Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

En daar geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van eenen geweldigen gedreven wind, en vervulde het geheele huis waar zij zaten; en van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur en het zat op een iegelijk van hen: n zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest. Hand. 2:2, 3 en 4a.

Pinksteren.

En daar geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van eenen geweldigen gedreven wind, en vervulde het geheele huis waar zij zaten; en van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur en het zat op een iegelijk van hen: n zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest. Hand. 2:2, 3 en 4«.

Het Pinksterfeest is het laatste van de rij feesten, welke wij in het midden van Gods Kerk vieren.

Eerst hebben we Kerstfeest gehad. Toen volgde Paaschfeest. Daarna kwam het feest tot gedachtenis van Jezus' hemelvaart. Nu hebben we Pinksterfeest.

In die feesten spiegelt zich de weg van den Heiland en Zaligmaker Jezus Christus geheel af.

Want zien we Hem op Kerstfeest in Zijn nederige geboorte uit de maagd Maria, liggend in een kribbe — we bemerken op Paaschfeest, dat Hij in het graf is terecht gekomen, na op Golgotha als een misdadiger gehangen te hebben aan een - vloekhottt, ^ uit.w«lk..-gj; ai.Hij , everLweL èn, door Zijns Vaders kracht alsook door Zijn eigen goddelijke kracht triumfantelijk weet uit te breken, satan, dood en hel gebonden aan Zijn voeten neerleggend, gansch uitgesclmd.

Waar het dan niet bij blijft.

Want als de Heiland hier op aarde Zijn waren arbeid zoo heerlijk volbracht heeft en voor de Zijnen verzoening en vrede bij God gewerkt heeft, dan gaat Hij, Sions Losser en Middelaar, den hemel binnen, om plaats te nemen aan des Vaders rechterhand.

En dan? Wat volgt dan?

Is Jezus dan van de aarde weg en is Hij dan van de Zijnen gescheiden ? Is het dan uit met Jezus voor Sion — zooals het uit kan zijn tusschen twee vrienden, waarvan de een komt tot een veel hoogere positie dan weleer?

Gaat het dan nu, zooals het b.v ging tusschen den schenker van Farao en Jozef ?

Neen! zoo is het gelukkig mei.

Héél, héél anders gaat het.

Want Jezus is nu na een lange en bange worsteling, met betooning van een volkomen gehoorzaamheid en met uitstorting van Zijn bloed, ingekomen in de heerlijkheid des Heeren hierboven, hebbende als Borg de beloften des eeuwigen levens voor de Zijnen en ziet, nu is Hij nauwelijks in de hemelsche heerlijkheid ingegaan, of Hij laat het merken dat Hij den Zijnen gedenkt en dat nu Zijn liefde hiermee bezig is: om een wederhoorig kroost te schenken de gaven des Geestes, opdat zij vernederd en verteederd als nieuwe schepselen den Heere zouden kennen en op Zijne zaligheid wachten.

God de Vader wil een volk hebben, uat Hem keut, dat Hem vreest en dat eeuwig bij Hem zal zijn.

Maar dat volk ligt om der zonde wil onder het oordeel des doods.

Daar heeft Jezus hen onder uit gehaald door Zelf den dood in te gaan en al Gods recht voor hen te betalen.

Nu zullen ze leven.

Maar ze zijn dood in zonden en misdaden. Ze zijn vleeschelgk onder de zonde verkocht.

' Daarvoor zal Christus nu zenden ran Zijnen Heiligen Geest, opdat er geestelijk leven zal uitspruiten en er een geheiligd volk ? al gevonden worden, dat den Heere mag kennen in waarheid, om in nieuwigheid des levens te wandelen.

Nu zou dus de groote voortzetting gezien worden van hetgeen de Heere zich had voorgenomen en 't geen Hij aanvankelijk was begonnen om uit te werken.

Er zou een volk ingeplant worden in de gerechtigheid van Christus. Er zou een volk deelgenoot gemaakt worden van het leven Gods. De wortel Davids zou uitspruiten en opschieten en worden tot een boom, met vele takken, waarin de vogelen zouden nestelen. En alom zouden zielen gevonden worden, die mochten ademhalen in de nabijheid Gods, zeggende: „al't oude is voorbij gegaan, ziet alles is nieuw geworden."

Daarom zou 't met de hemelvaart van Christus niet uit zijn.

Dan zou de inplanting van 't Godsleven eigenlijk eerst recht beginnen. De regen des Geestes zou nederdalen. En onder de Joden en de heidenen zouden kinderen Gods geboren worden, die saam zouden vormen dat volk, dat gewillig is inden dag van Gods heirkracht en dat het sieraad is van Sions Koning, die geëerd wordt in de veelheid Zijner onderdanen.

Nu voelen we ook al dadelijk, dat het Pinksterfeest in aard en wezen een zoo ander feest zou zijn als b.v. Kerstfeest. Het moest zoo geheel en al worden iets dat niet gezien werd en zich nochtans zou openbaren in nieuw leven; het moest zoo echt geestelijk zich openbaren, uit het verborgene werkend naar buiten, van binnen uitbrekend in geestelijke bloesems en hemelsche vruchten.

En daarom kunnen we 't Pinksterfeest ook 't moeilijkst vatten; we kunnen 't ons 't moeilijkst realiseeren; we kunnen ons dat feest van den vijftigsten dag 't moeilijkst indenken en onder woorden brengen. Wij menschen zijn toch in al ons denken gebonden aan de zinnelijke waarneming.

En daarom gaat 't ook wel om ons 't feit van Kerstfeest voor oogen te stellen. Ook wel om ons de dingen van Goeden Vrijdag voor den geest te roepen. Ook kunnen we op Paaschmorgen gaan zitten bij het graf en zien op den steen en op de ledige plaats daarbinnen. Ook leven we mee met de discipelen, die op den Olijfberg den Heiland voor hun oogen zien opvaren naar den hemel.

Maar om ons de werkingen des H, Geestes helder voor oogen te stellen, gaat moeilijker. We kunnen de begrippen van geestelijke dingen alleen vormen met gegevens die aan de stoffelijke wereld zijn ontleend. En daar ligt zoo groote moeilijkheid. Gelijk ook de derde Persoon in de H. Drieëenheid, in Zgn wezen Geest zijnde, voor ons zoo moeilijk is voor te stellen; en we kunnen Zijne werkingen, die op de verborgen wereld des gemoeds en op de geestelijke wereld van Gods Koninkrijk betrekking hebben, slechts met de hoogste inspanning ook maar eenigermate nagaan en verstaan.

Daarom achten we het een bewijs van Gods nederbuigende goedheid, dat de H. Geest op het Pinksterfeest is uitgestort onder zichtbare en hoorbare teekenen. Neen! nu moeten we niet in de fout vervallen om de teekenen aan te zien voor des Ge^t^^'-dti'^& ieekenis van het Pinksterfeest te zoeken in de teekenen. Want het feit waar 't met Pinksteren om gaat is: en zij werden allen vervuld met' den Heiligen Geest.

Maar het is toch een groot voorrecht, dat de H. Geest is uitgestort onder teekenen. Dat had ook ènders kunnen geschieden. De Heere Christus had ijn Geest kunnen zenden, zonder dat iemand er iets van gehoord of gezien had. Maar dat doet Hij niet. Hij, die onze zwakheid kent, komt ons te hulp. En nu is de uitstorting des Geestes het groote, centrale punt voor heel de geschiedenis van Gods Koninkrijk, tegelijk van hoorbare en zichtbare teekenen vergezeld, waardoor de discipelen met het zintuig van het oor en van het oog zich konden voorstellen wat er gebeurde, gelijk wij ook daardoor nog altijd kunnen handelen aan de hand van die teekenen over de beteekenis en werking van den Geest des Heeren, gelijk Hij dien Geest wil beloven en zenden aan alle de Zijnen.

En dan zijn de teekenen wind en vuur natuurlijk niet willekeurig, gelijk het ook bizondere beteekenis heeft, dat er van hen gezien werden verdeelde torigen.

We gedenken dus op Pinksterfeest allereerst Gods trouw en liefde. De Vader zet het werk, dat Hij Zich van eeuwigheid heeft voorgenomen, heerlijk voort. En daar moet Gods Gemeente telkens weer bij bepaald worden, gelijk ook de ziele van Gods kind daar weer telkens moet worden binnengeleid. Dè, t blijft toch maar de eenige vastigheid en de hoogste vertroosting voor de Kerk van Christus en het harte van Gods kinderen, om in den eersten Persoon van het Goddelijk Wezen te eindigen en daarmee zich verbonden te mogen gevoelen. Alle andere dingen schommelen, wijken en bezwijken. Die geven ook niets anders dan een ongestadigen gang en een ongedurigen weg. Maar in Gods eeuwigen vrederaad te mogen rusten en te mogen leven bij Zijn verkiezende en eeuwige liefde en trouw, geeft nietigheid en grootheid, geeft zwakheid en sterkte, waarvan het einde is: eeuwig met den Heere vereenigd te mogen worden in ongestoorde zaligheid.

En dan worden we bepaald bij den verhoogden en levenden Borg en Middelaar, die de zaligheid en den vrede voor al Zijn volk verworven heeft, en nu uit Zijne volheid genade voor genade schenken en werken wil in de harten van Zijn gunstgenooten en in het midden van Zijn Gemeente.

Zij zijn geen weezen, geen ver latenen, geen beroofden en ellendigen.

Ze hebben een verheerlijkten Heiland en Goddelijken Pleitbezorger in den Hemel, die altijd hunner gedenkt, altijd met hen bezig is, èn het beste hun toebereidt en meedeelt wat er voor tijd en eeuwigheid te denken is.

En dan in de derde plaats is nu de nabijheid, de inwoning en de werking des H. Geestes geopenbaard en verzekerd voor al Gods kinderen van alle tijden en alle plaatsen op aarde.

Zeker I vóór den Pinksterdag bestond de H. Geest ook al. Hij leidde de vromen onder Israël en bezielde den kleinen kring van Jezus' discipelen.

Maar de bedeeling was nog zeer beperkt. Eerst moest Jezus' werk, om de zaligheid te verdienen, voltooid zijn; moest Jezus, Sions Borg, verheerlijkten gezeten zijn op den glorietroon daarboven, dé, n zou de Heiland de volle beschikking krijgen over het eeuwige leven der Zijnen en over den Heiligen Geest tot wederbaring, leering, leiding en vertroosting der Zijnen. En ziet, als nu dat oogenblik van den Heere daartoe bestemd, vervuld is, dan worden ook de discipelen vervuld met dien Geest, Dan ontvangen ze dien Geest met volle stroomen. En sinds is die Geest hier beneden, om hier te blijven en Zich te openbaren aan al Gods gunstgenooten van alle plaatsen en alle tijden.

Als vertegenwoordigers van de Kerk van Christus ontvingen de discipelen den Geest, en des Geestes gaven vervulden hen — waarbij al Gods kinderen van alle plaatsen en alle tijden mogen verzekerd worden, dat de Heere Zijnen Heiligen Geest schenken wil en schenken zal aan een iegelijk die Hem daarom bidt.

God boven ons; God met ons; neen — God in ons, is de jubel van het Pinksterfeest.

Godsleven — déar gaat het om.

Leven door en uit en met en in den Geest. Waarbij we weer bepaald worden bij de teekenen die gehoord en gezien worden : wind en vuur — met verdeelde tongen.-

Neerwerpend, verbrekend werk zal aan ons moeten zijn of worden verricht.

Wat hoog van oogen is, moet beschaamd, verbroken, neergeworpen worden. De Geest Gods moet als een wind van geweldige kracht plat slaan en ontwortelen, waarop we van nature zoo trotsch gaan. Zuiverend ook wat bedorven en vuil is, Verfrisschend en vernieuwend wat gesloten, bedompt, onzuiver en schadelijk is. Met goddelijk vuur moet ook uitgebrand worden alles wat waardeloos is. Heel 't stoppelveld en 't kreupelhout van deugd en goede werken moet in de asch worden gelegd. Tegelijk heiligend en vernieuwend wat der ziele tot vrede en vreugd kan wezen in Christus, bezielend en^ aanvurend tot kloeke belqdenis en tot moedig getuigen van 't geen de Heere aan de ziele doen wil, nemend voor een arm zondaar uit de volheid van genade en gerechtigheid en zaligheid, zooals dat in Christus gevonden wordt.

Wind en vuur — geestelijk genomen — moet ons deel worden op dit Pinksterfeest,

En in onderscheiden mate moet gesproken worden van de geestelijke dingen op dezen dag.

Kennen wij er iets van?

Leeft de Gemeente des Heeren er bij ?

Is er geestelijke werking, geestelijk leven, geesteliijk spreken in een geestelijken wandel?

Over geesteloosheid wordt geklaagd. Over oiigeestelijkheid wordt gesproken en geschreven. Schrikkelijke oordeelen gaan over het veld van Gods Kerk. In toorn weet de Heere op te staan bij gruwelijke afwijkingen en Hij weet te bezoeken het leven dat zoo stoffelijk, zoo aardsch, zoo zondig is.

Men klaagt algemeen over traagheid, schraalheid, dorheid, verdeeldheid liefdeloosheid.

Ach, wat is er ook een zoeken van de dingen die beneden zijn, inplaats van de dingen die boven zijn.

Wat zoekt menigeen zichzelf, inplaats dat men saam Christus zoekt.

Wat leeft menigeen bij vleeschelijke betrachtingen inplaats dat men vervuld is met de eerstelingen des Geestes. Duizenden lijden aan geestelijke bloedarmoede, geestelijke bleekzucht, geestelijke verslapping,

„Och, Heere! geef nu heil; geef thans Uw zegeningen; geef nu voorspoed."

Die bede stijge op uit menig harte, uit velerlei gezin, uit alle kringen en samenkomsten en kerken waar men rondom Gods Woord vergaderd is.

En de Geest Gods kome over ons persoonlijk.

De GeestGods kome over Zijne Kerk,

De Geest Gods kome over land en volk.

De Geest Gods — die nederdaalde onder teekenen van wind en vuur.

Veel worde neergeworpen — veel worde opgericht.

Veel worde verbrand — veel worde' vernieuwd.

Veel worde weggedaan — veel worde geheiligd.

En de heilige tongen mogen vaardig gemaakt worden om heiliglijk te spreken over de dingen van Gods Koninkrijk, en over 't geen de Heere ook aan ónze ziele heeft gedaan!

Ja — ook aan onze ziele.

„Ontwaak, noordenwind, en kom, gij zuidenwind; doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen uitvloeien".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 25 May 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van Friday 25 May 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken