Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Heere, Gij hebt geboden, dat men Uwe bevelen zeer bewaren zal; Och, dat mijne wegen gericht werden, om Uwe inzettingen te bewaren. Ps. 119:4, 5.

De halmen, die het zwaarst beladen zijn, buigen zich het diepst ter aarde. De boomtak zonder vruchten verheft zich fier op haar bladerdos hoog in de lucht, terwijl de twijg, die vruchten draagt, schier tot brekens toe neerhangt. De natuur vertoont ons in zoo menig opzicht een zinneprent van het geestelijke. Daar treft men 't zelfde verschijnsel.

Ala Petrus hoog staat in eigen oog en plechtig verklaart: „al moest ik ook met U sterven, ik zal U geenszins verloochenen", dan is hg als de boomtak zonder vrucht; maar straks na een goeden staat van dienst, als Gods genade rijke vruchten in hem gedragen heeft, schrijft hq het woord neer: weest niet hooggevoelende, maar vreest, want God wederstaat den hoovaardige, maar den nederige geeft Hij genade.

De levenservaring van Gods Kerk stemt overeen met het woord der Schrift, nederigheid gaat vóór de eere. Zulk een nederige, oprecht-ootmoedige gestalte treedt ook uit bovenstaand Schriftwoord voor ons .oog.

Hartgrondige eerbied voor Gods heilige Wet is het kenmerk van allen, die den Heere vreezen. De Wet is geestelijk, zoo prqst Paulus, maar, voegt hij er zichzelf veroordeelend aan toe, maar ik ben vleeschelijk en verkocht oiider de zonde. De Wet is geestelijk, dat wil zeggen, haar werk bestaat niet in met pijnlqke nauwgezetheid gebod op gebod, regel op regel stapelen, gelijk 't de Farizeërs deden, neen, maar Gods Wet, dat is de levensgang der ziele, die wandelt met God; zg is de gemeenschap met, de gehoorzaamheid aan, de blijdschap in God. Alleen in dien weg is vrede, blijdschap, rust, zaligheid voor den menscb, Zóo hebt ge het te verstaan als in den 119den Psalm sprake is van Gods Wet, van des Heeren inzettingen, bevelen en getuigenissen. Heere, Gij hebt geboden, dat men Uwe bevelen zeer bewaren zal, zoo roept de dichter uit; dat de mensch uit teedere aanhankelijkheid, met kinderlijke onderworpenheid en trouwe volharding in Uwe wegen zal gaan.

De Heere heeft dit geboden; Hij heeft het niet in onze keus gelaten; Hij heeft, krachtens Zijn onvervreemdbaar recht in schepping en herschepping gegrond, Zijn volk duidelijk te verstaan gegeven, dat Hij zulks wil, en dat er alleen in dien weg ware levensverrijking is. Het pad, dat afwijkt van Gods weg, moet eindigen in het moeras, dat kan niet anders. In droeve verarming en verdorring des levens wreekt zich elke afwijking van den Heere.

Wij hebben met geen menschenkind te doen, dat morgen misschien vergeten is, wat hij heden beloofd of bedreigd heeft, maar met den levenden, waarachtigen God, die Zijn eer aan geen ander geeft.

Wat zou dal voor een wet zijn, reeds onder menschen, die ge naleven of verkrachten kondt met geheel dezelfde uitkomst? Achter elke wet, dien naam waardig, staat de autoriteit van den Wetgever, die straf dreigt, fo. voltrekt over de schending ziijner wet. Dit klemt te meer, als gi^" bedenkt, dat Gods Wet de levenswandel met God is, het vaste, veilige pad door de moerassen der zonde naar 's levens heerlgk einddoel.

Wat voor de klimplant lat-en leidwerk ia waartegen zij oprankt^ dat is Gods inzetting voor 't menschenkind. Als ge de ranken van den wgnstok afrukt van heur steunsel, dan zinken ze neer, worden vertreden en haar vrucht gaat teloor. Leven in den vollen, rijken zin des woords is vrucht en uitkomst van 't bewaren van Gods bevelen, en 't afwijken daarvan is de dood.

Wie 't vaste pad verlaat, dat door de moerassen leidt, zinkt straks weg in den afgrond des doods.

De zeevaarder heeft in den donkeren nacht het lichtend sterrebeeld, dat hem de veilige koers aanwijst over de woelige golven. Zoo zijn Gods inzettingen als de stralende star, die over de groote, woelige, dikwerf fel bewogen levenazee 't pad wijst naar het eeuwig vaderland.

Ieder verstaat, hoe jammerlijk omkomen moet, wie dit Woord verlaat; maar wat zeg ik, zou ieder 't verêtaan? ach, ware dat zoo!

Neen, niemand die 't van 't nature verstaat en ter harte neemt. Blind-is de mensch voor den levensjammer die opkomt uit de zonde; doof is hij voor de manende stemme, die hem toeroept: „o weeg toch uw geld niet «it voor wat geen brood is, en uwen arbeid voor wat niet verzadigen kan."

De mensch weet niet, hoe arm en blind en naakt hij is, en dat is van alles het ergste.

Is er dan niemand, die oog heeft voor de ontzettende levensvernieling, die gevolg is van het afwijken van den Heere, den sprinkader des levenden waters?

Ja, lezer, daar zijn er, in wier ziele Gods Geest de lamp der ontdekking heeft ontstoken en hoog opgeheven; wier oog werd verlicht, zoodat zij hun levenspad zien afbellen naar den eeuwigen afgrond, omdat 't afwigkt van en ingaat tegen de inzettingen des Heeren; en in den nood hunner ziele moeten ze belijden, dat ze door eigen schuld zijn omgekomen: Heere, Gij hebt geboden, dat men uw bevel zeer bewaren zal; Gij hebt ons bezworen bij U te blijven. Gij hebt niets onbeproefd gelaten, om onö af te manen van dezen weg des doods, om ons 't gevaar dat dreigde te doen beseffen;

Eerst heeft de zondaar nog gepoogd het dreigend verderf te ontvlieden; 't werd een bange worsteling, een harde kamp, een spannende wedloop tusschen den zondaar en het zwaard der Wet, maar eindelijk moest hq 't opgeven, toen hij verstond, dat hij 't verzuimde niet meer inhalen zou; dagelijks nog groeide zijn schuld en werd zijne zonde meerder.

Dat ook de dichter van dezen psalm met zichzelf is omgekomen, blijkt klaarlijk uit de verzuchting van 't vijfde vers: och, dat mijne wegen gericht werden, om Uwe inzettingen te bewaren I . Wat dunkt u, ligt in deze smeeking niet de bekentenis van eigen' onvermogen? de diepe en hartgrondige belijdenis: ik kom er nooit!

En dat is dezen mensch ernst geworden; zijn onmacht ten leven wordt hem tastbare werkelijkheid; hij weet zich weggezonken in diepe ellende.

Daar is een gapend verschil tusschen i van-buiten-af-aangeleerde kennis van zonde en verlorenheid en in 't hart ingeplante, door Gods Geest geleerde zelfkennis. In 't eerste geval Hgft het er bij; die mensch komt geen stap verder; hg stapelt klacht op klacht, maar vlucht niet tot GodI

Deze dichter werpt 't echter op God; hij heft zijne stem op, als de blinde Bartimeus, die uit" de verte tot Jezus riep om hulp.

Het werk van Gods Geest draagt vrucht in de ziel; de genade is nooit ledig in den mensch. Als 't oog ontsloten wordt voor zonde en ellende; als 't licht Gods ontdekkend gloort over den akker der ziele, dan wordt het pad gewezen naar den Genadetroon, dan voegt zich bij de belijdenis: ik heb gezondigd, ook de bede om gena,

Dat is hier het geval. Heere, Gij hebt geboden, dat men Uw bevel zeer bewaren zal, maar ach, ik arme, dwaze, , , dwalende zondaar ben niet bij machte dit te doen; ik maak de schuld dagelgks meerder, den afstand al grooter; o wat blijft mij over, dan mij neer te werpen op Uwe barmhartigheden; och, doe boven bidden en denken; doe de jammerlgke gevolgen mijner zonde en dwaasheid te niet; och wierden mijne wegen gericht om Uwe inzettingen te b€(W8*en, dat ik-op-Uwe wegen leerde gaan, met U mocht wandelen aan Uwe hand, verzoend, gereinigd en bestierd door Uw' Geest I

Hier ritselt de bede om een Borg en Heiland en Heelmeester en Leidsman; hier roert de smeeking, dat de tweespalt tusschen God en het hart worde weggenomen ; hier klimt de bede omhoog om Christus te mogen bezitten in al de volheid van Zijn dierbaar, algenoegzaam Middelaarswerk; Christus, die de schuld uitdelgt in zijn bloed, de zonde dicht dekt met het kleed Zijner volkomen Borggerechtigheid, Christus, — Immanuel. God met ons; die Zijnen Geest uitzendt, welke de dooden levend maakt, het harde hart vermurwt, allen indachtig maakt en in al de waarheid leidt, die als een andere hulpvaardige Rebecca uit de onuitputtelijke bron van Christus' Middelaarswerk den beker vult met het water des levens en den semechtigen zondaar aan de lippen zet, en uit de volgetaste schatkameren van den Borg genade voor genade te voorschijn brengt, sieraad voor asch en vreugdeolie voor treurigheid.

Hier is de bede om Christus, die met één offerande in eeuwigheid volmaakt al degenen, die geheiligd worden endoor zijn volkomen arbeid de zielen niet alleen rechtvaardigt, dat is den Vader onberispelijk voorstelt, maar ook heiligt, dat is vernieuwt naar Zijn beeld, de lust opwekit om tegen de zonde te strijden, met God te rade te gaan, ja, zooals onze Heidelberger 't uitdrukt, eer alle mensch varen laat, dan in het allerminste tegen Zijnen wil te dóen.

Hier staat ge voor wonderen die hun kruin ver boven de hoogste bergen opbeuren tot in den hemel: de blinde ziet, de doove hoort, de hoovaardige zendt uit het stof de bede om gena, , de onwillige buigt zich op des Heeren eisch, naar Zgn paleis, het hof der hoven.

Christus Jezus heeft voor al de Zijnen den vloek der zonde gedragen; de vloek der zonde is de vervreemding en verlating van God; voor allen die in^Hem gelooven heeft Christus den onverbrekeIgken gemeenschapsband gevlochten tusschen God en de mensch. O gewis, nog is de mensch in zichzelf melaatsch. van hoofd tot voeten, maar dit is 't wonder van erbarming, dat Gód geen zonde ziet in Jakob. Wel waakt de afkeer van de zonde op, in 't hernieuwde hart, en wordt de aanvankelijke lust geboren om des Heeren inzettingen te bewaren, edoch nog struikelen allen in vele; maar dit is het genade-wonder, en al is het dat zg iets doodelijks drinken, het zal hun niet schaden!

Rijke leering bevat dit treffende Schrift woord: Jammer treft den mensch, zoo wordt ons hier geleerd, die Gods Weg en Wet verlaat; ernstig klinkt des Heeren vermaan ons tegen, dat wij Zijne bevelen zeer bewaren zullen; o dringe dit ook ons tot de oprechte bede: och, dat mijne wegen gericht werden, om Uwe inzettingen te bewaren! '

In Christus is alle breuk tusschen'God en het zondaarshart geheeld; Hij wordt van God geschonken tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, tot een volkomen verlossing. Dringe Zijne onafwijsbare noodzakelijkheid zich aan ons harte op, hoe langer zoo meer, opdat de behoefte aan Jezus worde gevoeld en de begeerte naar Hem dringe en drgve tot de oprechte bede om Hem te mogen kennen en-de kracht Zijner opstanding I

Alleen in Hem is volkomen heil. Bukke ook onze ziele diep voor den Heere, opdat zij rijkelijk worde beladen met de vruchten Zijner genade. Zijn onvolprezen naam ter eeuwige eere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken