Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze Belijdenis.

10 minuten leestijd

Art. 17c. . Die worden zou van eene vrouw, om het hoofd der slang te vertreden, en hem gelukzalig te maken.

LXX.

De oorsprong van het wezen van hét verbond der genade ligt in het Paradijs. Dit geldt natuurlijk alléén van de openbaring daarvan in den tijd. Immers in den grond der zaak kan het verbond der genade niet losgedacht worden van de uitverkiezing. Wat het besluit betreft ligt de diepste grond ook van het verbond der genade dus in Gods eeuwigen Raad. Maar de eerste aankondiging dat God weer een nieuw verbond met den gevallen en dus in zich zelf gansch verloren zondaar had opgericht, vinden we in Gen.'3:15. Daar immers hebben we de eerste van al de beloften Gods die straks in den Middelaar des Verbonds ja en amen zouden zgn.

Gen. 3 : 15 wordt dan ook meermalen de moederbelofte genoemd, omdat uit deze belofte als 't ware'alle andere beloften zouden voortkomen. In deee belofte is sprake van het zaad der vrouw, hetwelk met het zaad der slang zou leven in een onverzoenlgkeff strijd. Het kan wel niemand meer onbekend zijn wat we hier eenerzyds onder het & aad der vrouw en anderzijds onder het zaad der slang, hebben te verstaan. Met het zaad der slang is hier niet anders bedoeld als het rijk des Satans. De onderdanen van diens rijk worden meermalen zijne kinderen genoemd. Het zaad van den duivel is dus het gansche rijk der duisternis en in het bijzonder alle goddelooze en verworpen menschen die in de H. Schrift ook wel als kinderen des toorns of als slangen en adderengebroedsels worden aangeduid; kortom alle dezulken die naar het Woord des Heeren uit den vader den duivel zgn en dus ook de begeerten huns vaders willen doen. '

En met het zaad der vrouw doelt de Beere in de eerste plaats op Hem, die in de volheid des tijds uit een vrouw, uit een maagd geboren zou worden; het zaad der vrouw bij uitnemendheid is Cliristus, die immers geworden is uit een vrouw, geworden onder de Wet, opdat Hij degenen die onder de Wet waren ver-1 lossen zou. Toch moeten we niet meeneh I dat dit zaad der vrouw uitsluitend Christus i zou zijn. Evenals met zaad der slang ge-I doeld wordt op alles wat tot het rijk I des Satans gerekend kan worden, zoo zijn j ook diegenen als het zaad der vrouw 1 aantemerken die behooren tot hetzelfde lichaam waarvan Christus is het Hoofd, Onder het zaad der vrouw moeten dus verstaan worden allen die God in Christus gekend en van voor de grondlegging der wereld heeft verordineerd om den heelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn. De I Schrift noemt ze ook wel een heilig zaad (Jes. 6:13) of een zaad dat de Heere gfizegend heeft (Jes. 61:9) of een zaad |dat den Heere liefheeft (Ps. 22 : 31). i .Zoo ook wanneer we zingen: en Zijn I godgeheiligd zaad, zal 't gezegend aardrijk j erven", dan weten we dat met dat god-' geheiligd zaad bedoeld worden alle degenen die in leven en in sterven des j .Lfeeren eigendom zijn

Tusschen die twee machten nu, het irijk des Satans aan de eene zijde en het Koninkrijk van Christus aan den anderen kant, zou daar een onverzoenlijke strijd ontstaan.

Christus als Overste van het rijk des lichts, zou staan tegenover Satan als overste van het rijk der duisternis.

Ontzettend is dan ook de worsteling geweest die daar van het Paradijs af tusschen die twee rnachten is gevoerd.

Het kruis van Christus is van dien strijd het brandpunt geweest. Maar de stralen^ die van dat middelpunt uitgaan, hebben de gansche wereldgeschiedenis beheerscht en beheerschen die nog. Gaat jde geschiedenis des heils maar na en I schier op iedere bladzijde zult gij het zaad ' der vrouw en het zaad der slang als geharnast tegenover elkander zien staan Mét een reeks van voorbeelden üit Oud : .en Nieuw Verbond zou dat kunnen aan-! igetoond worden; doch ook in onze dagen j wordt het telkens weer bij veruieuwing gehoord en gezien dat daar eeneirzijds een breede stroom is die optrekt onder de leuze: „Wij willen niet dat Christus Koning over ons is", terwijl daar anderzijds een, zij het veel kleinere, schare is die zich schaart onder de banier van Hem, die voor gansch ons leven Zijn Koninklijke ordinantiën gaf.

En hoe zal nu die strijd wórden beslecht, wat zal er het einde van zgn? Ook dat is in het Paradijsjeeds voorspeld; ook op die vraag heeft de moederbelofte reeds een antwoord gegeven. Immers „datzelve zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen". Het zaad van de vrouw zou dus beginnen ruet het lijden van een droeve nederlaag, maar in het eind zou het toch overwinnaar, ja meer dan overwinnaar blijken te zijn.

Met een nederlaag zou het beginnen; want de verzenen van het zaad der vrouw zouden vermorzeld worden. Ook dat woord is eenmaal in vervulling gegaan en wel voornamelijk in die bange ure die Christus aan het kruis van Golgotha heeft doorleefd en in de ontzettende wijze waarop Hij daar straks den dood onderging. Maar juist met dat vermorzelen van de verzenen van het vrouwenzaad stond het vermorzelen van den kop van het slangenzaad in het allernauwste verband. Den kop van de slang vermorzelen, dat toch was een zinnebeeldige uitdrukking van dé algeheele machteloosheid, waarmee Satan en zijti rijk geslagen zou zijn; Doordat Jezus den voet Zijner goddelijke gerechtigheid op den kop der oude slang heeft gezet, is aan Satan alle macht benomen geworden. Toen Christus dan ook stierf, jubelde de hel, maar zij jubelde in haar eigen verderf. Satans schijnbare overwinning was de grootste nederlaag die hem ooit was bereid.

En wat tóen met den Persoon van den Middelaar geschiedde, dat wordt in het leven van de gemeente des Heeren nog telkens herhaald. Menige nederlaag immers moet_^oor degenen die God vreezen hier op aarde geleden worden. Hoe menigmaal worden hun door Satan de verzenen vermorzeld, maar daar staat tegenover dat als het oog des geloofs er voor ont sloten mag zijn, dan zien zg den Satan daai" met vermorzelden kop, als een doodelijk gewonde, als een gansch machtelooze liggen onder de voeten van Christus en dan zien zg dus dat het waar is: hiertoeis de Zone Gods geopenbaard, op^j7| de werken des duivels verbreken (1 Joh. 3:8) en „de God des vre den Satan haast onder uwe Voeten pletteren. (Rom. 16 : 20).

Maar in die „vertreding van heth^ der slang" ligt dan nu ook de geluW heid van Gods volk. In die vermorz^f van Satans kop door het beloofde v!f wenzaad toch Hgt de algeheele verlosj In de eerste plaats een verlossing de zonden. „Gij zult Zijnen naam he?

Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig mj; van hunne zonden". (Matth. 1:2l\' de tweede plaats een verlossing Yh-a^ vloek der Wet. „Christus heeft ons vet van den vloek der Wet, een vloek - worden zijnde voor ons" (Gal. 3:13, ' de derde plaats een verlossing van i-. toorn Gods, waar van nature de gausj wereld onder besloten ligt. „Jezus, ons verlost van den toekomenden toi»

(1 Thess. 1 : 106). In de vierde plaats een verlossing van den angst der conscientie waardoor een ieder zich voelt aangegm. die aan zijn zonde wordt ontdekt, j verlossen zou alle degenen die met vrei des doods, door al hun leven der diebaarheid onderworpen waren" (Qf 2 : 15). En eindelijk in de laatste plj, ' een verlossing van den eeuwigen d-en het eeuwig verderf „Zoo is er, nu geene verdoemenis voor 'degenen in Christus Jezus zijn, die niet naat vleesch wandelen, maar naar den Gl (Rom. 8 : 1). En waar daar verlos; ; is van zonde en vloek, van toorn en de: an angst en verderf, daar is een hers: zijn in de gunste Gods, daar is lever vrede, daar is een smaken van een zal heid, die geen oog heeft gezien, geemfelt heeft gehoord, en die in geen menahl hart is opgekomen, maar die Gotf v( allen die Hem liefhebbeui heeft bert'* Ja, wie Christus het beloofde vrouwi zaad vindt, vindt het leven en trekt welgevallen van den Heere.

Wat nu de kiem betreft lag deze lossing en zaligheid reeds in de Parai belofte besloten. Reeds in het Parai bleek de belofte^ van het verbond genade vol te zijn van Gods liefde, van Gods wijsheid, vol van Gods almi vol van Gods trouw.'Maar daarna isi openbaring van deze belofte in al rijkdom steeds klaarder geworden. Ti honderd jaar na den zondvloed heeft Heere aan Abraham deze belofte herhi (Gen. 22 : 18). Wanneer Abrahams komelingen zich in twaalf stammen deeld hebben en alzoo de stamboom zijn geslacht zich in twaalf wgduitli pende takken gescheiden heeft, dan het de stam van Juda die als de biji dere drager van deze belofte wordt gewezen (Gen 49 : 10). Daarna wci m zevenhonderd jaar later, de Messias gewezen als te zullen voortkomen Davids geslacht (Ps. 132:17, 18). 1 driehonderd jaar later wordt voora wie Zijn moeder zal zijn (Jes. 7:14) welke Zijn geboorteplaats zal wezen (Mij 5 : 1). Totdat eindelijk, nadat het verl der genade bijna vier duizend jaar schaduwen gehuld was geweest, de schijning van het beloofde vrouweni in de volheid der tijden heeft plaats gel doordat, het Woord Gods vleesch is worden en onder ons heeft gewoond ( 2:7; Joh. 1:14).

Wat een voorrecht onder de in Chrif vervulde belofte van het genadeverbi Gods te mogen leven, maar wat is verantwoordelijkheid dan ook zwaar Ï hen die nochtans weigeren om, verbondsbelofte te aanvaarden en ^ blijven leven als vreemdelingen van verbonden der belofte, geen hope bende en zonder God in de wereld (E:2:12). En zeker, nu zijn daar verse; lende redenen aantegeven waarom 1 velen die leven onder het genadeverbi toch geen deel hebben aan de bek des verbonds; bij den een is het onwete: eid, bg den ander is het ongeloof, een derde is het aardschgezindheid lust om de wereld te dienen, bij vierde is het valsche inbeelding, leven in den waan dat men is een des verbonds, zonder ooit voor eigen loofsbewustzgn in het verbond te overgegaan, maar ten slotte zalieder' de belofte des verbonds weigert, het alt zichzelf te wqten hebben dat hg stt zal wegzinken in eeuwige ellende, als Heere met vlanamend vuur wraak doen over degenen die God niet kenu en over degenen die het evangi onzes Heeren Jezus Christus niet gebc zaam zijn (2 Thess. 1:8).

Daarentegen als wij niet slechts oei het verbond van Gods genade ' mogen, maar wij hebben de beloften verbonds, die allen in Christus verv zijn, door het geloof ook voor ons zt aanvaard, dan is er alle reden om t ons zelf maar den Heere te loven die raad heeft gegeven en die door de machtige kracht Zijner genade ons hand schonk om zulke rijke weldai van heil en zaligheid deelachtig te den. Immers als we van onszelve gelooi mogen dat er een eeuwig verboDdi tusschen God en ons hart, dan kum we ons verzekerd houden van de on* keibare vastheid van dat verbond, ff' dan zal ook deze belofte des Heeren ons van toepassing zijn: „bergen mol wig ken en heuvelen wankelen maar Mtgoedertierenheid zal van u niet wgken en het Terbo: -d Mgns vredes zal niet wantelen, zegt de Heere uw Ontfermer". Ja welgelukzalig is het volk welks God de' Heere is, het volk dat de Heere onder de roede heeft doen doorgaan en dat Hij gebracht heeft onder den band des verbonds. (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken