Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenklng.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stichtelijke overdenklng.

11 minuten leestijd

De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken ; zij zullen doorbreken en door de poort gaan. Micha 2 : 13a.

De Doorbreker.

't Was in de dagen van Micha donker. Heel ver was het volk afgeweken van den dienst des Heeren. Vandaar dat ook heel zwaar de hand des Heeren op hen rustte. De kastijdingen kwamen als regenvlagen in den herfst.

De Profeet moest weer nieuwe kastijdingen aanzeggen „Ik denk een kwaad over dit geslacht, zegt de Heere, waaruit gij uwe halzen niet zult uittrekken; en zult zoo rechtop niet gaan, want het zal een booze tijd zijn."

De erve der vaderen zal worden verwisseld. Wat als een land der ruste den ouden was voorgesteld, daarvan gold in de godssprake: „maakt u op en gaat heen, want dit land zal de ruste niet zijn, omdat het verontreinigd is, zal het u verderven en dat met eene geweldige verderving."

Tusschen deze schrikkelijke aankondigingen, deze rampen, die nog in het verschiet zijn, komt de Heere op eens als achter de donkerheid uit, de enkelen, die nog naar Hem vroegen, vertroostend: „gij zult niet ganschelijk verteerd worden. Ik zal Israels overblijfstl nog vergaderen. Ik zal het tezamen zetten als schapen van JBozra, als eene kudde in het midden barer kooi zullen ze van mehschen deunen. De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken en door de poort gaan en door dezelve uittrekken, en hun Koning zal voor hun aangezicht henengaan, en de Heere in hunne spits."

„De Heere aan de spits", aldus het onderwerp, waarop uw aandacht zich thans richte.

Hij draagt hier een wonderlijken naam. 't Zou zelfs niet geheel onmogelijk wezen, dat ge van dezen titel tot nu niet dan zelden hadt gehoord.

„Doorbreker."

Mogen we u even de plaatsen aanwijzen waar hij voorkomt.

Vooreerst in de geschiedenis van Thamarin Gen. 38. Hier wordt ons medegedeeld dat haar twee jongskens werden geboren. Die het laatste gerekend werd te zullen uittreden kwam het eerst, weshalve hem de naam werd gegeven: Perez, d. i. hoe zijt gij doorgebroken? Op u is de breuke.

In het geslachtsregister uit Matth. 1 vindt ge hem nogmaals terug. In dezen Perez school de Christus Gods dus weg.

Dit omtrent den naam. Thans de vraag: wat is het wezen?

„Doorbreker." Welk beeld, of beter gezegd, welke werkelijkheid wordt er hier-voor oogen geroepen ?

Iemand, die gebonden ligt, die in verzekerde bewaring is gesteld, die tusschen vijandelijke muren is gelegerd.

Is daar nu reden voor? Kan dat van Christus wel getuigd? Op het moment, dat de Geest des Heeren Hem indroeg in den schoot Zijner, moeder, kreeg Hij de kluisters van vleesch' aan. Hij, de Sterke, liet zich binden. Hij ging de poorte door waar gevangenen' Woonden. Hij werd menschenkind. | Zie, daarom was het nu begonnen. Dit was de krijgslist, waarmede deze ^ aanvoerder, die de bezetting kwam vrij-' fflaken, aich binnen de poorte liet in-; luiten. Hij kwam op de rolle te staan  ls iedereen, als een gewone menschenzoon, — toch was Hij de doorbreker.

Wie het weten kon? Niemand, dan wien het de Geest zou openbaren.

't Waren toen maar enkele herders met enige wijzen uit het Oosten, de grijze Simeon en de oude Hanna. Maar wie het ook weten zou, zeer duielijk: Satan. Vandaar stond deze Hem adelijk al naar het leven. Dat kindeke oest, als het kon, gedood. Evenwel aarvoor zou de Heere waken; immers eie zou de doorbreker zijn.

Het is u misschien bij dit zeggen nog niet geheel duidelijk wat in dezen naam ligt opgesloten.

De zonde wordt in de Schrift op talloos vele plaatsen vergeleken bij een machtige, die in boeien slaat, die in de gevangenis werpt, de vrijheid beneemt. Zoo is alles wat mensch heet, gij en ik, al wat er vóór ons leefde en na ons leven zal, in de boeien geslagen Wij zijn onze vrijheid kwijt en aan onzen verderver onderworpen. In een drietal verzamelnamen laat zich alles samenvatten: Duivel, wereld en zonde.

Wat heeft die Duivel eene macht over de menschheid. Men spreekt over den geweldhebber dezer eeuw, over tijdgeest, over geheimzinnige machten, noem ze gerust maar bij den naam: satanisch, immers daarachter staat Satan in eigen persoon. Hij zwiept gansch de menschheid voor zich uit en als er geen Godes breidelende macht tegenover was gesteld dreef deze verderver alles ter hellepoort in.

De menschheid is aan Hem onderworpen, allen zitten met koorden aan Hem vast en .... dit is het diep treurige — ze voelen geen van allen daarin pijn. Was dit het eenige, het zou reeds voldoende zijn om hen eeuwig-rampzalig te maken. Maar Satan heeft nog dienstknechten, machten, aan de zijne onderworpen.

Eén hebben we u straks reeds aangewezen. De Apostel zucht er onder: „ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde". Gelijk een slavenhandelaar zijne slaven van de hand doet aan andere slavenhouders, zoo ook de menschenmoorder van den beginne. Hij heeft zulk een trouwen bondgenoot en helper in ons heele vleesch.

„Ik weet, zegt dezelfde Apostel, dat in mij d.i. in mijn vleesch geen goed woont". Al mijne vermogens zijn door de zonde aangegrepen; mijn verstand kan de dingen niet meer doorzien. Wat me licht schijnt blijkt duisternis te wezen en omgekeerd waarvoor ik terughuiver, waarnaar ik hoegenaamd geen lust heb, blijkt mijn behoud te zijn. Mijn wil is totaal omgebogen.

Daar hebt ge nu de twee machten, buiten mij en in mij, Satan en zondig vleesch, die me, als elk aan éene hand voortleiden.

En waar is nu het pad? Dit loopt midden door de wereld. Overal zijn strikken en netten verborgen, en alles staat in dienst van die éenen die alles zoekt te verderven.

Als ik het nu maar als zoodanig mocht aanmerken, maar dit is verre van waar. Het gaat geheel met de stroom mee, dit wil ik juist zoo gaarne. In de gevangenis, in banden, binnen de hooge muren, zoo ligt daar heel de menschheid.

Is het niet om voor te schrikken? Onbekeerde zondaar, ik wou dat gij eens schrikken mocht, want als ge u dit indenkt, op welke gemakkelijke wijze de Duivel den mensch onder zijne beusting houdt, met welke drogredenen ij hun de schijnvrijheid voortoovert, an slaat ge de handen ineen.

De Apostel zegt: „dat ze ontwaken mochten uit den strik des Duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijn wil".

Nu onder dit menschdom, in dezen kerker, in die ommuurde stad is deze Christus ingezet. Dat komen in vleesch, hoewel Hij Zelf van elke smet der zonde erre bleef, hield reeds in, wat Hem te wachten stond. Hij zou onder dat vonnisch bukken, door als Plaatsbekleeder hier te staan was geen afbuigen mogelijk. noch Hij deed het zoo gaarne, al kostte het Hem ook bloedig zweet, al droop het leed ook van Zijne ziele, al moest Hij ook uitroepen: „mijn God, u mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten", toch geeft Hij zich vrijwillig. De door­breker ging tot in de diepste holen, tot in de .meest verborgen schuilhoeken binnen, doch toen Hij den geest gaf en de grafspelonk zich ontsloot was het hoogtepunt verkregen. Op den stillen Paaschmorgen breekt Hij door. Het woord van den Profeet treedt in vervulling: voor hun aangezicht zal Hij optrekken.

Laat dit niet ongemerkt voorbij gaan, lezer.

Geen oogenblik kunt en moogt ge Christus u los denken van Zijn volk, van al Zijne kinderen, van allen, die God Hem gegeven heeft. Wanneer Hij in den dood gaat, wanneer Hij aan het schandhout zich laat nagelen, wanneer Hij geheel vloek wordt, zoo is dit door en in en met Zijn volk, Omdat Hij hun Hoogepriester is, moet dit offer gebracht. Maar daardoor worden ook zij rein gewasschen.

Met het graf precies eender. Met Zijn pasmunt werd voor hen betaald. Maar nu ook ligt in Zijn uittreden hun doorbreken. Wat die Christus daar deed, deed Hij voor hen.

Naar waarheid mag hier betuigd: „wat Ik leef, leef Ik ulieden".

Zie dit wordt nu toegepast, dit nieuw verworven leven deelt Hij mede. Op welke wijze vraagt ge?

Door zich zelven te geven. Hij laat in het Woord, waarin Hij zelf verscholen ligt aan de gebondenen prediken loslating. Die levende Christus doet door Zijn Woord en Geest de gevangenen opeens zien, hooren en merken waar ze zijn. Als bij een Petrus komt Hij binnen. Hij stoot hen aan en Hij laat hen de ketenen afvallen, om hen in de volle ruimte te stellen.

Of - wat niet minder vaak plaats heeft: . Hij maakt wakker wat in den slaap der zonde nederligt, terwijl de ketenen blijven. Nu komt eene benauwende gewaarwording, „Heere wat nu? Ik hijg naar vrijheid, ik moet van hier, deze plaats doet me sterven".

De gerustheid van voorheen is geweken, 't Wordt nu echt eng. Wat nu gedaan?

Overal wordt naar een uitgang gezocht. Men zoekt om zelf door te breken. Ik zal dit zoeken. Ik zal mij zelven verbeteren. Ik wil daarop eens meer acht geven, eens zien wat ik vermag. Maar wat ook gelukken mag, dit niet. Het breekt alles bij de handen af. De ketenen worden hoe langer hoe zwaarder, tot de Heere dit wondere woord in de ziele indraagt: de Doorbreker is voor u doorgegaan. Hij liet de poorte achter zich open, als ge het nu maar eens geheel op Hem wondt wagen. Zie op Mij en leef, zegt de Heere.

En nu breekt de ziele uit: „zou dat voor mij mogelijk wezen, voor zulk een onrechtvaardige, voor zulk een goddeloos mensch? "

Wanneer Ge 't mij zelf niet verzekert, ik geloof het niet. Heere, slechts éen woord. Noem mij bij mijn eigen naam Doe als bii de Magdaleensche. Noem mij bij name en het wederwoord zal zijn: Rabbouni."

Zou het nog expres behoeven vermeld, dat Satan hierbij niet rustig kan blijven. Zóo laat hij zijn prooi niet glippen. Alle macht wordt ingespannen en alle list te baat genomen, om maar verwarring te stichten en maar van den Doorbreker af te houden. De zonde steekt nu nog gevaarlijker dan voorheen den kop omhoog; de wereld lokt nog Uefelijker; e Duivel doet alsof ook hij van wezen is eranderd Hij wil wel een gedeelte van ijn goddeloosheid missen, als het maar een scheiden behoeft te worden.

Zie, daarom wordt nu de strijd gestreen. Wie zal de buit wegdragen? Satan n zijn drievoudige macht of God in den emel in Zijn drievuldige openbaring? Zou het twijfelachtig zijn? Zou die Christus, die overwonnen heeft, iet ten volle overwinnen? Vreest niet, gij allen, die achter Hem bergen moogt, al knarst, satan ook op ijn tanden van woede, loslaten moet Hij, eheel loslaten.

Als God in den hemel het aan eene iel openbaart, hoe gebonden ze ligt, zoo eeft Hij ook in deze benauwdheid haar ulpe van Hem te wachten. Achter den oorbreker aan, enkel op Zijn werk en ersoon leert zij bouwen. Christus schuift de grendelen weg van dood en hel.

O heerlijke vrijheid, wie dit te beurt mag vallen. Wie in Christus zijn vrqmaker vindt. Dan blijft er niet anders over dan in aanbidding weg te zinken. „Heere, het is te veel. Zal ik door de poorte gaan en door dezelve uittrekken, ik, die er niets aan heb toegedaan, geen enkelen vijand verslagen?

Toen David eenmaal, door dorst geplaagd, de vraag richtte tot zijne knechten: „wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput? " waren er nog drie, die door het leger van den vijand zich heensloegen — echte doorbrekers. Drie. Maar op de vraag van den Koning der koningen in den eeuwigen vrederaad rees maar Eén op, toen was er slechts Eén, die doorbreken kon. God kon alleen aan God voldoen.

Toen David hetgeen met zooveel moeite was verkregen voor zich zag, weigerde hij het tot zich te nemen. Hij wilde — zoo lezen wij — het niet drinken, maar goot het uit voor den Heere. Wat zal dan wel gedaan moeten worden met wat enkel kon verkregen worden ten koste van het hartebloed van Gods Eengeboorne ?

Het gansche leven van u, kind des Heeren, uitgieten voor Hem. Bij Hem, achter Hem, met Hem verbonden is 't alleen veilig en zalig. Waar de Doorbreker doorging, zult ook gij, die Hem vreest, doorgaan: door de geopende hemelpoort.

Immers hier geldt.: hun Koning zal voor hun aangezicht henengaan eli de Heere in hunne spitse.

Ja, de Heer' is aan de spits getreden Dergenen, die mij hulpe biên. Ik zal, gered uit zwarigheden Mijn lust aan mijne haatren zien. Of wilt ge — en dit zal het reislied zijn, waarmee ze de poorte binnengaan: Ontsluit, ontsluit voor mijne schreden De poorten der gerechtigheid; Door deze zal ik binnentreden En loven 's Heeren majesteit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 mei 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenklng.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 mei 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken