Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stichtelijke overdenking.

23 minuten leestijd

„En Piiatus schreef ook een opschrift en. zette dat op het kruis, en daar was geschreven : Jezus de Nazaréner de Koning der Joden. Johannes 19 vers 19.

Jezus de Nazaréner, de Koning der Joden.

Zoo was dan de Man van Smarten op Golgotha aangekomen. En daar had nu Vv^eldra de terechtstelling plaats. Het duurde niet lang of de gezegende handen en voeten des Heeren waren aan het kruishout genageld, en daar stond nu de Boom des levens die van maand tot maand zijn vrucht zou geven en welks bladeren tot genezing der heidenen zouden zijn.

. Naar de-Romeinsche gewoonte , moest echter boven het kruis een opschrift geplaatst worden waarin de naam en het misdrijf van den veroordeelde duidelijk uitkomen moest. • _ „, i'

Waarschijnlijk is de Stadhouder eerst i'etwat verlegen geweest met wat bo.ven het kruis van den onschuldig veroordeelde gezet moest worden. Maar weldra meent hij een geschikt opschrift gevonden te hebben.

Ik zeg : Piiatus meent het gevonden te hebben. Maar in werkelijkheid was het zoo niet. Of denkt gij ook niet dat ook in het vinden van dat opschrift Piiatus slechts een instrument in de hand des Heeren, is geweest ? Neen, dat opschrift boven het kruis is niet het opschrift van Piiatus geweest. Het was het opschrift dat de Heere zelf had uitgedacht. Ook in deze kon Piiatus niet anders doen dan wat Gods hand en Gods Raad te voren bepaald had dat geschieden zou.

Het is dan ook wel opmerkelijk dat evenals de 'hoogepriester Cajaphas zonder dat hij het zelf wist, een teekeming gegeven had van het hoogepriesterlijk werk des Heeren, dat evenzoo Piiatus, de vertegenwoordiger der wereldlijke macht, een teekening gaf van 's Heeren koninklijk werk.

Niet waar, de hoogepriester had gezegd : het is nut dat een mensch voor het volk sterve en niet het geheele volk verloren ga. Een onbewuste maar niettemin duidelijke profetie dat Jezus zich priesterlijk offeren zou voor de zonden Zijns volks. Piiatus meent dat hij geen beter opschrift boven het kruis kan zetten dan : Jezus de Nazaréner, de Koning der Joden. Een onbewuste maar niettemin duidelijke profetie van wat ons het „Pro Rege" „voor den Koning" vertolkt.

Jezus de Nazaréner, de Koning der Joden.

Komt gaan we achtereenvolgens uwe aan dacht bepalen :

1°. bij de verlossing die deze Koning bereidt.

2°. .bij de verachting die deze Koning ondergaat.

3°. bij de heerschappij die deze Koning oefent.

4°. bij de onderdanen die deze Koning bezit.

Als wij het opschrift boven 't kruis goed lezen, dan beginnen we aan 't begin. En dan zien we daar eerst staan den naam Jezus, Dat was de naam waarmee deze Koning genoemd was reeds voor Hij in het lichaam Zijner moeder was ontvangen. „Gij zult Zijnen naam heeten Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden." Zoo liad reeds de engel des Heeren tot Maria gezegd. „Zoo werd Zijn naam genaamd Jezus." Op deze wijze wordt ons door Lukas de naamgeving des Heeren op den achtsten dag na Zijne geboorte medegedeeld. En we kennen allen de diepe, de rijke, de kostelijke, de heerlijke beteekenis, die in dien naam Jezus besloten ligt.

In dien naam Jezus .ligt de verlossing van gansch de Kerk des Heeren. Immers we weten dat gansch de menschheid van nature in schuld en vloek voor God verloren lag. O zeker, de Heere had ons geschapen naar Zijn goddelijk deugdenbeeld. In het Paradijs, levende nog in den staat der rechtheid, was daar geen band die ons knelde. Wij verlustigden ons in de hoogste vrijheid, die tevens .de, hoogste gebondenheid aan onzen Schepper en Formeerder was. Maar sinds het oogenblik dat Adaim en Eva zich lieten verleiden, zijn dè slavenboeien ons aangelegd. Sinds dat oogenblik zucht de gansche schepping in de m«est wreede slavernij. Gebonden in verdrukking en ijzer, dat kan van gansch de menschheid, dat kan dus van nature ook van de gemeente des Heeren getuigd. En nu was daar niemand om ons te verlossen ; daar was niemand om te jierstellen wat door de zonde bedorven was; niemand om te genezen wat door de zonde hopeloos krank was geworden, niemand om tot zijn bestemming te brengen wat door de zonde die bestemming had gemist.

- . p.e greo*e^4jodr die 't recht verdedigt, sloeg van 's hemels troon Zijn oogen naar beneden, op Adams kroost, doorzocht hun hart en zeden. Hij zag of zich geen mensch verstandig dfoeg. En naar Hem vroeg. Hij zocht alom, maar ach, Hij vond er geen.

ja, de Heere zag toe, maar daar was niemand die hielp, en, Hij ontzette zich en daar was niemand die ondersteunde. Maar daarom heeft toen Zijn arm Hem heil .beschikt en Zijn grimmigheid die heeft Hem ondersteund.

Toen de verlossing onzer zonden van onze zijde een afgesneden zaak bleek te zijn, toen heeft de Heere hulp besteld bIJ een Held. En die Held was de Koning die thans aan he, t vloekhout des kruises geklonken was. Die Held was de Zaligmaker die zich gev/Hlig in de handen Zijner vijanden had overgegeven.-Dile Held was het Lam Gods dat daar op Gabbatha reeds gestaan had met doornen gekroond, met een spotkleed omhangen, met een rietstaf in de hand. Die Held was Gods Herder, de Man die Gods metgezel was, tegen Wien thans het zwaard was ontwaakt en die daar nu hing beladen met de schuld, beladen met den vloek van Zijn volk. Neen, om ons van de schuld, om ons van den vloek te verlossen was daar geen andere weg dan de weg dat deze Koning zich had laten onttronen, de weg dat Hij inplaats van te zitten op een troon, thans hing aan een kruis.

En o, gelukkig, als wij nu mogen zien dat wij dezen Koning in de eerste plaats als een Jezus, als een Verlosser behoeven. Gelukkig, als wij onszelven toekneld weten door de banden .der zonden, die tevens zijn de boeien des doods ; gelukkig als wij misschien iets kennen van dat : de banden des doods hadden mij omvangen en de angsten der hel hadden mij getroffen ; ik vond benauwdheid en droefenis. Immers dan is het ook ons om een bevrijder, om een verlosser, om een redder, om een hersteller, om een vredestichter, om een zaligmaker te doen. Maar o, dat wij dan geen anderen bevrijder, geen anderen verlosser, geen anderen redder, geen anderen Zaligmaker begeeren mochten'^dan dien Jezus, die daar eenmaal heeft gehangen aan Golgotha's kruis. Immers als we een anderen bevrijder zoeken dan worden we niet bevrijd ; als we een anderen verlosser zoeken dan worden we niet verlost; als we een anderen zaligmaker begeeren dan worden we ndet zalig ; dan is er igeen ander vooruitzicht dan dat we eenmaal eeuwig rampzalig zullen zijn. Alleen als het ons te doen is om door Jezus bevrijd, om door Jezus verlost, om door Jezus zalig te worden, alleen als we aan den voet van Zijn kruis hebben leeren knielen met de bede : „Och, Heer', och wierd mijn ziel door U gered", dan zullen we ervaren dat daar aan dat kruffeen Jezus, een Redder, een Bevrijder, een Verlosser, een Zaligmaker van verloren zondaren hing; dan zullen we ervaren dat Piiatus zich niet vergist heeft toen hij als eersten naam van het opschrift den naam Jezus heeft gezet en daarmee onzen Koning heeft aangeduid als een Koning die voor al Zijn volk verlossing heeft bereid.

Maar niet alleen bij de verlossing die deze Koning bereidt, we zouden in de tweede plaats ook stilstaan bij de verachting die deze Koning ondergaat. En zooals ge reeds begrepen hebt, ligt deze verachting opgesloten in den naam „Nazaréner", die op den naam Jezus is gevolgd.

Jezus de Nazaréner. Jezus van Nazareth. - Eii, kan - uit Nazareth iets. goeds zijn ? O, we weten allen welk een diepe verachting men inzonderheid in Jeruzalem voor dat Galileesche Nazareth had. Uit Galilea en inzonderheijd uit Nazareth was nooit een profeet opgestaan. Hoe kon deze dan de aangekondigde Messias, de beloofde aan de Vaderen zijn ?

In dien naam „Nazaréner" lag dan ook de meest grievende smaad die den Heiland van de zijde der wereld werd aangedaan. In dien naam bleek zoo duidelijk dat Hij was, . zooals de profeet Jesaja Hem reeds had aangeduid : „veracht en de onwaardigste onder de menschen, een mah van smarten en verzocht in krankheid, en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem." O, wat was niet alleen de naam Jezus, maar ook de naam Nazaréner een gepaste, een geschikte naam om boven het kruis van Golgotha geschreven te worden.

Immers niets verachtelijker in de oogen der Joden dan de naam Nazaréner en niets verachtelijker in de oogen der Joden dan het hout der schande, waarboven die naam thans als opschrift geschreven stond.

Maar wat dunkt u, heeft Piiatus ook door dien naam Nazaréner geen voorspelling, geen kostelijke voorspelling gedaan ? Of is een gekruiste Jezus in de oogen der wereld nog steeds geen verachte Jezus ? Blijkt de gekruiste Zaligmaker nog steeds niet Jezus de Nazaréner te zijn ? O neen, de Heiland was niet alleen de Nazaréner, de verachte, toen Hij tijdens Zijn vernedering hier op aarde was en inzonderheid toen Hij .geklonken was aan ihet kruis. Een gekruiste Zaligmaker zou Nazaréner blijven en Hij is dat ook nog in onzen tegenwoordigen tijd. Of keert ook in onze dagen alles wat groot, alles wat hoog, alles wat voornaam is in de wereld zich niet met verachting van een gekruisten Zaligmaker af? Ach, een gekroonde Jezus wordt ook dqpr de wereld nog wel gezocht; een verheerlijkten Jezus wil .^desnoods ook de wereld , nog wel als haar Koning erkennen. Maar een gekruisten Jezus met het opschrift „Nazaréner" boven Zijn hoofd, aanvaardt het kind dezer wereld niet. Van zulk een Jezus heeft alles wat van deze wereld is een afkeer. Van Jezus den Nazaréner wordt het allerwege in het mid­ den van deze wereld gehoord : wij willen niet dat Hij Koning over ons zij.

En niet alleen In het midden der wereld, niet alléén buiten ons, maar van nature woont diezelfde afkeer, diezelfde haat tegen een verachten en een gesmaden en een gekruisten Koning ook in het diepst onzer ziel. Neen, ook wij willen niet van nature dat een verachte, een gesmade, een gekruiste Zaligmaker, een Jezus de Nazaréner Koning over ons hart. Koning over ons huis. Koning over ons leven zal zijn. Integendeel, van zulk een Jezus staat het van nature in het hart van ieder menschenkind geschreven : wijk van mij, want aan de kennis Uv/er wegen heb ik geen lust.

En weet ge hoe dat komt ? Ach, dat komt omdat wij van nature veel te hoog staan voor zulk een Jezus. Wij zitten van nature op den troon. En nu willen we wel een Jezus die ook op den troon zdt, maar we willen geen Jezus die aan het hout hangt. We willen wel een Jezus die de kroon der eere draagt, maar we willen geen Jezus die het verachtelijke woord Nazaréner boven Zijn kruis geschreven heeft staan.

En weet ge wanneer dat nu anders wordt ? Wanneer wij zelf van den troon van ons eigen ik worden afgeworpen, wan-„neer^wij 2^ien dat door de zonde de kroon ons van het hoofd is gevallen, wanneer wij bij ontdekkend licht des Geestes leerden verstaan dat onze plaats de plaats der verachting is : dat de plaats waaruit wij zijn voortgekomen in geestelijken zin Nazareth geheeten kan worden.

Ja, die naam Nazaréner dat is een naam die op u en op mij van nature van toepassing is. Kan uit Nazareth iets goeds komen ? Neen, uit de plaats waar wij van nature geboren zijn is nog nooit iets anders voortgekomen dan wat kwaad was in de oogen van God. Maar ziet, als we dat nu geleerd hebben, dan verstaan we dat Jezus de Nazaréner, Jezus de verachte, Jezus de gesmade, Jezus de gehoonde, een Zaligmaker is, die juist bij ons past. Dan beseffen we, dat we niet anders dan door een Jezus den Nazaréner verlost, gered en gezaligd konden worden.

En dan behooren ook wij tot het verachte en tot het gesmade volk. Neen dan behooren we niet tot degenen die door de wereld ten troon worden verheven, die door de wereld met de kroon der eere worden getooid. Integendeel, omdat de discipel-niet meerder is dan zijn Meester, deelen we dan in den smaad die Jezus den Nazaréner, hangende aan liet vloekhout der schande, is aangedaan. Omdat we > Nazareners zijn heeft de wereld voor ons dan weinig anders dan verachting en smaad. Maar als het oog des geloofs dan op den gekruisten Nazaréner gevestigd mag zijn, dan zal het temidden van al den smaad der wereld toch ook weer onze belijdenis zijn :

Wie mij veracht, God wou mij niet verachten Noch oor noch oog van mijn verdrukking wenden. Maar heeft gehoord, wanneer ik uij d' ellenden. Riep naar omhoog.

Maar we zouden in de derde plaats spreken over de heerschappij die deze Koning oefent. Immers ooK in dat opzicht heeft Piiatus zonder dat hij het zelf wist, de waarheid geschreven.

De Man die daar met doorboorde handen en voeten aan het kruishout hing, was inderdaad een Koning. Daar was niets aan te veranderen. Vandaar dan ook dat als de Joden straks naar Piiatus gaan om te vra­ gen een wijziging in het opschrift te brengen en niet te schrijven : Koning der Joden, maar dat Hij gezegd had : ik ben de Koning der Joden, dat Piiatus dat dan beslist geweigerd heeft, zeggende : wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven. Ook in dat woord lag meer dan Piiatus zelf wel wist, Immers hij kon het niet veranderen dat daar aan het kruis een Koning hing. Een Koning. Als zoodanig immers was de Heiland reeds gezalfd in Gods eeuwigen Vrederaad. „Ik toch heb mijnen Koning gezalfd over Zion, den berg mijner heiligheid." Als zoodanig was Hij reeds aangekondigd in de Schriften des Ouden Verbonds. „Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig en Hij is een Heiland." Als zoodanig had Hij zich reeds bij Zijn geboorte doen kennen: „Waar is de geboren Koning der Joden, want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten en zijn gekomen om Hem te aanbidden." Als zoodanig had Hij zich in Zijn gansche leven en niet het minst voor den rechterstoel van den stadhouder van Rome's keizer geopenbaard : „Gij zegt dat Ik een Koning ben." En dat Koningschap van dezen Konmg — dat natuurlijk van Zijn eeuwig Zoonschap wel onderscheiden moet worden — dat Koningschap bleek zoo absoluut mogelijk te zijn. Aan de macht en de heerschappij , van dezen Koning kon en mocht niets worden onttrokken. Of zou het woord uit den mond van dezen Koning Zelf straks niet vernomen worden.< : „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde" ? A11 e macht. Dus voor dezen Koning zou inderdaad niets te wonderlijk zijn.

Hij zou weldra Koning blijken te zijn over dood en over hel. Immers Hij zou den dood verslinden tot overwinning ; Hij zou de ijzeren deuren des grafs verbrijzelen en weldra zou het 'blijken dat Hij zelfs kon zeggen : Ik heb de sleutelen der hel en des doods. Maar niet alleen Koning over dood en over graf, over graf en over hel. Hij zou ook Koning blijken te wezen over de harten van Zijn volk. Of zou 't Zijn koninklijke macht niet wezen, waardoor .die harten verbroken en verbrijzeld zouden worden ? Zou het Zijn koninklijke macht niet wezen, waardoor de gebrokenen van hart zouden worden geheeld, waardoor de verslagenen van geest zouden worden verbonden en waardoor de bedroefden van ziel zouden worden getroost?

Nietwaar, we voelen dat allen dat zoowel voor het een als voor het ander niet minder dan Zijn koninklijke macht noodzakelijk was ?

Alaar ook daarmee moet ge niet meenen, dat de beteekenis van het Koningschap van dezen Gekruisten Koning zou uitgeput zijn.

O neen, dat had de dichter van Psalm 72 al beter verstaan : Ja, elk der vorsten zal zich buigen. En vallen voor Hem neer. Al 't heidendom Zijn lof getuigen. Dienstvaardig tot Zijn eer. Het Koningschap van dezen gekruisten Koning strekt zich dan ook veel verder uit. De heerschappij die Hij oefent moet veel breeder worden opgevat. Immers daar ds tenslotte niets, noch in den hemel, noch op de aarde, dat aan Zijn voeten niet onderworpen is.

Het is dan ook wel opmerkelijk, dat Piiatus 't bekende opschrift boven 't kruis niet slechts in één, maar wel in drie talen geschreven heeft. Zooals ook Johannes ons in het volgende vers meedeelt was het geschreven in het Hebreeuwsch, in 't Grieksch en in het Latijn. Juist daarin komt uit dat het Koningschap van, Christus een unlverseele beteekenis heeft. Immers het He-

breeuwsch was de taal van den godsdienst. In die taal hadden Israels profeten gesproken en hadden Israels zangers gezongen. In idie taal had Jezus Zichzelf als een Zaligmaker van verlorenen geopenbaard. In die taal waren dus de geheimen van den raad Gods tot verlossing van Zijn volk ontsluierd geworden. In die taal nu stond geschreven dat Jezus de Nazarener een Koning was. O, dat we allen verstonden dat Jezus in de eerste plaats in ons geestelijk, in ons godsdienstig, in ons kerkelijk leven Koning wil zijn.

Maar dat Koningschap des Heeren stond ook in het Grieksch. Nu was het Grieksch in die dagen de taal der beschaving, de taal van wetenschap en van "kunst, wat we in onze dagen zouden noemen de taal der cultuur. In idie taal waren de schoonste zangen der wereld gedicht. In die taal hadden de grootste wijsgeeren hun stelsels ontvouwd. Het Grieksch werd in die dagen dan ook door ieder man van ontwikkeling en beschaving geleerd. Dat het opschrift boven het kruis in het Grieksch stond, had dus deze bieteefcenis, dat die gekruiste Nazarener een Koning was niet alleen in het rijk van den godsdienst, maar ook in het rijk van wetenschap en kunst, in het rijk van welsprekendheid en wijsbegeerte. Als het wèl is, dan moet immers ook bij het beoefenen van deze dingen de eer van den gekruisten Koning gezocht.

Maar dan stond het Koningschap des Heeren ook nog in het Latijn. En zooals gij wellicht weet, waren de Romeinen in die dagen het volk van de Wet. Bij hen Berustte de heerschappij der wereld. Zij wisten dan ook het best hoe in de politiek de volken geregeerd moesten worden. Dat het opschrift boven het kruis in het Latijn stond, had dan ook deze beteekenis, dat met dien gekruisten Koning ook in het regeer en bestuur der volken, ook in de rechtsbedeeling die onder ons menschen van kracht is, gerekend moet worden.

En zoo gevoelt ge dat de drie talen waarin Pilatus geschreven heeft dat Jezus de Nazarener een Koning was niet anders beteekenen, dan dat deze Koning voor alle deelen van ons leven, in natuur en genade, Zijn wetten en Zijn ordinantiën gegeven heeft, zoodat de eer van dezen Koning ook op ieder terrein des levens moet worden gezocht, en we niet mogen rusten voor dat overal tje kruisbanier geplant staat van Hem die op Zijn kleed en op Zijn dijen den naam van Koning der koningen en Heere der heeren geschreven heeft.

Maar niet alleen over de verlossing dde Hij bereidt, over de verachting die Hij ondergaat, over de heerschappij die Hij oefent, we zouden in de allerlaatste plaats nog spreken over de onderdanen die Hij bezit. En dan heeft het opschrift gezegd, dat Hij de Koning der Jo d e n was.

Hij was dus — want ook daarin heeft Pilatus veel meer neergeschreven dan hij zelf wel wist en dan hij zelf bedoelde, — Hij was de Koning van een volk dat Hem niet als Koning wilde erkennen, maar dat Hem als Koning verwierp. Hij was de Koning van een volk, dait veracht en gesmaad was en dat weldra over de gansche aarde verspreid zou worden. Hij was de Koning van een arm volk, dat geknecht was onder het juk der vreemde overheersching, maar in wier naam — Jood, Judeër, Godlover — toch een rijke beteekenis lag.

En wat dunkt u, kunnen deze drie dingen nu niet op het geestelijk Israël, op de Kerk des Heeren, waarvan Jezus in werkelifkheid de Koning is, worden overgebracht?

Want zeker, tenslotte dan is de Heiland Koning over alles en dan is er niets dat zich aan Zijn heerschappij ontworstelen kan. Maar dat neemt niet weg dat Hij toch toijzonder als Koning van Zion, als Koning van Zijn duurgekochte Kerk kan worden aangemerkt. Wel heeft het Oud-Testamentisch Israël Hem verworpen en daarom zijn zij als volk straks ook door Hem verworpen, zoodat nu slechts enkelen uit hen zich onder Zijn heerschappij leeren schikken ; maar 't verbond met Abraham is thans op het Nieuw Testamentisch Israël overgegaan. En in dien zien kan Jezus dus nog altijd de Koning van Israël of de Koning der Joden genoemd. In dien zin wordt het dan ook alleen nog door de Kerk des Heeren van alle plaatsen gezongen : „en onze Koning is van Israels God gegeven."

Ja, de Koning der Joden. Immers in de eerste plaats zijn a'l Gods kinderen hierin aan de Joden gelijk, dat ook zij den Heere Jezus van nature als Koning verwerpen, dat ook pi uit en voor stichielf iü«t willen dat Hij Koning zal zijn ; ja, tenslotte is het hun schuld dat de Heiland daar eenmaal op Golgotha aan het kruis heeft gehangen.

In de tweede plaats zijn Gods kinderen daarin aan de Joden gelijk, dat ook zij zijn een gehaat en een veracht volk, dat verspreid is over het gansche wereldrond. Nietwaar, de Joden vindt ge overal ; hier wat meer en daar wat minder, maar slechts weinige plaatsen waar geen Joden zijn. Doch overal wordt met zekere minachting op de Joden neergezien. Welnu, ook overal wonen geestelijke Joden, kinderen van God, onderdanen van Koning Jezus, leden van Gods duurgekochte Kerk. Ook van hen wonen er op de eene plaats meer' dan op de andere, maar toch daar is schier geen enkele plaats of er wonen menschen die in oprechtheid den Heere vreezen. En soms zijn er plaatsen waarvan de Heere kan zeggen : Ik heb veel volks in deze stad. In de oogen der wereld echter zijn Gods kinderen nooit anders dan een verachte fakkel, een hutje in den wijhgaard en een nachthutje in den komkommerhof.

Maar dan is er nog een derde punt van overeenkomst tusschen de Joden en hen die in waarheid onderdanen van Koning Jezus zijn. En dat is dit dat ook Gods kinderen teilkens wee voelen het juk van de vreemde overheersching waaraan zij hier in dit leven steeds onderworpen zijn. In dat opzicht zijn zij dan ook een arm volk. Ik zal mij doen overblijven een arm en een ellendig volk, zegt God. Maar te midden van al hun armoede dragen zij toch een naam waarin een rijke beteekenis ligt. Of zijn allen die God vreezen .geen geestelijke Judeërs, geen geestelijke Godlovers ? O neen, ook dat zijn zij weer niet als zij zien op zich zelf. Immers dan is het: Heere, inplaats van eeren en loven onteeren en bespotten wij U. Maar als hun oog door genade voor hun Koning ontsloten mag zijn en hun leven is een leven door het geloof in Hem, dan wordt het hun niet tevergeefs toegeroepen :

Gaat tot Zijn poorten in met lof, Met lofzang in Zijn heilig hof.

Looft Hem aldaar met hart en stem. Prijst Zijnen Naam, verheerlijkt Hem.

Van zulk een volk nu blijkt de gekruiste Zaligmaker de Koning te zijn. Dat volk wordt door Hem verlost van de schuld en van de smet der zonde. Dat volk wordt door Hem geregeerd, bestuurd en geleid. Dat volk wordt door Hem behoed, t> ewaard en beschermd. Dat volk zal door Hem eenmaal ingeleid worden in dat betere Kanaan waar een iegelijk hunner onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom wonen zal en waaronder het regiment van dezen Koning de rust en vrede eeuwig zal zijn,

Wat dunki u. Zoudt ook gij reeds behooren tot dat volk, tot dat geestelijke volk der Joden, waarvan Jezus de Nazarener de Koning is? Wat dunkt u, hoe leest gij het opschrift dat Pilatus in drie talen boven het kruis heeft geschreven ? Ziet gij in dat verachtelijke opschrift reeds iets van 's Konings heeriijkheid? O, als dat niet het geval is, dan is het te vreezen dat gij van dezen Koning nog geen onderdaan zijt. Maar 'bedenk dan dat wie van dezen Koning nog geen onderdaan is, nog als een vijand tegenover Hem staat. En bedenk dan dat Hij eenmaal ook Koning zal (blijken over Zijn vijanden die niet gewild hebben dat Hij Koning zou zijn. O, wat zou dat schrikkelijk zijn, als gij eenmaal moest behooren tot hen die deze Koning straks zal verpletteren met een ijzeren scepter, die Hij eenmaal in stukken zal slaan als een pottebakkersvat. ,

En daarom geve God u een oog om het opschrift te lezen dat daar eenmaal boven het kruis heeft geschreven gestaan. En dat gij dan maar met den naam Jezus mocht beginnen. Immers dat is het eerste wat gij noodig hebt, als gij u zelf hebt leeren kennen als zondaar voor God. Dan hebt gij noodig een Redder, een Bevrijder, een Verlosser, een Borg die uw schuld betaalt en uw zonde verzoent. O, bedenk dan dat er geen andere naam onder den hemel gegeven is om u te verlossen dan die naam Jezus, lie eenmaal boven den gekruisten Koning geschreven stond.

Maar die Jezus is een Nazarener, een verachte, een gesmade Jezus, een Jezus van Wien de wereld niet gelooft dat Hij een gansch volk van de zonden verlost. Maar zou zulk een Jezus niet juist gepast zijn voor u. Immers als de Heere uw oog heeft geopend dan hebt gij van u zelf niet anders te belijden dan dat gij veracht en de onwaardigste onder de menschen zijL

O, 'dat ^ij het dan maar mocht wagen fm bij 4m vemchiteii ^ §«8ma4«ti j; e? tt6 uw toevucht te zoeken. Dan immers zult ook gij het ervaren dat die verachte Zaligmaker toch een Koning is, met Koningsmacht bekleed en met Komngsglorie omringd. Ja, als gij waarlijk in het geloof tot het kruis van dezen Koning uw toevlucht hebt leeren zoeken, dan zult gij ondervinden dat deze Koning machtig is om ook , u te maken tot een onderdaan van 'dat rijk van genade en vrede waar Hij alléén den scepter zwaait. En als gij door de almachtige werking van Zijn koninklijke genade tot Zijn onderdanen, dus tot het geestelijk volk der Joden behoort, laat het u dan een eere zijn om de eere van dezen Koning te zoeken. Bedenk dan dat in de veelheid van onderdanen des Konings heerlijkheid is en dat deze Koning waard is om door al wat leeft geloofd, geliefd en geprezen te worden. Laat uw leven dan een doorgaand bewijs zijn dat Pilatus niet tevergeefs boven het kruis heeft gezet : Jezus de Nazarener de Koning .der Joden. Ja, laat het dan een levende prediking zijn dat de dichter van den ouden dag gelijk had toen hij voor de Nieuw-Testamentische onderdanen van dezen Kruiskoning reeds zong :

Dan zal na zooveel gunstbewijzen 't Gezegend heidendom 't Geluk van dezen Koning prijzen, Die Davids troon beklom. Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen, Bekleed met mogendheên. De Heer' in Israël geprezen Doet wond'ren. Hij alleen.

H V.

J.


Predikatie uitgesproken op Zondag 9 April 1922 te Veenendaal bij ide openbare geloofsbelijdenis van vrouwelijke lidmaten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken