Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Staat en Maatschappij.

7 minuten leestijd

Moeilijke dagen.

Het zal voor velen een genoegdoening zijn, dat de regeering een voorstel heeft ingediend tot het treffen van nadere voorzieningen tot bestrijding van revolutionaire woelingen.

Tot nog toe bevat de strafwet geen bepalingen ten aanzien van het voorbereiden vari omwenteling, zoolang dit niet den vorm aanneemt van samenspanning tot het misdrijf, omschreven in artikel 94 van het Wetboek van Strafrecht.

Die toestand zal nu veranderen, zoo spoedig de nieuwe voorstellen in werking treden. Dan toch zal het niet meer mogelijk zijn zon der de strafwet te overtreden, daden te doen, die de revolutie voorbereiden.

Terecht neemt de regeering het standpunt in, dat tegen allen, die den grondwettelijken regeeringsvorm willen aantasten, krachtig behoort te worden opgetreden.

Toch blijven er twee vragen te stelten, die de onmiddellijke aandacht verdienen.

De eerste is deze : waarom niet vroeger van regeeringswege werd ingegrepen. In vele opzichten is er reeds veel kwaad gesticht en heeft men den tijd gehad om zich te organiseeren.

En de tweede vraag is : waarom of met de behandeling van het wetsontwerp in de Kamer geen haast wordt gemaakt. Het ontwerp werd op 20 April ingediend en zal nu eerst op 5 Mei in de afdeelingen onderzocht worden.

In 1903 werd door de toenmalige regeering op doortastender wijze opgetreden.

Zeker is te verwachten, dat de revolutionairen in ons land alle middelen zullen aanwenden om het tot stand komen van de wet te bemoeilijken.

Daarom is het noodig, dat ons volk de regeering trouwer steunt dan ooit. Er kunnen nog moeilijke dagen aanbreken.

De gemoedsbezwaren.

De regeering heeft hare belofte ingelost en bij de Kamer het toegezegde wetsontwerp tot wijziging der Invaliditeitswet ingediend.

Bij deze wijziging wordt het standpunt ingenomen, dat met ernstige gemoedsbezwaren tegen de bestaande regeling behoort te worden rekening gehouden.

In het wetsontwerp wordt van de gedachte uitgegaan, dat eenerzijds voor den betrokken arbeider en zijne betrekkingen de voordeden van de Invaliditeitswet niet onherroepelijk verloren gaan en anderzijds de betrokken werkgever geen geldelijk voordeel krijgt boven den werkgever, die aan de verplichtingen der wet naar behooren voldoet.

Als criterium voor het bestaan van ernstige werkelijk gemeende gemoedsbezwaren wordt aangenomen het feit, dat de bezwaarde, werkgever of werknemer, geen enkele verzekering heeft gesloten.

Is deze maatstaf van beoordeeling aanwezig, dan kan patroon of arbeider of beiden van de verplichtingen ingevolge de Invaliditeitswet worden vrijgesteld. De Raad van Arbeid plakt dan de zegels op de rentekaart zoolang de werknemer in dienst is bij den vrijgestelden werkgever.

Wat het betalen der kosten aangaat, deze wordt voor den werkgever gevonden in een verhoogden aanslag in de inkomstenbelasting, eene verhooging gelijkstaande aan 1,5 maal de waarde der geplakte zegels. Het bedrag is te beschouwen als een afkoopsom, welke de werkgever betaalt voor de verkregen vrijstelling.

Deze regeling komt ons voor genoegzaam te voldoen aan de wenschen van hen, die tegen de Invaliditeitswet gemoedsbezwaren hebben.

De dienstboden en de Invaliditeitswet.

Als ernstig bezwaar tegen de Invaliditeitswet wordt in den laatsten tijd in het bijzonder van de zijde der huisvrouwen aangevoerd, dat de voor dienstboden, welke later huwen, betaalde premiën zouden zijn weggegooid geld.

Het hier bedoelde bezwaar mist evenwel elke grond.

De huwende dienstbode, die voortaan geen loondienst meer verricht, blijft volgens de Invaliditeitswet verzekerd, tot dat zij gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de verzekering te doen vervallen. In dat geval zijn de voor de betrokkene, zoolang zij dienstbode was, betaalde premiën niet voor haar verloren. Artikel 57 der Invaliditeitswet bepaalt, dat wanneer de verzekering vervallen is, het bestuur der Rijksverzekeringsbank vaststelt, welk bedrag aan vrije premiën ten name van den betrokkene zal worden geboekt. Die vrije premiën nu geven, ingeval de betrokkene invalidewordt, of den leeftijd van 70 jaar bereikt, recht op eene rente, waarvan het bedrag uit den aard der zaak onder meer zal afhangen van het aan vrije premiën ten name van den betrokkene geboekte bedrag. Uit dat wetsvoorschrift volgt derhalve zonneklaar, dat van „weggegooid geld" geen sprake is. De huwende dienstbode is bovendien bevoegd de verzekering voort te zetten, in welk geval de verdere verschuldigde premiën natuurlijk ten haren laste komen. Is zij verstandig, dan luistere zij niet naar de adviezen van op het gebied der verzekering volstrekt onkundigen, doch make zij gebruik van de gelegenheid in deverzekering te blijven. Zware geldelijke offers worden daarvoor niet van haar gevorderd. Zij kan immers krachtens artikel 195, tweede lid der Invaliditeitswet, zelve bepalen in welke loonklasse zij de premie voortaan wenscht te betalen, en kan derhalve volstaan met de betaling van een wekelijksche premie van vijf en twintig cent.

Welke voordeelen heeft deze vrouw bij de voortzetting van haar verzekering i» In de eerste plaats heeft zij ingeval van invaliditeit recht op een invaliditeitsrente, waarvan het bedrag weder afhangt van de betaalde premiën. Het spreekt vanzelf, dat de verzekerde, die de laagste premie betaalt, minder rente ontvangt, dan de verzekerde, die een hoogere premie (30, 40, 50 of 60 cent per week) betaalt. Wordt de gehuwde voormalige dienstbode b.v. na een verzekeringsduur van 20 jaar, invalide, dan heeft zij, bij geregelde premiebetaling van 30 cent per week, recht op eene rente van plm. ƒ2.20 per week.

Voorts geeft de wet aanspraak op eene ouderdomsrente bij het bereiken van den 65-jarigen leeftijd, deze rente bedraagt bij een verzekeringsduur van 40 jaar en een geregelde premiebetaling van 30 cent per week plm. ƒ 2.85 per week.

Overlijdt de gehuwde dienstbode met achterlating van kinderen beneden den 14-jarigen leeftijd, dan hebben die kinderen, ingeval de vader reeds is overleden, of hun moeder hun kostwinner was, recht op eene weezenrente. Die rente bedraagt b.v. na 30-jarigen verzekeringsduur, en eene premiebetaling van 30 ct. per week, plm. ƒ 1.80 per week.

Dit, wat betreft de geldelijke uitkeeringen.

De verzekering geeft echter nog een ander groot voordeel.

Stel, de gehuwde dieMfeode wordt ernstig ziek, b.v. tuberculeus, zoodat gevaar bestaat voor blijvende invaliditeit. Is zij nu onder de verzekering gebleven, ook al betaalde zij niet meer dan de laagste premie (dus ƒ 0.25 per week) dan kan zij geheel voor rekening van de Rijksverzekeringsbank worden opgenomen in een sanatorium (art. 100 der Invaliditeitswet).

Het belang der huwende' dienstbode gebiedt derhalve voortzetting van haar verzekering.

Een Nationale Wet.

Vrijdag, toen de eerste algemeene beschouwingen over de onderwijswet waren geëindigd, sprak Z. Exc. minister De Visser de hoop uit, dat op haar niet het stempel mocht worden gedrukt eener partijwet, maar dat eener nationale wet.

A. J. schrijft daarover in „De School met den Bijbel" het volgende :

„In drieërlei zin nemen we dat woord gaarne over.

Een nationale wet, omdat alle partijen en richtingen, voorzoover ze in de Staten-Generaal zijn vertegenwoordigd, con amore hebben medegewerkt tot de tot standkoming dezer wet ; omdat ze alle de overtuiging hebben verworven, dat ze bij deze wet het voor haar bereikbare hebben verkregen ; omdat ze alle deszins en des willens zijn aan deze wet een loyale en royale uitvoering te geven.

Ten tweede een nationale wet, omdat ze in staat zal blijken het peil der algemeene ontwikkeling van heel ons volk in belangrijke mate hooger op te voeren.

Een nationale wet ten slotte, omdat ze recht doet aan dat deel der natie, dat den grondtoon vertegenwoordigt van ons volkskarakter, gelijk dit, door Oranje geleid, onder invloed der Hervorming, omstreeks 1572, zijn stempel ontving ; recht aan dat deel van ons volk, dat ijvert voor de Christelijk-Nationale school.

Het zal een eere zijn voor ons rechtsche Kabinet zulk een nationale wet te Rebben gebracht in het Staatsblad.

Een eere voor alle partijen, indien ze het Kabinet in dezen den steun bieden, dien het verdient.

Zoo dit doel wordt bereikt, zal het kleine Nederland op het gebied van het Lager Onderwijs, wat de pacificatie — wat de vrijheid betreft — staan aan de spits der volkeren."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken