Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stichtelijke overdenking.

17 minuten leestijd

Exodus 13 vers 22. Hij nam de wolkkolom des daags en de vuurkolom des nachts niet weg van het aangezicht des volks.

Een veilig Geleide

Ons leven hier op aarde wordt niet zelden vergeleken met het afleggen van een reis. Bekend is de uitdrukking dat wij reizigers naar dood, graf en eeuwigheid zijn.

Nu hangt er, als wq hier op aarde een reis ondernemen, alles vanaf dat wij behouden aankomen op de plaats onzer bestemming. In de meeste gevallen gebeurt dat ook en komen we waar wij wezen willen. Toch gebeurt het wel eens dat het doel van de reis wordt gemist.

Dat daar soms maar weinig vooruoodig is, hebben wij weer gezien aan de ontzettende spoorwegramp die voor een paar weken niet ver van de hoofdstad van ons land heeft plaats gehad en waarbij de dood van meer dan veertig slachtoffers te betreuren viel. Zij bereikten het doel van de reis hier op aarde niet, maar inplaats daarvan bleek aan de oevers van het Merwedekanaal het eind van hun reis naar de eeuwigheid gekomen te zijn.

En zoo nu zou het ook met ons kunnen zijn. Ook wij weten niet waar en wanneer het eind van onze levensreis bereikt zal wezen. Niet onmogelijk of ook wij zullen eenmaal op gelijke of dergelijke wijze voor den rechterstoel des Heeren geroepen worden. En ook al werden we voor dergelijke rampen bewaard, dit weten we toch zeker, dat ook de spoortrein van ons leven het eindstation eens zal hebben bereikt.

En zoo is dit maar de vraag of dat voor ons ongelukkig dan wel gelukkig ïal zgn. Weet ge waar dat van afhangt, of wij Hem tot reisgezel hebben aan wien tet woord dat we hierboven schreven ons een herinnering is.

Dat woord immers bepaalt ons ook bij een reis en wel bq de reis die Israels volk eenmaal ondernomen heeft, toen het van Egypte naar Kanaan trok. Nu is er zeker geen enkele reis die meer punten van overeenkomst vertoont met de reis van een christen naar de eeuwigheid dan deze reis van Gods oude bondsvolk.

Wat een lange en bange tocht is dat geweest, maar hoe hebben zij het ook telkens op wondere wijze ervaren, dat de Heere hun metgezel was. En dat ten slotte hun voeten het land der belofte betreden hebben, het vond zijn oorzaak hierin dat de Heere de wolkkolom des daags en de vuurkolom des nachts niet wegnam van het aangezicht des volks.

Ja, de Heere zelf bleek op dien tocht de trouwe Geleider zijns volks te zijn. En nu ligt er een rijke gedachte in het zichtbare teeken, waaraan de Heere hier zijn goddelijke tegenwoordigheid verbinden wilde. Dat was n.l. het teeken van een kolom of een zuil van wolken, die des nachts in een vuurkolom veranderd werd.

Deze wolk diende in de eerste plaats om Israel te beschermen tegen de hitte des daags. Immers vooral in de woestijn was het anders een verzengd worden door de brandende stralen van de Oostersche zon. Maar door die wolkkolom werd Israels volk voor de hitte van de brandend heete zonnestralen beschut. De zon bleef er dus wel, maar achter of liever onder die wolk hadden zij geen last meer van haar hitte en mochten zij zich alleen verheugen in haar licht.

Bovendien schijnt naar de verklaring van sommige uitleggers, de Heere nog een doel met die wolkkolom gehad te hebben, nl. om Zijn volk ook telkens te verkwikken met regen of dauw. Vandaar dat de apostel Paulus in 1 Oor, 10 dan ook zou gesproken hebben van een gedoopt worden in de wolk; ja, vandaar dat ook de dichter van Psalm 68 met het oog mede daarop zou hebben gezongen: Gij hebt zeer milden regen doen druipen, o God, en Gij hebt Uwe erfenis gesterkt, als zij mat was geworden.

Maar hoe dit ook zij, in ieder geval bligkt het de bedoeling van de wolkkolom geweest 'te zijn om Israels volk tot beschutting en bescherming te zijn. En wat dunkt u, zou die wolkkolom in de woestgn daarin niet een symbool, een beeld geweest zijn van Christus? Ja, evenals de Heere zich in de wolk openbaarde als een Leidsman van Zijn volk Israel, zoo heeft God de Heere aich in de mensehelijke natuur van den Middelaar geopenbaard als een Leidsman van al Zijn volk, waar zij ook wonen en wie zij ook zijn.

En die menschelijke natuur van Christus is tevens de wolk, die de verzengende stralen van Gods hittigen toorn heeft opgevangen en die nu al 's Heeren volk tegen de brandend heete stralen van het recht des Heeren bedekt.

Neen, als die wolk er niet geweest was, m. a. w. alg Christus in Zijn menschelijke natuur den last van Gods toorn niet gedragen zou hebben, dan was het in de woestijn van dit leven niet uit te houden geweest. Dan zouden wij allen door de verzengende stralen van Gods heilig en onkreukbaar recht reeds lang verteerd zqn geworden. Dan zou het leven hier op aarde, nu een woestijn, reeds in een hel veranderd zijn.

En wanneer nu Gods ontdekkend licht over onze zielen is opgegaan, dan verstaan wig dat ook. Dan beseffen we dat we vanwege onze zonden door de stralen van Gods wrekend recht verteerd zouden worden, als er geen hut was tot een schaduw tegen de hitte. Maar nu is er aulk een hut; immers nu heeft de Heere zelf over alle woning vio'den bdrg Zion en over Zijne vergadering geschapen een wolk des daags en een rook en den glans eens vlammenden vuurs des nachts, want over alles wat heerlijk was, zou een beschutting wezen.

En welgelukzalig de mensch, die nu door het geloof onder die wolk Christus mag schuilen. Ouder die betere wolkkolom toch is heel het volk des Heeren tegen de brandend heete stralen van Gods gramschap beschut. Onder die wolk zgn aij veilig. En niet alléén veilig, maar uit die wolk worden zij ook telkens met de wateren des Gesstes gedrenkt. Uit Christus' Middelaarsvolheid worden al Gods kinderen telkens weer verkwikt met den zeer milden regen van den Heiligen Geest. Immers evenals voor Israels volk in de woestgn van Paran, zoo kan het ook voor het geestelijk Israel in de woestgn van dit leven vaak zoo droog zijn en zoo dor. Maar wat een voorrecht dan dat de Heere telkens weer komt om ze niet alleen met de schaduw Zijner hand, met de wolk Christus te bedekken, maar dat zq uit die wolk ook telkens weer genade voor genade ontvangen, zoodat zij op de woestijnreis van dit leven telkens weer het Wootd des Heeren aan zich bevestigd zien worden:

Steekt hen de heete middagzon In ^t moerbeidal. Gij zgt hun bron. En stort op hen een milden regen. Een regen, die hen overdekt. Verkwikt en hun tot zegen strekt.

In de wolkkolom was de Heere Zijn volk tot een veilige beschutting; maar in de vuurkolom is Hij hun ook tot een heerlijke verlichting. Immers diezelfde kolom, die des daags een kolom van wolken was, bleek des nachts een kolom van vuur te zijn. Bij dag, als het volk gekweld werd door de brandend heete zonnestralen was de kolom donker, maar bij nacht, als alles rondom hen gehuld lag in stikdonkere duisternis, was de kolom licht. Gij moet nl. weten dat men in het Oosten niet alleen gewoon waste reizen bij dag, maar dat men het ook niet zelden deed bij nacht. En dan sprak het wel vanzelf dat men behoefte had aan licht. Het gebeurde dan ook vaak dat zich aan het hoofd van een karavaan iemand stelde, die in een klein - ijzeren vat een .brandend vuur droeg, hetwelk dan voor allen zichtbaar was, -

Welnu, zulk een vuur werd ook door Israels Leidsman voor hen uitgedragen. Wanneer zq dan ook bij nacht reisden, dan was het een vuurkolom, die zich daar aan den hemel voortbewoog.

Die vuurkolom had een drieledig doel. In de eerste plaats diende hq natuurlijk om hun ook in het nachtelijk duister den weg te wijzen. In de tweede plaats echter diende deze kolom, om het volk, dat anders zoo gemakkelijk van elkaar verwijderd kon raken, bij elkander te houden of weer te hereenigen. En inde derde plaats strekte die vuurkolom om het wild gedierte, dat juist bij nacht op roof uitging, van hen verwijderd Ie houden.

In al deze dingen nu bedoelt ook deze vuurkolom een zinnebeeld van Christus te zijn. In Zijnen Christus immers is de Heere voor al Zijn volk een zon en schild, een schild ter bedekking, maar ook een zon tot verlichting.

Het is dan ook wel opmerkelijk dat er niet twee kolommen waren, maar dat er slechts één kolom was, die des daags de gedaante had van een wolk en des nachts van een vuur, Zoo zijn er immers niet twee, maar daar is één Middelaar Gods en der mensehen, de mensch Christus Jezus. Ja, diezelfde Christus, die door Zijn Middelaarswerk Gods volk als een wolk beschut tegen de brandende stralen van Gods heilig recht. Hij heeft ook zichzelf voorgesteld als het Licht der wereld en Hij heeft er bij gezegd dat wie in Hem gelooft, in de duisternis niet wandelen zal.

En aan dat Licht der wereld heeft juist dat volk behoefte dat voor eigen bewustzqn in de duisternis wandelt en dat gezeten is in het land van de schaduwen des doods. En dat is met het geestelijk Israel zoo telkens weer het  geval. Ook zij moeten den tocht door de  woestijn van dit leven zoo telkens weer afleggen bij nacht. Het kan vaak zoo donker, van alle zijden zoo donker rond om hen zijn. En in die duisternis zijn het met name drie gevaren, waaraan zij  blootstaan. In de eerste plaats raken zij  zoo licht van den weg af, waarop zij  door den Heere werden geleid. Immers zij zijn tot hinken en tot zinken ieder  oogenblik gereed en ook na ontvangene genade zijn zij zoo gedurig weer gelijk aan „het schaap, dat dwaalt in 't rond  en onbedacht zijn herder heeft verloren."

En niet alleen van hun Herder, maar in die duisternis kunnen zij ook zoo gemakkelijk van elkander verwijderd worden. Zij voelen dan den band niet meer die hen met elkander vereent. De stokken liefelijkheid en samenbinders liggen zoo veelzins verbroken. Een ieder gaat waar het recht ia in zijn oogen en doet wat hem het nuttigst en het voordeeligst schijnt.

En als zij den Herder hebben verloren en zij hebben elkander verloren, dan hangt daarmee onmiddellijk saam het derde gevaar, dat zij n.l. een gemakke­lijk prooi worden voor den vijand. En daar zijn wat vijanden die het in de duisternis van den nacht op den onder­gang van Gods geestelijk Israel hebben toegelegd. Daar zijn wat wilde dieren die niets in 't woên ontzien en diejuifit in de donkerheid loeren hoe de zielvan Gods tortelduif door hun klauwen gegrepen kan worden. Ja, wie zal de gevaren tellen, waaraan Gods volk ten prooi is als de duisternis van den nacht van twqfel en ongeloof over hunne zielen is nedergedaald.

Maar hoe heerlijk als dan het oog des geloofs weer voor de vuurkolom-Christus ontsloten mag worden. Inamers dan blijkt ook die betere vuurkolom voor al Zijn volk te hebben een drieledig doel. In de eerste plaats leeren zij in dat licht weer den weg zien waarop zij door den Heere geleid zijn geworden. In Uw licht, zegt de dichter, zien wij het licht.

Maar in de tweede plaats leeren zij in dit licht ook elkander weer vinden. Of is het niet zoo, hoe nauwer Gods kinderen in gemeenschap met hunnen Christus leven mogen, zal des te nauwer ook de band niet wezen die hen aan elkander verbindt en zal het, bij al wat uitwendig scheidt, niet des te meer verstaan worden: één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen die daar is boven allen en door allen en in hen allen.

En als Gods kinderen zoo in het licht van de vuurkolom Christus wandelen mogen, zal door die nachtelijke vuurzuil dan ook hun vijand niet verdreven woren ? Is. de Heere dan niet een vurige uur rondom alle degenen die Zijn eigendom zijn ? En zal dus met het oog daarop et lied van den dichter niet telkens eer getokkeld kunnen worden op de snaren hunner zieI:

Ik zal  door's vijands zwaard niet sterven, Maar leven en des Heeren daên waardoor wij zooveel heils verwerven, Elk tot Zijn eer doen gadeslaan?

De wolkkolom des daags tot een veiige beschutting, en de vuurkolom des achts tot een heerlgke verlichting. Maar de rijkste gedachte die er in de tof onzer overdenking ligt opgesloten, zeker wel deze, dat de Heere de wolkolom des daags en de vuurkolom des achts niet wegnam voor het aangezicht des volks.

Gesteld toch eens dat de Hèere dat wèl had gedaan, o, gij stemt het mij anstonds toe, nietwaar, dat Israels volk dan nooit in het land der belofte gekomen zou zijn. Neen, dan was het voor gansch het volk in die barre woestqn een jammerlijk omkomen geweest. Dan had hen bij dag de hitte verteerd en bij nacht waren zij door hun vijanden overvallen en verslagen geworden„

Maar nu heeft de Heere zoowel de wolkkolom des daags als de vuurkolom des nachts niet van hen weggenomen.

Telkens vinden we dan ook in de gechiedenis van Israels volk van die wolk en vuurkolom melding gemaakt. Straks als de tabernakel gereed is, heeft hij zich op dat heiligdom nedergelaten en zoo is Israel de wolk-en vuurkolom gevolgd tot in en over den Jordaan, ja tot in het land Kanaan toe.

En wat dunkt u, zou deze wolk-en vuurkolom ook daarin niet als een rijk zinnebeeld van den Heere Christus kunnen worden aangemerkt. Immers ook Hij wordt niet weggenomen van allen die God vreezen en dat is de reden dat ook zij straks behouden zullen aankomen in het betere Kanaan, waar de ruste gesmaakt zal worden, die daar overblqft voor al 's Heeren volk.

O, als de Heere die betere wolk-en vuurkolom eens wèl zou wegnemen van het aangezicht dergenen die Zijn eigendom zijn, gij stemt het mij toe, nietwaar, dat het dan in dé woestqn van dit leven voor hen een jammerlijk omkomen was.

Immers soms schijnt het wel eens als of de Heere de wolkkolom wegneemt en alsof de vuurkolom geen schijnsel meer geeft. En wat een bange en donkere tijden worden dan niet zelden doorleefd. Ja, als de Heere Zijn aangezicht in Christus wel eens een oogenblik voor Zijn volk verbergt, dan reeds worden zg verschrikt. En wat zou het dan wezen, indien de wolkkolom eens waarlijk werd weggenomen en de vuurkolom eens werkelijk zou uitgebluscht worden. Dan zou het immers met de torens van Zion in 't gezicht voor des Heeren volk nog een wegzinken zijn. Dan zou het hun dus net gaan als het die reizigers ging, die in de pas verongelukte trein zoo jammerlqk zijn omgekomen. Nietwaar, zq konden voor de spoorbrug te Weesp de torens van Amsterdam reeds zien en hebben dan ook ongetwijfeld niet anders gedacht dan dat zq binnen weinige minuten het station van de hoofdstad bereikt zouden hebben. Maar daar trok de Heere eensklaps Zijn machtige hand van hen af, en in minder dan geen tijd zagen de velen hun verwachting vergaan. En zoo nu zou het in het geestelijk leven ook zijn, als de Heere de wolken vuurkolom eens wegnam van het aangezicht dergenen die op reis zign naar de stad des behouds.

Maar ziet, daarvoor behoeft nu in het geestelijk leven nooit vreeze te zijn. Immers de Heere neemt de wolkkolom niet weg en Hij neemt de vuurkolom ook niet weg, Hij neemt Zijnen Christus niet weg van het aangezicht van hen die op reis zijn naar de hemelstad.

Integendeel, in Christus laat de Heere Zijn aanschijn altoos over hen lichten; in Christus houdt de, Heere de hand Zijner reddende zondaarsliefde altoos over hen uitgestrekt. Zelfs als zij gekomen zijn aan de laatste rivier die hen van het land der belofte nog scheidt, zelfs dan zal de wolkkolom hen niet verlaten en zal de vuurkolom hen niet begeven. Al ging ik ook,zégt de dichter, in een dal des schaduwen des doods, ik zou niet vreezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf die vertroosten mij.

En zoo zullen alle reizigers naar Zion dus eenmaal behouden aankomen in de stad die fundamenten heeft, in de stad, w«lks torens zij gezien, welks woningen zij begeerd, van welks straten zij gehoord hebben en welks Koning door hen geeerd, gediend en geprezen zal worden.

Hebt gij reeds goede hope, mijn lezer, dat ook gij straks behouden in die stad aankomen zult? Hebt gij reeds goede hope dat de trein van uw leven niet ontsporen zal, ook al zou misschien door het ontsporen van een trein uw leven uitgebluscht worden ?

O, dat hangt hiervan af, of uw oog reeds voor de wolk-en vuurkolom Christus Jezus ontsloten werd. Neen, als dat nog niet het geval is, dan hebt gij sulk een hope nog niet, of dan zou de hope die gij meent te bezitten, toch strats 'n valsche hoop blijken te zijn, Zonder die . wolk-en vuurkolom toch moet het voor u een omkomen worden. Zonder die wolkkolom zult gij straks verteerd worden door de stralen van Gods heilig en onkreukbaar recht en zonder die vuurkolom raakt gij het rechte spoor hoe langer hoe meer bgster, totdat het straks een wegzinken wordt in de plaats waar het altijd nacht en waar het eeuwig donker zal zijn.

Schrikkelijk wanneer de Heere, dié voor Zijn volk is een schaduw des daags en een licht des nachts, voor u niet anders zal wezen dan een verterend vuur door welks gloed gy tot in eeuwigheid verzengd zult worden. l

Of is dat misschien de vreeze die uw ziele vervult? Hebt gij verstaan dat gg de stralen van Gods heilig en wrekend recht niet verdragen kunt, o dan hebt gij noodig dat uw oog ontsloten zal worden voor de wolk des daags die de Heere over alle woning van den berg Zions geschapen heeft. Alléén onder die wolk toch zal er ook voor uw ziel beschutting en verkwikking zijn. O, dat de Heere Zelf door de werking Zijns Geestes uw oog er voor openen mocht. Want ja, de wolk is er wel. Anders zoudt gij, verslagene van hart, reeds lang verteerd zijn geworden. Maar uw oog moet er voor ontsloten worden. Dan eerst zult gg ervaren hoe veilig het is om onder de schaduw van 's Middelaars vleugelen geborgen te zijn.

Of is dat wel eens uw ervaring geweest, o dan hebt gij noodig dat de wolkkolom telkens weer in een vuurkolom veranderd zal worden. Immers ook dan reist gij, evenals Israels volk, zoo gedurig bg nacht. En wat kunnen die nachten vaak donker wezen, die nachten van droefheid over het leed dezer aarde, die nachten van benauwdheid over uw zonde en schuld, die nachten van twijfel of uw werk wel waarheid zouzgn. Maar gelukkig als nu in al die donkere nachten uw oog maar telkens weer voor de vuurkolom Christus ontsloten mag zijn. Hg is het immers die de doodschaduw in den morgenstond verandert en die telkens weer de duisternis tot licht maakt voor] uw aangezicht. Wat een rijke vertroosting voor al 'sHeeren volk dat ook die vuurkolom niet wordt weggenomen. Nu kunt gij immers onbevreesd voortreizen, want daar ginds in de verte rgzen de torens reeds van de stad des behouds. En neen, met die wolk-en vuurkolom boven u behoeft gij u niet te verontrusten dat gij in het geaicht van die stad nog omkomen zult. Immers het woord van den dichter zal ook aan u bevestigd worden:

Hij is, al treft n 't felst verdriet Uw Wachter, die uw voet Voor wankelen behoedt. Hij, Israels Waöhter sluimert niet. Geen kwaad zal u genaken, De Heer' zal u bewaken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken