Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stichtelijke overdenking.

12 minuten leestijd

En ik zag en zie eene witte wolk en op de wolk was Een gezeten, des menschen Zoon gelijk, hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon en in Zijne hand een scherpe sikkel. En een andere Engel kwam uit den Tempel roepende met een groote stem tot Dengene, Die op de wolk zat: zend een sikkel en maai, want de ure om te maaien is voor U gekomen, dewijl de oogst der aarde is rijp geworden. Openb. 14:14, 15.

Een oogst die rijp wordt.

Veel van wat in deze dagen plaats grijpt, wijst heen naar den grooten dag van Christus. Het stof moet dan ook wel machtig opdwarrelen, de zelfverblinding schrikkelijk zijn, of men legt zich deze vraag voor: wat hebben alle deze dingen ons te zeggen ?

Oorlogen, aardbevingen, overstroomingen, verwoesting door vuur.

Is dit nu niet een duidelijk zwellen der knoppen, waarvan de Heere spreekt, als de voorteekenen van Zijne komst?

In de Gemeente des Heeren kan hierop niet lichtelijk te veel gewezen. Gelijk de levensduur van een mensch voorbijgaat, alzoo ook de levensduur van deze wereld. Van alles wat wij zien zal eenmaal gesproken worden: „het is voorbijgegaan."

En nu behoeft dit nog niet dadelijk te zijn — hoeveel jaren of eeuwen daarover nog zullen heengaan, is God alleen bekend — doch wie het nimmer vergeten mag, wien het niet buiten den gezichtseinder mag vallen, is het volk des Heeren.

Voor twee dingen is het zoo nuttig.

In de eerste plaats wordt dan niet op verkeerde wijze zorg gedragen vooreeuwigheidskinderen.

En wat niet van minder beteekenis is, dan blijft het oog naar Boven gericht en het harte wordt getroost met dit vooruitzicht: dan kom ik met al het volk dat Hem vreest vóór eeuwig bij mijn Koning.

Ziet, dat vooruitzicht werd ook den Apostel Johannes hier verlevendigd.

In een hemelsch gezicht werd hij met volle vertroosting overgoten: de Zoon des menschen komt als een Heere en Koning. Hij laat Zijn sikkel vallen in het rijpe graan. Wat gerijpt is onder Zijn zon en wat broos gemaakt is onder Zijne tuchtigingen, valt straks onder den sikkel, welke in Zijne hand is.

Vatten we het woord des Heeren hier in deze punten samen: Ie. Hij komt, 2e. Hij komt met een sikkel, 3e. Hij komt met een kroon.

En ik zag — zoo lezen we — een witte wolk.

Daar was om te zien Johannes niet veel meer overgebleven. Alles waaraan zijn mensch-zijn hing was hem ontvallen of ontnomen.

Maar hier gold hetzelfde woord dat Jozef eens sprak tot zijne vijandige broeders: „gijlieden wel, gij hebt het ten kwade gedacht, maar God heeft het ten goede gedacht."

De vijand wilde Johannes knechten, hem stelselmatig dooden. De wereld was voor hem teruggeleid tot het kleine eenzame eiland Patmos. Hier — zoo was hun wensch — zou hij den treurigen dood maar inroepen.

Wat begrijpt de wereld weinig; hoe duidelijk komt Satans kortzichtigheid hier uit. Hij snijdt de banden met de wereld voor Johannes door om hem alles te ontnemen en .... hij maakt, zonder het te weten, de bedding gereed waarlangs het Woord des Heeren tot hem zal afdalen. De eenzaamheid van Patmos wordt het voertuig voor den Geest des Heeren.

Hij verschijnt Johannes. Hij laat hem zien wat er gebeuren zal,  wat er plaats zal hebben op deze wereld. Veel bangs, veel schriklijks, veel wat het harte ontroert. Hij ziet hoe de afval, de af keerigheid, de opstand tegen den Heere steeds driester wordt.

Het beest komt op straks met den naam van godslastering aan het voorhoofd. Wat de oude slang in den aanbeginne niet aandorst — toen immers verscheen hij onder een mom, toen durfde hij zich zelf nog niet zijn, toen sprak hij nog: „is het niet dat de Heere gezegd heeft", dus toen kwam hij nog met het Woord Gods — als de dag van Christus en dus ook zijn dag nadert, is het al driestheid, is het al lastering wat ge hoort. Het zal met het rijk van Satan steeds duidelijker uitkomen wat het is en wat het voorheeft.

Nu is dit wel schriklijk en het is bang voor degenen, die het moeten doormaken. Als Satan geheel als Satan zal uitkomen, dan zal de wereld wat beleven.

Wat is het nu heerlijk vertroostend voor het volk dat God vreest: en u zal geen kwaad genaken.

De Heere zal voor u waken.

De berg, waarop het Lam staat te midden van de gekochten, ondergaat geene wankeling.

Hij staat onbewogen.

Het is alsof de Heere hierin eene noodiging tot ieder van Zijne kinderen laat uitgaan: „dringt u maar dicht tegen Mij aan, vlei u maar tegen Mijn boezem. Ik zal u wel behouden."

Is dit al iets heerlijks — als ge deze tegenstellingen eens vlak naast elkander legt, hoofdstuk 10 en wat er op volgt — het kan nog vollediger, de hoede kan nog meer af zijn.

Ge vraagt op welke wijze.

Als de Heere Zijne voeten afteekent op de wolken. Dan zal elke schaduw van belaging wegvluchten.

Vat ge 't nu, hoe Johannes te moede was, toen hij neer mocht schrijven: en ik zag en zie een witte wolk.

Zouden de gedachten niet onmiddellijk zijn teruggegleden naar het punt van 's Heeren heengaan vanaf den Olijfberg. Toen zag Johannes ook een wolk, ook een witte wolk, maar niets meer. Hij kon er toen niemand op vinden.

Toen had hij met zijne medediscipelen opgeblikt vol treurigheid, toen hadden de Engelen moeten vragen: „wat staat gij en ziet op naar den hemel? Gelijk gij Hem naar den hemel hebt zien henengaan, alzoo, op dezelfde wijze, zal Hij ook wederkomen."

Nu zag hij de wolk.

O heerlijkheid, mijn Heere komt. Hij ziet op de wolk Een, des menschen Zoon gelijk.

Laat het u niet ontglippen.

Hier vindt ge deze teekenende uitdrukking om weer te geven den persoon des Verlossers. Hij is den menschen gelijk geworden, geheel gelijk, als ge de zonde maar niet insluit. Hij kwam in dienstknechtsgestalte, opdat Hij straks, nadat Hij het werk Godes had volbracht, met diezelfde gestaltenis, maar dan verheerlijkt, voor het aangezicht des Vaders zou treden.

Zoo zag Johannes Hem.

Denzelfden Heere Jezus.

Dezelfde Christus, die heerlijke Borg zat daar op een witte wolk.

Kunt ge 't verstaan, lezer, dat Johannes zijne voeten als voelde los worden. Heel zijn gestaltenisse rees op: Heere Jezus, komt Ge me nu thuis halen ? 'Mag ik nu voor goed aanliggen in Uw schoot? Zal ik nu nooit meer worden uitgebannen, nimmer verdreven, nooit uitgestooten ?

Onze heerlijke Belijdenis giet wat Gods Kerk gelooft in zulk een kostelijken vorm.

Luistert maar.

De geloovigen zullen gekroond worden met heerlijkheid en eere. De Zone Gods zal hun naam belijden voor God, Zijn Vader en Zijne uitverkoren Engelen. Alle tranen zullen van hunne oogen worden afgewischt. Hunne zaak zal bekend worden als de zaak van den Zone Gods tezijn En tot hun genadevergelding zal hen de Heere zulk eene heerlijkheid doen bezitten als het hart eens menschen nimmer zou kunnen bedenken. En nu het slot van deze woorden:

„Wij verwachten dien grooten dag met een groot verlangen om ten volle te genieten de beloften van God in Christus Jezus onzen Heere."

We zullen goed doen hier een oogenblik stille te houden.

Zou het bij u ook geweest zijn, lezer, gelijk het bij Johannes was, als ge in de eenzaamheid de teekenen eens speurdet van den wederkomenden Christus?

Als ge daar zaagt een witte wolk en daarop den doorboorden voet? . - Dan zal daar tot Zijn verschijning ook' nu reeds liefde zijn in uw hart. Dan weet ge wat ge aan dien Menschenzoon hebt te danken.

Het is nu reeds vaak een groot onderscheid in levensopenbaring. In wat de een heeft leeren haten heeft de ander zijn levensgenot en omgekeerd. Waarnaar de een haakt als zijn eenige troost beide in leven en in sterven, daarvan wil de ander niet weten. Hij kan het bij dat volk niet uithouden.

Zou hij het dan vermogen bij hun Koning als Deze staat temidden der Zijnen? Immers neen, wat niet kan voor een tijd, zal nog minder mogelijk zijn voor de eeuwigheid.

Lezer, laat het keur hier aangebracht. We zullen toch geen overbodig werk verrichten als we hier nauw toezien.

Die hier Zijne verschijning liefhebben omdat Hij naar den zondige zocht, zich over het ellendige ontfermde, hetgoddelooze aan Zich wist te verbinden, die zullen voor Zijn verschijning daar op de witte wolk niet vreezen. We ontkennen niet dat ze zullen ontroeren, maar vreeze zal van hen wijken.  Ze zullen in Hem zien hun Vrijspreker, Die hen zal belijden voor den Vader, Die hunne taak heeft overgenomen voor de Zijnen, Een, Die de eeuwige heerlijkheid met hen deelen zal.

Zoude deze heilige ontroering niet uitloopen in den blijden uitroep: „eindelijk, Heere Jezus !"

Dat zal met den goddelooze anders zijn. Alleen die ééne klank houdt alles in: „verbergt ons, bedekt ons voor het Aangezicht van Hem, Die op den Troon zit."

Wanneer ge nog meent, wanneer ge 't zeker weet, nog tot de laatsten te behooren, och kniel dan neder en buig uw hoofd op uw schoot en smeek om een verbroken harte. De witte wolk staat er nog niet. Hij heeft Zich nog niet gezet om u op te roepen en neder te vellen.

Nedervellen.

't Is wel een teekenend woord, maar geheel in overeenstemming met de waarheid; immers Hij heeft een scherpen sikkel in Zijne hand.

Een nadere uitleg is hier nauwelijks van noode.

Een sikkel wordt ter hand genomen wannèer'dé oogst gereed is. Een maaier gaat uit om wat tezamen opgroeide, onkruid en tarwe, neder te leggen.

't Een is ter verbranding, 't ander om in te halen in de schuur.

Wanneer er eene bijbelsche gedachte is, welke duidelijker staat aangegeven dan deze waarheid, zoo noem ae mij, lezer.

Daar is een tijd dat de sikkel valt, dat de maaier rondgaat en het koren ruischend laat nederzinken.

De Heere heeft in meerdere plaatsen deze zelfde waarheid ons voorgehouden. Hier zeer duidelijk.

Vanuit den Tempel, d. i. van den Troon, waarop God zit, wordt een Engel gezonden om het Dengene, Die op de wolk zit toe te roepen: „nu is het tijd."

Ge ziet hier weer de heerlijke verhouding vanf bevelen en gehoorzamen, van opdragen en doen tusschen Vader en Zoon.

De Heere Jezus wacht op het teeken, op het oogenblik dat er door den hemel zal ruischen: „zend uw sikkel en maai, want de oogst der aarde is rijp geworden."

De oogst der aarde is dus bezig, lezer, rijp te worden.

Alles groeit en bloeit bij de gratie van den hemel. Daar is geen doorn noch distel of ze onttrekken hun voedsel aan Gods aarde, ze leven bij de zonneglanzen en bij de waterdroppelen van Gods hemel.

Daar leeft en beweegt zich geen enkel schepsel, ook de grootste vloeker, moordenaar of dief, of ze leven uit Gods hand.

Zal dat niet het oordeel zijn voordengenen, die omkomt; zooveel ontvangen, zooveel genoten en met niets God verheerlijkt.

Dat zal de bitterheid zijn van den oordeelsdag te moeten bekennen: „het was alles het uwe en ik heb U nooit gevreesd."

Hier zijn op deze wereld wat grootsprekers, die het onomwonden laten hooren: voor Hem buigen zal ik nimmer. 't Zal er toch eenmaal toe moeten komen.

Och lezer, wat zou het dan heerlijk zijn als die sikkel viel, als die ure kwam, dat ge dan niet als een ongebogene uw scherpe doornpunten liet uitblinken, maar dat ge als een maagdelij ken halm in gebogen gestalte den Hemelkoning mocht afwachten.

Den Hemelkoning, zegt ge, ik dacht dat hier gesproken werd van een, die een sikkel had, van een maaier.

Dat is ook waar, Hij heeft een sikkel maar ook een kroon. De korenschuren des Hemels moeten vol zijn eer Hij uittreedt met zijn koningskroon. Hij zamelt ze allen in, die Hem toebehooren. Hij maakt ze los van deze wereld, om ze voor goed bij zich thuis te halen.

In het vallen van den sikkel in het rijpe graan klinkt muziek voor degenen, die als poorters zullen geteld van het hemelsch Jeruzalem.

Hij komt om als Koning te heerschen. Daar boven flonkert het goud van Zijn troon.

't Was hier niet zichtbaar voor het menschelijk oog, toen Hij nederlag in de kribbe. Wat was daar niets van te merken, maar toch was hij toen reeds Koning.

De heidenen uit de verre landen, evenals de herders, zagen het en aanbaden.

Als Hij straks voor de Joden uitgaat is Hij 't evenzeer. En als Pilatus Hem de vraag stelt: „zijt Gij een koning? " zoo luidt het antwoord niet weifelend: „Ik ben."

Weet ge wanneer het goud begint te blinken: achter de doodsvallei. Als Hij daar ingaat is het met een doornenkroon. De doornentak moest zich eerst winden om Zijn slapen, alvorens is Zijn volk niet vrij. Maar is de losprijs betaald, de koop gesloten, is Hij de poort doorgegaan, zoo wordt het goud toegereikt. Het goud van nieuwe eere, van nieuwe aanbidding, van nieuwe glorie. Hij heeft het onmogelijke volbracht.

Wat dunkt u, zoudt gij uw lot blijvend durven stellen in Zijn hand, gij die Hem tot uw Koning gekroond zaagt? Eerst uw Kruis-koning, nu uw Hemel-koning. Zoudt gij 't durven wagen?

Wanneer mijn oog mag worden afgetrokken van mij zelf, en van heel de wereld, wanneer ik Hem mag zien in Zijne schoonheid, dan zeg ik: „Heere, dat is mij het liefste van al."

Daarom gij, die God vreest, het hoofd omhoog, ! zingt het den koniugsdichter maar na:

Wij steken 't hoofd omhoog En zullen d' eer-kroon dragen.

Door U, door U alleen. Om 't eeuwig welbehagen.

Neemt nu nog op de plooien van het slepende gewaad en volgt den weg, dien Hij u wijzen zal: om eene eeuwige kroon zullen de wonden van de doornen en distelen u niet hinderen. Zijn daar teekenen aan den herael van Zijne komst, de wereld mag er voor schrikken, verblijdt gij er u in.

Koningskinderen behooren bij den Koning thuis. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken