken ook maar in iets te raadplegen.

De eerste Synode is daarna bij koninklijk besluit samengesteld.

De verdere samenstelling van de Besturen en van de Synode bleef aan den Koning.

Alles ongrondwettig.

De Koning heeft geen recht om het recht der Kerk te niete te maken en haar een organisatie, haar een Synode op te leggen. Dat is in strijd met het recht, ook van een Oranje vorst.

En in 1842 is door de Regeering ook uitgesproken, in antwoord op een adres van Ds. Moorrees en Bähler, „dat het noch met de bepalingen der Nederlandsche grondwet, noch met de bedoelingen der Regeering zou overeenkomen, dat dezelve zich een jus in sacra zoude aanmatigen, noch zelfs eenig jus circa sacra uitoefenen, buiten de bestaande reglementaire verordeningen enz." — en toeh wordt in 1842 de Synode, wederrechtelijk door den Koning benoemd en wederrechtelijk door den Koning jaar op jaar aangevuld, door de Hooge Regeering genoemd: „de wettig bestaande kerkelijke autoriteit" (Ministeriëele beschikking van 1 Juli 1842 No. 15). Hoe men nu verklaren kan, dat een onwettig benoemd lichaam de wettig bestaande kerkelijke er­ autoriteit is, is niet goed te verstaan. Is iets dat in strijd met de wet geschied is naar de wet?

Van achter de Ministerstafel.

Minister van justitie Nedermeyer van Rosenthal zeide in de zitting van de Tweede Kamer van 17 December 1849: „Over de wettigheid van den oorsprong van het Reglement van 1816 zijn, mijns inziens, dikwijls te recht bedenkingen gemaakt. Ik geloof dat de classis van Amsterdam, die in 1816 eerbiedig hare bedenkingen tegen dat Reglement inbracht, de zaak uit het juiste oogpunt beschouwde" (Hand. 2de Kamer 1849/50 blz. 161.)

Afgescheidenen.

Wanneer in de Geref Kerk dezelfde belijdenis en dezelfde kerk-orde waren gebleven in 1816, en in 1834 waren er dan heen gegaan uit die kerk, die zich met de kerkelijke belijdenis en met de kerke-orde niet meer konden vereenigen, dan had men van dezulken kunnen zeggen: zij hebben zich afgescheiden van de Kerk. Maar nu staat het anders.

Groen van Prinsterer zei: het Genootschap heeft zich, dunkt mij facto (met de daad) afgescheiden van de Gereformeerde kerk. Zij daarentegen, die men Afgescheidenen noemt, hebben zich buiten het Genootschap begeven om te kunnen blijven in de kerk." Groen zelf keurde dat „zich buiten het Genootschap begeven" niet goed.

Hij meende dat het daar nog niet de tijd voor was.

Maar toch moeten we, als we spreken van de Afgescheidenen, wanneer we eerlijk en billijk willen zijn, wel bedenken, dat zij zich niet hebben afgescheiden van de Geref. Kerk die hare Geref. belijdenis nog beleed en beleefde, en die hare Geref. Kerkeorde nog bezat.

Helaas! had men haar in 1816 weder­rechtelijk de Dordtsche Kerkeorde ontnomen en een Bestuursorganisatie gegeven, die in strijd was met het wezen der Kerk en waarbij aan de gemeenten ook absoluut allen invloed ontnomen was; terwijl heel de toeleg blijkbaar was de aloude Geref. belgdenis — in strijd met alle begrip van recht—krachteloos en waardeloos te maken.

Van welke Bestuursorganisatie en van welke belijdenis-verkrachtende reglementen in 1834 reeds een grooten invloed ten kwade uitging, uitgietende menigerlei ellende over de Geref Kerken van Nederland, zuchtend onder het synodale juk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken