Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stichtelijke overdenking.

12 minuten leestijd

Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijnen dood gelijkvormig wordende, of ik eenigszins moge komen tot de wederopstanding der dooden. Filipp. 3:10, 11.

De kracht Zijner opstanding.

Schitterend in de majesteit van een onverderfelijk leven, als de nieuw en groote Overwinnaar des doods, is Christus op den Paaschmorgen te voorschijn getreden uit de duisternis van het graf.

Welk een stof tot blijdschap voor Christus' Kerke. Hij is krachtiglijk bewezen de Zoon van God te zijn. Hij geeft Zqne gemeente de verzegeling van de waarachtigheid van hare verzoening met God. Hij schenkt haar in Zijne Verrijzenis een pand van hare zalige opstanding.

Maar Hij doet de kracht Zijner opstanding ook gevoelen'in het leven van ieder, die in Zion is geboren. Het licht van den Paaschmorgen vaagt weg de nevelen der zonde voor het herboren hart. O, is het wonder, dat het der geloovige ziel zoo goed is om altoos dieper te blikken in het geopende graf? Ligt daar voor haar niet saamgevat aJles, watzenoodig heeft voor tijd en eeuwigheid: rechtvaardigmaking, heiligmaking en verheerlijking?

Die dat verstaan mag, begrijpt, hoe zelfs een Paulus, die zoo diep was ingeleid in 'sHeeren heilgeheimen, in innig zielsverlangen kon neerschrijven het woord, dat. ge hierboven vindt afgedrukt.

De apostel gunt zijn lezers te Filippi een blik in het binnenste zijner ziel. Hij openbaart hun, wat er leeft in zijn hart.

En er was voor hem groote oorzaak om dit te doen. Het was maar niet een schitteren met zijn ervaringen en genietingen — maar het ging om de eere Gods en het Koninkrijk zijns Heeren.

In de gemeente te Filippi waren nl. dwaalleeraren opgestaan, Farizeën, die leerden, dat het noodig was, om de Joodsche ceremoniën te onderhouden en die daarmee dus aantastten de vrijheid, die in Christus is. Paulus ontziet ze niet. Geen woord is te scherp voor de vijanden van Gods Koninkrijk. Hij noemt ze „honden" en „kwade arbeiders" en met bitteren spot noemt hij hunne besnijding „een versnijding."

Zij betrouwen op het vleesch; dat is juist de weg, om de zaligheid voor eeuwig te derven. Paulus kan daarvan spreken uit eigen ondervinding.

Ale er ooit iemand geleefd heeft, die op Joodsch standpunt kon betrouwen op het vleesch, dan was hij het zelf.

Zijn afstamming, zijn opvoeding, zijn wetsbetrachting, alles was even zuiver. Hij meende ook eenmaal, dat hij daarmee voor God kon bestaan.

Maar toen kwam God zelf hem tegen, ongeveer 25 jaar geleden, op den weg naar Damascus. '

De Almachtige ontdekte hem aan zijn onvermogen om den heiligen eisch van Gods geestelgke wet te volbrengen — en hij leerde zien al z^n eigen gerechtigheid als een wegwerpelijk kleed.

Hij mocht het verstaan, dat alleen de gerechtigheid van Jezus Christus kan bestaan voor God, en alles leerde hg schade achten om dien Christus maar te gewinnen en bekleed te worden met den mantel der gerechtigheid, door Hem, in Zijn lijden en sterven, voor een arm en in zichzelf verloren zondaar, verworven.

Dat begeerde Paulus : „in Hem gevonden te worden" tot rechtvaardigheid.

Maar nog meer begeert hij. Hij wil ook steeds meer één met Hem, steeds meer met Hem vereenigd worden. Hg wil immer meer uit en door Christus leven. Daarvan spreekt hij in het woord | onzer overdenking: „opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zqns lijdens, Zijnen dood gelqkvormig wordende, of ik eenigszins moge komen tot de wederopstanding der dooden."

Opdat ik Hem kenne!

Maar Paulus, moogt ge dat zóó wel zeggen ?

Kent ge Hem dan niet?

Zijt ge niet beweldadigd boven zoovele anderen?

Weet ge niet, hoevelen met een heilige jaloerschheid begeeren te kennen, wat gij kent?

O, zeker, Paulus weet dat alles.

Hij weet, dat hij Christus tot zijn deel heeft.

Hij weet, dat hij Hem zóó kent, dat hij hierin zichzelven anderen tot een voorbeeld mag stellen.

En toch is het zijn zielsbegeerte: Hem te kennen.

Want dat kennen omvat zooveel.

Dat kennen omvat een peillooze diepte.

Het is een onder vindelijk kennen, dat door Gods Heiligen Geest gewerkt wordt. Het is een kennen, dat den geheelen mensch in beslag neemt; een kennen, waardoor de mensch met Christus vereenigd wordt.

Christus kennen. Wie zal hierin het volkomene bereiken? Geen kind van God op aarde; de volmaaktheid is weggelegd voor den hemel.

Veel heerlijks mag voorzeker in Hem worden geschouwd. En toch de diepstingeleide zal bij het opwaken in heerlijkheid nog belijden; De helft is mij ni«t aangezegd.

Zeker, Paulus kende Christus, zooals maar weinigen Hem gekend hebben, en toch zegt hijzelf, dat hg nog maar ten deele kent.

Dit is een kenmerk van het ware kennen, dat de ziel, die er iets van verstaat, begeert om altoos en altoos meer te kennen.

Gelijk in een bergland de eene berg hooger is dan de andere, en men straks als de hoogere beklommen is merkt, dat er toch nog weer een hoogere is

Zoo is het ook met Christus' heerlijkheid.

Nooit nooit raakt een ziel hier uitgeleerd.

Opdat ik Hem kennel Gelukkig de mensch, die met Paulus deze begeerte heeft.

Want die begeerte is er niet — als niet iets van Hem gekend wordt.

Opdat ik Hem kenne I en dan laat de Apostel volgen : „En de kracht Zijner opstanding, "

De kracht Zijner opstanding.

Dat is de kracht, die Christus betoonde in Zijn verrijzenis; de kracht, waarmee Hij het leven aannam uit den dood. Het is de kracht, waarmee Hij de banden des grafs losmaakte.

Wel moet dat zijn een ontzaggelijke kracht.

Hoe machtig is de dood, door de zonde in de wereld gekomen; machtig, omdat de zonde zulk 'n schrikkelijke macht heeft. Door de opstandingskracht heeft Christus het leven uit Zijn.döod te voorschijn gebracht en niet alleen voor Zichzelven, maar ook voor al de Zijnen.

Immers in de opstanding heeft de Vader het „Amen" gesproken op het; „het is volbracht" van Golgotha.

De opstanding is het bewijs, dat de zonde voor al Gods volk verzoend is, dat de schuld betaald is, en dat ook de betaling is aanvaard.

Paulus weet dat alles; immers hij getuigt elders: „Hij is gestorven om onze zonde — en opgewekt om onze rechtvaardigmaking."

Is het daar wel wonder dat Paulus altoos dieper wil delven in dit heilgeheim? En toch — daarom is het niet allereerst, dat Paulus hier de kracht van Christus' opstanding wil kennen.

Er is nog een andere reden.

Zeker, voor allen die Christus leerden kennen, als den eenigen Borg en Middelaar is de zonde verzoend. Maar daarom is die zonde niet weg.

Telkens doet ze haar vreeselijken invloed gelden ook in het leven van Gods kinderen.

Telkens weet ze weer binnen te dringen en beslag te leggen op het hart.

Ook Paulus moet het telkens weer \ ervaren, dat hg ia zijne kracht niet tegen de zonde is opgewassen. Hij kan zich zoo benauwd voelen door hare werking. Hoort, hoe hg klaagt: Het goede, dat ik doen wil, doe ik niet, en het kwade, dat ik niet wil, doe ik.

Ziet, daarom wil hg kennen altoos meer de kracht van Christus'opstanding. Want in Christus' opstanding ligt de bron van levensvernieuwing voor al Zijn volk.

Zooals Hij door de kracht Gods uit den dood is opgewekt, zoo worden zij met Hem door diezelfde kracht opgewekt uit het graf der zonde.

Van den verrezen Christus gaat levenskracht uit, waardoor doode zondaarsharten worden opgewekt om in nieuwigheid des levens te wandelen.

Paulus begeert de opstandingskracht voor zijne heiligmaking. Uit die kracht wil hij leven. Al wordt ook de zonde niet volkomen overwonnen aan deze zijde des grafs — door de opstandingskracht wordt Gods volk voor bezwijken bewaard — en wordt nieuw, geestelijk leven gestuwd door de aderen der ziel.

„Indien we éen plant met Hem geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zoo zullen wij het ook zgn in de gelijkmaking Zijner opstanding." Heerlijke boodschap voor elke ziel, die vreest weldra te zullen bezwijken voor de macht der zonde. Die gekruisigd ia, is opgestaan maar de Opgestane doet ook opstaan.

Schuilen bij den Verrezene, leven uit de kracht Zijner opstanding, dat is de weg, waarop de boeien der zonde verbroken worden.

„Hebt Gij den dood verwonnen. Verwin hem ook in' mij Dat U alom te volgen Mijn hoogst verlangen zij."

Lezer, kent gij uit ervaring die afschuwelijke macht der zonde? Weet ge, hoe ze telkens het teedere leven doof Gods Geest gewekt, zoo ruw verstoort?

Dan verstaat ge ook Paulus' begeerte om Christus te kennen in de kracht Zgner opstanding.

Want door de opatandingskracht wordt het geestelijk leven versterkt, verkwikt, vertroost. 

Maar er volgt nog meer in onzen tekst. l

Niet alleen de kracht van Christus' opstanding begeert Paulus te kennen, maar ook: de gemeenschap Zijns lijdens. Is dat wel te begrijpen?

Vooral als we letten op de volgorde! Moet de gemeenschap des lijdens niet aan de opstanding voorafgaan?

Zoo moge het schijnen op het eerste gezicht, en toch ., . niemand zal kennen de gemeenschap van Christus' lijden, zonder opstandingskracht ervaren te hebben.

Toen Christus uit het graf was opgestaan, lagen dood en strijd en lij dea voor altoos achter Hem; toen ging de weg naar boven.

Maar dit, is anders bij de Zijnen op aarde. Wanneer zij door almachtige genade uit het graf der zonden zijn opgewekt, dan ligt voor hen nog een weg van lijden.

Hier beneden verkeert de geloovige ziel nog op haar Igdensweg. Er is een Iqden voor Christus' Kerke, dat de wereld niet kent.

In de wereld zult ge verdrukking hebben om Mijnentwille — zoo heeft Christus Zijnen discipelen voorzegd.

„Indien ge van de wereld waart, zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat ge van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld."

Ook Paulus heeft de waarheid van dit woord ondervonden. En toch, het was hem zoo menigmaal goed op dien kruisweg. Kon hij niet spreken van een „psalmen in de gevangenis en een roemen in de verdrukking? "

En is het niet de ervaring van Christus' Kerke van alle eeuwen, dat juist in de dagen van lijden en strgd in de wereld, de Heere Zijn kinderen schenkt bizondere genade?

Het zijn niet de slechtste tijden als Gods kind een kruisdrager mag zijn achter Jezus,

Er is echter voor Gods kinderen nog een lijden van geheel anderen aard. Het nieuwe leven, dat in het hart is uitgestort moet groeien — en dat kanalleen groeien ten koste van het oude.

Die werkelijk dat nieuwe leven voelde ritselen in zijn hart, kan met de zonde geen vrede meer hebben.

Dat geeft strijd en lijden.

Strijd vleesch. met zonde, wereld en eigen

Strijd tusschen dood en leven, oude en nieuwe mensch. „Het vleesch begeert tégen den Geest — en de Geest tegen het vleesch."

Onze Catechismus zegt zoo treffend, dat dit een nuttigheid is, die verkregen wordt uit de offerande van Christus, dat door Zijne kracht onze oude mensch met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt.

De oude mensch móet sterven.

Daarom begeert Paulus Christus te kennen en de gemeenschap Zijns lijdens. Zijnen dood gelijkvormig wordende. In dien weg zal hg der zonde afsterven, gelgk Christus voor de zonde stierf; de wereld zal hem gekruisigd worden, en hij der wereld, door de kracht van het kruis van Christus.

Neen, er is geen tegenstrgdigheid in Paulus' begeerte. Zonder dat opstandingskracht ervaren is, zal er geen kennen zijn van de gemeenschap van Christus' lijden. Maar ook omgekeerd: Zouder de geaeenschap Zijns Igdonn kan het nieuwe even niet groeien.

Wat begeert Paulus dus eigenlijk?

Hij begeert Christus te kennen.

Hij verstaat het woord des Heeren: Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen den eenigen en waarachtigen God en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.

Datgene, waarvan Hij iets kent, wil hij geheel en volkomen kennen.

En dan blikt zijn zielsoog een wijle heen ver over al dien strijd, al dat worstelen en al dat onvolmaakte — en heel, heel in de verte ziet hij het ideaal dat wenkt — als het geloof veranderd is in aanschouwen; als alle hope vervuld is, als de kennisse volkomen en de zaligheid volmaakt is — en als een klacht van zalig heimwee klinkt het uit Paulus' ziele: „of ik eenigszins moge komen tot de wederopstanding der dooden."

Ge begrijpt dat hier de Apostel niet doelt op de opstanding uit den geestelijken dood, maar op de opstanding ten jongsten dage.

Als ziel en lichaam van alle zonde en smart bevrijd in de heerlijkheid zullen ingaan.

Ook van die heerlgkheid is Christus' verrijzenis hem een zalig pand.

Opstaan zwllen in den jongsten dag alle menschen. Niemand zal aan die opstanding ontkomen.

Een vreeselijke dag zal het wezen voor hen, die Christus niet kennen.

Een zalige opstanding zal het zijn voor hen, die hier beneden opstandingskracht leerden kennen. Dan zal aan Gods volk vervuld worden:

Hun blijdschap zal dan, onbepaald. Door 't licht dat van Zijn aanzicht straalt Ten hoogsten toppunt stijgen

Ontwaakt zullen ze Christus aanschouwen in Zijn volle heerlijkheid en zij zullen verzadigd worden met Zijn Goddelgk beeld.

„Of ik eenigszins moge komen tot de wederopstanding der dooden."

Klinkt het niet wat twijfelend en aarzelend ?

O neen ; maar als Paulus ziet op zichzelven en op al wat hem omringt, dan wordt het hem te groot en kan hij er slechts aarzelend en in ootmoed van spreken.

Maar toch ook dit weet hij: De Heere is getrouw. Die niet laat varen de werken Zijner handen.

O gelukkige Paulus, wien zulk een toekomst wacht.

Gelukkige Paulus, die zulk een begeerte heeft.

Kent gij ook die begeerte, lezer?

Kent gij reeds dat alles schade achten, om Christus te gewinnen? •

Waar geen begeerte is, zal geen vervulling zijn.

Daar wenkt een eeuwig zielsverderf.

Hem kennen — 'altoos, altoos meer.

Het zij de begeerte van allen die de

Opstandingskracht leerden kennen.

Alleen langs den weg van lijden en sterven. Maar achter het lijden ligt de heerlgkheid.

Achter het kruis wenkt de kroon.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken