Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit het kerkelijk leven.

De oplossing van het kerkelijk vraagstuk.

15 minuten leestijd

 Geen toepassing van het evenredige vertegenwoordigings-stelsel moeten wij hebben. Geen E.V. dus, waarbij alle meeningen betreffende het evangelie gelijkgesteld worden. Want het Evangelie naar de Schriften heeft alleen recht in Gods Kerk en niet iedere willekeurige meening of opvatting aangaande dat Evangelie, waarbij niet zelden het Evangelie principieel wordt verworpen en fundamenteel ondergraven. Gods Woord alleen heeft autoriteit. En de evenredige-vertegenwoordiging is het individualisme in top ; het zou de zegepraal zijn in onze Ned. Herv. (Geref.) Kerk van de moderne-Kerk-idee ; welke wij hartgrondig verwerpen.
Ook geen Modus-Vivendi, waarbij de Ned. Herv. (Ger.) Kerk gesplitst wordt in verschillende Kerkgemeenschappen : een moderne Kerk, een ethische Kerk, een oonfessioneele-en een gerefo'rmeerde Kerk.
Wij voelen voor de Ned, Herv. (Ger.) Kerk, óók nu zij krank is en zoo zeer gedeformeerd. Maar wij voelen niets voor een Kerk, die officieel gaat zeggen : elk wat wils. Dat is hetzelfde als : laten wij den boel maar deelen !
Men wil voor de modernen zorgen, dat ze predikanten, preekbeurten, doops en avondmaalsbediening krijgen ; zoo ook voor de ethischen ; ook voor de confessioneelen ; óok voor de gereformeerden.
Binnen den tegenwoordigen bestuursvorm moeten plaatselijke gemeenten of groepen in plaatselijke gemeenten zich kerkelijk kunnen organiseeren, naar eigen beginselen. Waarbij dan natuurlijk voor de Kerk als geheel geen beginsel over blijft. Voor de Kerk in haar geheel blijft slechts het administratieve.
Zoo geeft de Modus-Vivendi de Kerk prijs aan de richting.
De Kerk als Kerk wordt begraven.
En wie het laatste niet wil, moet het eerste niet zoeken !
De Modus-Vivendi is een uitnoodiging tot almeer uiteengaan, want iedere groep krijgt recht, zelfs op gronden aan de liturgie ontleend, om zich afzonderlijk te organiseeren.
Dat zóó de ontbinding der Hervormde Kerk in verschillende groepen niet gestuit wordt, is duidelijk. Integendeel, 't wordt er juist door bevorderd, dat het ontbindingsprooes voortgaat. En dat dit ontbindingsprooes vroeg of laat op den dood van de Hervormde Kerk moet uitloopen, kan ontwijfelbaar zeker worden geacht.
De Modus-Vivendi zegt een wijze van leven te zijn, dienend om de Kerk levend te houden, te doen groeien en bloeien, mee opdat onze kinderen nog een plaats in die Hervormde Kerk zullen kunnen vinden. Maar het zal blijken te zijn een wijze van vermoorden der Hervormde Kerk; een middel om de Hervormde Kerk om hals te helpen, om den ondergang der Hervormde Kerk te verhaasten.
De Modus-Vivendi is inderdaad een modus-occidendi, een modus-moriendie, een wijze om de Kerk te doen sterven.
Bij de Modus-Vivendi vervalt ook de gemeente in haar geheel ; de plaatselijke Kerk wordt uiteenigerukt. ledere groep krijgt een stuk. Geen wijkverdeeling meer, doch verdeeling naar richtingen, die kris kras door elkaar gaan, héél de stad door. Gemeenschappelijke werkzaamheden worden onmogelijk gemaakt ; gemeenschappelijke stichtingen scholen, enz., zijn er dan niet meer. De leden der gemeente worden verdeeld en ingedeeld ; de armen eveneens ; de goederen worden pondspondsgewijze verdeeld enz. En het brengt mee, dat ieder partij kiezen moet; te meer fataal, waar de begrippen in geloofszaken en de opvattingen inzake de liturgische kwesties zoo hopeloos verward liggen bij honderden en duizenden. Maar men moet partij kiezen ; waarbij een jagen en jachten van de onderscheidene groepen-en richtingskerken. om uitbreiding van leden, van gebied, van macht, van invloed, van geld en van bezit.
De Modus-Vivendi is dan ook niets anders dan een groepsformatie ; maar tegelijk een moorderatie van de Kerk.
Dat kan men alleen doen, als men aan de Kerk, aan de HerVormde Kerk in dezen lande wanhoopt ; als men haar verklaart te zijn een valsche Kerk, die, hoe eer hoe beter, opgeruimd moet worden. Dan werkt men aan op een groepsformatie, om de Kerk den genadeslag toe te brengen en eigen groep zoo goed mogelijk te dekken.
Men verloochent de historie en de belijdenis van de Ned. Herv. (Ger.) Kerk.
Men wil niet meer in die kranke, gedéformeerde Kerk, zien een plantinge Gods in dezen lande. Men ziet er niet meer in de Kerk onzer Vaderen ; men aoht het niet meer een heilige plek, ons patrimonium, ons vaderlijk erfdeel, dat gezuiverd behoort te worden ; dat zich heeft te hervormen naar uitwijzen van Woord en belijdenis, 't Is dan slechts een warwinkel, waar niets meer van te maken is. Uitverkoop in een faillieten boel is het eenige wat overblijft.
De belijdenis van den eenigen Naam tot zaligheid moet bij de Modus-Vivendi worden verloochend.
En toch zegt men altijd, dat bij een Modus-Vivendi de gelegenheid ontstaat dat de richtingen en de groepen zich dan kunnen inspannen, om elkander te overtreffen in de openbaring des geestes en der kracht ! Om de Herv. (Ger.) Kerk kapot te trekken, zoodat de stukken her-en derwaarts vliegen.
Een toekomst-Kerk met gelijke rechten, met gelijke voorwaarden voor het modernisme, zoo goed als voor elke andere richting (Vrijmetselaars, Splritisten, Boeddhisten, Mormonen, enz. enz., kunnen dan óók komen binnen de grenzen van die toekomst-Kerk, met haar kamerverhuur-systeem) is er natuurlijk niet.
Voor den loochenaar van den Christus, zoowel als voor den belijder van dien eenigen Naam tot zaligheid, kan geen plaats zijn in de Kerk.
Wèl kan in deze de Kerk in deformatie zijn ; zij kan krank wezen ; door ontrouw door zondige en schrikkelijke nalatigheid.
Maar de Kerk kan zich op deze toestanden niet gaan inrichten, om alzóó, wettelijk geregeld, voort te leven.
Dan is de Kerk wèg ; en de ware belijders van den Christus zullen zich van die Kerk, welke dan geen Kerk in deformatie, maar een niet-Kerk geworden is, moeten onttrekken ; en zij zullen zich bij de ware Kerk moeten voegen.
Laat men dus bij zoo'n voorstel niet spreken van kerkelijken vrede. Dat kan misschien een idealist doen, die met Gods Woord geen rekening houdt en Christus niet kent en eerst als den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker.
Maar wij moeten spreken van het om hals brengen van dte Hervormde Kerk. En wij moeten ons aan die, zoo spoedig mogelijk, onttrekken.
Wij moeten heengaan. Wij kunnen niet zoo edelmoedig en zoo verdraagzaam zijn als de voorstanders van de Modus-Vivendi-beweging, omdat christen onze naam is. Ook kunnen wij niet meedoen, omdat wij de Ned. Herv. (Geref.) Kerk, hoewel deze grootelijks in deformatie, in verval is, nog beschouwen als een belijdende Kerk, hebbende Jezus Christus door geschiedenis en confessie, als het fundament ; op welk fundament de Heere die Kerk nog wil herstellen, blijkens de duidelijkste bewijzen Zijner trouw en genade, welke in het midden van die aloude Geref. Kerk gedurigilijk openbaar worden.
En daarom moet die Ned. Herv. (Geref.) Kerk niet kapot.
Die Ned. Herv. (Geref.) Kerk moet hersteld, gereformeerd worden ; weer opgericht uit haar diepen val; lop het fundament vastgezet, 't welk een eeuwig fundament is en nog van onder de Ned. Herv. (Geref.) Kerk niet weggenomen.
Zóó de dingen gezien, kan natuurlijk het voorstel van het Moderamen van het Convent (dat voor ons geenszins een voorstel is van onze Gereformeerde Kerkeraden) ons ook niet aantrekken.
Want dat voorstel laat de Ned. Herv. (Geref.) Kerk als zoodanig los en wil bevorderen dat de gereformeerde groep zich afzonderlijk zal gaan organiseeren, zich dan, verder niet bekommerend over 't geen de modernen, de ethischen, de confessioneelen, de Kohlbruggianen enz. doen. Alles mag achterblijven als Hervormde Kerk — als de gereformeerden zich dan maar als Nederduïtsch
Geretormeerde Kerken (die er al zijn sinds de beweging van 1886 en na de vereeniging van 1892) mogen openbaren.
Dat is natuurlijk óók een prijsgeven en loslaten van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk, waarin wij nu leven ; om zich als gereformeerde groep kerkelijk te organiseeren en dan héén te gaan.
Want ja, men zegt wel, dat men niet heen wil gaan.
Maar als men zich afscheidt van de Hervormde Kerk en als Nederduitsch Gereformeerde Kerken gaat leven ; als men de Herv. Kerk achterlaat voor de modernen, ethischen, confessioneelen, Kohlbruggianen enz., om zelf op te treden als Nederduitsch Gereformeerde Kerken (die er trouwens al zijn buiten de Hervormde Kerk), wat zou er dan voor aantrekkelijks in zijn, om aidministratief met de Ned. Hervormde Kerk (die men als valsche Kerk prijsgeeft) verbonden te blijven ? Als men zóó voor zichzelf gezorgd heeft en als men zóó degenen die achterblijven besohouwt, welnu, dan kan men immers niet anders dan als een blijden stond begroeten wanneer men heelemaal van elkander af is en heelemaal vrij kerkelijk leven kan, zonder gescharrel over kerkgebouwen, predikbeurten, kerkegoed, diaconiegeld enz. enz.
Dan hebben de mannen van 1886 het toch al een heel stuk verder gebracht, dan de voormannen van het Convent. Want in de Kerken uit de doleantie kan men de belijdenis in de hand nemen en men kan uit die belijdenis de kenmerken van de ware Kerk u voorlezen en men kan triumfantelijk vragen : hebben wij, mannen der doleantie, in onze Nederduitsch Gereformeende Kerken niet „de Kerk der belijdenis", waarnaar gij, mannen van het Convent, zoekt ?
En de mannen der doleantie zullen zeggen : Gij, die de Hervormde Kerk prijs geeft en haar loochent te zijn een Kerk, komt over tot ons, want wij hebben „de Kerk der belijdenis", waarom het u te doen is !
Wij kunnen niet anders zien, dan dat de Convent-mannen (die wij vooralsnog willen onderscheiden van onze gereformeerde. Kerkeraden) een afscheidings-Modus-Vivendi op 't oog hebben, waarvan het einide moet worden een Nederduitsch - Gereformeerd  kerkelijk leven naast en los van de Ned. Hervormde Kerk.
En dus in anderen weg en in ander tempo komen waar de mannen van de doleantie nu reeds 40 jaar bijna zijn.
't Moet wéér worden een losmaken van een groep gereformeerden van de Ned. Hervormde Kerk; met loslating van die Kerk als Kerk ; mee tengevolge hebbend dat de Hervormde Kerk vaster geklonken wordt in banden en dieper wegzinkt in het moeras.
Waarbij wij nu maar eens even willen veronderstellen, dat de Synode en de Kerk dat aan één groep — en wel aan de gereformeerden-groep — zou toestaan, om zich geheel zelfstandi'g te organiseeren, met voorbijgang in éen van de andere groepen. (Iets wat natuurlijk nooit gebeurt en steeds met algemeene stemmen zal worden afgewezen, waarom wij hier deze beweging zoo onpractisch vinden en de discussie over deze zaak zoo totaal onvruchtbaar achten !
Men wil blijkbaar een Modus-Vivendi voor de Gereformeerden alléén.
Wat geen oplossing van het kerkelijk probleem geeft. Maar wèl een afzonderlijk stellen, een afscheiden van een deel van de gereformeerden ; een uitpeilen van een gereformeerde kern uit de Hervormde schil, waarbij de Hervormde schil zal worden weggeworpen en de gereformeerde pit zal worden bewaard en verzorgd.
Dat dit zoo is, willen wij bewijzen aan de hand van het Concept tot reformatie, dat door het Moderamen vam het Convent — niet door de Kerkeraden — is opgesteld..
Sinds 14 Juni 1923 bestaat het volgende schema :

a. Voorbereidende maatregelen.
Art. 1. De namen dergenen die nu bij de Ned. Herv. Kerk behooren, maar voortaan bij „de Kerk der belijdenis" wenschen gerekend te worden, zullen op een lijst verzameld worden.
Art. 2. De lijst, met de namen dergenen, die zich voor „de Kerk der belijdenis" hebben opgegeven, wordt bij den Hervormden Kerkeraad ter plaatse ingediend. De Herv. Kerkeraden in de steden en in de dorpen zenden die lijsten naar het Classicaal Bestuur, waaronder men ressorteert. De Herv. Class. Besturen maken een verzamelstaat van de verschillende lijsten en zenden dezen verzamelstaat aan de Algemeene Syn. Commissie. De Syn. Commissie brengt eindrapport uit aan de Synode.
b. Uitvoering van het Plan.
Art. 1. Gemeenten waar men zich voegt naar de belijdems, zullen Nederduitsch-Gereformeerde Kerken heeten.
Art. 2. Groepen van minstens 100 meerderjarige doopleden die zich in zekere Hervormde gemeente hebben opgegeven voor „de Kerk der belijdenis" zullen zich plaatselijk eveneens constitueeren als Nederduitsch-Gereformeerde Kerk.
Art. 3. In de Nederduitsch-Gereformeerde Kerken wordt een Kerkeraad saamgesteld. Aan het Herv. Class. Bestuur worden de namen van de Kerkeraadsleden meegedeeld. (Zie ook art. 4).
Art. 5. Waar minder dan 100 meerderjarige doopleden zich bij „de Kerk der belijdenis" willen voegen, worden zij gerekend bij de meest naburige -Nederduitsch-Gereformeerde Kerk tot den tijd dat er méér dan 100 leden zijn en zij plaatselijk dan een Nederduitsch-Gereformeerde Kerk kunnen constitueeren.
Art. 6. De Nederduitsch-Gereformeerde Kerken vormen onderling Ringen en Classes.
Art. 7. De Ringen zorgen zoo spoedig mogelijk o.a. dat in den dienst des Woords en de bediening der Sacramenten zooveel mogelijk over alle Ned. Geref. Kerken gelijkmatig worde voorzien.
Art. 8. Na drie weken en binnen zes weken na invoering van dit reglement vergaderen de Ned. Gereformeerde Kerken in Class, vergadering, welke vergadering geconvoceerd wordt door de Herv. Class. Besturen. Iedere Ned. Gereformeerde Kerk vaardigt een predikant en ouderling af. In geval van vacature treedt een ouderling in de plaats van een predikant. De oudste predikant ter vergadering treedt voorloopig op als praeses.
Art. 9. Zoodra praeses en scriba van de Classicale vergadering zijn aangewezen, moet de Dordtsche Kerkorde van 1618—'19 worden voorgelezen. Ook zullen visitatoren worden benoemd.
Art. 10. De Ned. Gereformeerde Kerken zullen zich houden aan de Dordtsche Kerkorde, met terzijdestelling van al die bepalingen in de genoemde Kerkorde, die betrekking hebben op de voorheen vigeerende rechten der Overheid en op de gewestelijke Synoden.
Art. 11. De Classicale vergaderingen van de Ned. Gereformeerde Kerken zullen twee predikanten en twee ouderlingen afvaardigen naar de Synode der Nod. Gereformeerde Kerken.
Art. 12. De eerste Synode zal vergaderen te Dordrecht.
Art. 13. De vergadering van de Synode der Ned. Gereformeerde Kerken wordt geopend door den oudsten predikant die aanwezig is. Als de praeses gekozen is stelt deze de Agenda vast die de volgende punten bevat : a. memorie van de acta der Synode Nationaal 1618-'19 en arrestatie van de Drie Formulieren van Eenigheid en de Dordtsche Kerkorde ; b. regeling van het examineeren enz.; c. regeling van de (kerkelijke tucht enz.; de regeling enz. van de volgende Synode.
Art. 14. De Ned. Gereformeerde Kerken voorzien in de kosten van haar eigen eeredienst, behoudens haar rechten op het vruchtgebruik der kerkelijken diaconie-goederen en pastoralia en op het gebruik der pastorieën, toegewezen aan predikanten of predikantsplaatsen die aan de Ned. Gereformeerde Kerken komen.
Art. 15. De Ned. Gereformeerde Kerken zijn vrij van alle lasten en collecten door de Synode, Kerkvoogdij of Colleges van Beheer of den Hervormden Kerkeraad ingesteld en treffen maatregelen ter voorziening in haar eigen onderhoud en dat van den predikdienst en armenverzorging in nooddruftige Ned. Gereformeerde Kerken.
Dit laatste voor zooveel noodig Classicaal geregeld.
Art. 16. Predikantsplaatsen, bij het in werking treden van de bepalingen, bezet door predikanten die de Ned. Gereformeerde Kerken wenschen te dienen, gaan rechtens, met het recht op het daaraan verbonden tractement, over aan de Ned. Gereformeerde Kerk ter plaatse.
Art. 17. Predikantsplaatsen die in den overgangstijid ter beschikkinig bleven van den Nederlandsch-Hervormde Kerkeraad en gedurende vijf achtereenvolgende jaren onbezet blijven, worden ter beschikking gesteld van den Ned. Gereformeerden Kerkeraad. Omgekeerd worden predikantsplaatsen van de Ned. Gereformeerde Kerk in bovengenoemd geval ter beschikking gesteld van den Hervormden Kerkeraad enz.
Art. 18. Predikanten, die aan de Ned. Gereformeerde Kerken verbonden zijn en recht en verplichting hebben aan de Herv. Classicale Weduwenbeurs, houden deze rechten en plichten.
Art. 19. De Ned. Gereformeerde Kerken hebben recht op haar aandeel in het vruchtgebruik van de kerkelijke- en diaconiegoederen, die bij het in werking treden van deze aanwezig zijn.
Art. 20. In gemeenten, waar alleen een Ned. Gereformeerde Kerk is, zal men het beheer daarvan aan de diakenen laten.
In gemeenten, waar naast den Ned. Hervormden Kerkeraad een Ned. Gereformeerde Kerk ontstaat, zullen de baten der diaconie-goederen pondspondsgewijze naar verhouding van het aantal doopleden komen ten goede van beide diaconieën enz. ter voldoening aan de bepalingen hier gesteld, doen de Kerkeraden der Ned. Hervormde Gemeenten en die dier Ned. Gereformeerde Kerken vóór 15 Januari een opgave aan 't Herv. Classicaal Bestuur van het aantal doopleden op 31 December.
Art. 21. In gemeenten, waar naast den Hervormden Kerkeraad een Ned. Gereformeerde Kerk ontstaat, worden de kerkgebouwen kosteloos tot haar mede-gebruik afgestaan volgens rooster enz., waarbij met de voordeelen en nadeden aan gebouwen en tijd der godsdienstoefeningen verbonden, gerekend wordt voor beide partijen.
Art. 22. De Ned. Gereformeerde Kerken in gemeenten waar een Hervormde Kerkeraad blijft, zullen kosteloos medegebruik der kerkgebouwen hebben en zullen aan het onderhoud der kerkgebouwen bijdragen, als de Kerkvoogdij aan de volgende voorwaarden voldoet:
a. De Ned. Gereformeerde Kerken doen in het College van Kerkvoogden en Notabelen een aantal plaatsen bezetten evenredig met het aantal doopleden vergeleken met dat der Hervormde Gemeente.
b. Kerkvoogden doen rekening en verantwoording van het Beheer der kerkelijke goederen, enkel betrekking hebbende op de inkomsten der kerkelijke goederen en de uitgaven aan onderhoud der kerkgebouwen!
c. Het batig slot van die rekening (betreffende de kerkelijke goederen en de uitgaven aan kerkgebouwen) komt voor een evenredig deel aan de Ned. Gereformeerde Kerk ter plaatse.
d. Het nadeelig slot op die rekening komt op dezelfde wijize evenredig ten laste van de Ned. Gereformeerde Kerk.

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken