Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Huiscatechisatie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Huiscatechisatie.

Hoofdstuk III.

7 minuten leestijd

DE LEER VAN GOD.

i. Gods wezen.

8)

13. Vraag : Wie hebben aan dit bewijs niets ? Antwoord : De materialisten, die zeggen dat de materie of de stof de grondslag der wereld is en dat alle verschijnselen moeten worden afgeleid uit stoffelijke processen.
14. Vraag : Is die leer van de materialisten aannemelijk ? Antw.: Neen, de raderen van een horloge komen niet vanzelf, door de kracht van ijzer of staal, kunstig in elkaar om tot een uurwerk te worden ; de duizend letters, in de letterkast liggend, komen niet van­ zelf, door de kracht van het lood, zóó bij elkaar, dat ze saam een stuk leesbaar proza of een schoon gedicht vormen. Het schoon geheel vraagt om een levend, denkend wezen. Het schoon gevormd wereldgeheel vraagt om den levenden God als Schepper.
15. Vraag : Wat hebben wij te antwoorden wanneer de atheïst spottend vraagt: maar wat is dan de oorzaak van God, als God de oorzaak van de wereld is ? Antwoord : De christen belijdt, dat de eeuwige God een eeuwig onafhankelijke Geest is, zijnde dóór Zioh-Zelf.
16. Vraag : Welk bewijs voor het bestaan van God wordt naast het kosmologisch bewijs nog ontleend aan de geschapen wereld ? Antwoord: Naast het kosmologisch bewijs komt het teleologisch, bewijs (van het Grieksche woord telos, dat doel beteekent), 't welk hierop berust, dat alles in schoone orde niet alleen, maar dat alles zoo bij uitstek doelmatig is inigericht. Visschen hebben vinnen, vogels vleugels, landdieren pooten enz. .Die harmonisohe schoonheid en wondere doelmatigheid eerschapen wereld wijst op een denkenden geest en op een intelligentie (verstand) achter de dingen. Ermoet dus wel een bewust Wezen zijn, die alle dingen zoo doelmatig en zoo wijs heeft gemaakt. Dat Wezen is God.
17. Vraag: Is ieder het daarmee eens, dat alles zoo schoon en zoo doelmatig ingericht is in het heelal ? Antwoord : De pessimist-wijsgeer Arthur Schopenhauer (1788—1860) zegt juist, dat alles bewijst, voort te komen uit een drang tot leven, waarbij geen éénheid en schoonheid en doelmatigheid openbaar wordt. Hij spreekt van een alogischen wil of een wil vol tegenstrijdigheden. De bewondering voor de schepping is er dan niet en het geloof in God, die alles schoon gemaakt heeft, ontbreekt. Er moet gestreefd worden naar vernietiging van het leven. (Pessimisme.)
18. Vraag : Waarvan spreekt men ook wel in dit verband, op ongdoovig standpunt ? Antwoord : Men spreekt hi pantheïstischen zin; van een wereldziel, welke in alles zich ordelijk ontwikkelt.
19. Vraag : Hoe staat Kant hiertegenover ? Antwoord : Kant zegt, dat 't begrip doelmatigheid zeer subjectief is en dat de een doelmatig. en schoon noemt, wat de ader heel anders ziet.
20. Vraag : Bevredigt het materialisme ? Antwoord : De machtige, wondere orde en harmonie (denk aan de sterrenwereld) en de doelmatigheid die wij overal in de natuur opmerken (klimaat, jaargetijden, bevruchting van planten, bloedsomloop, enz.) doen in den mensch zeker niet allereerst de gedachte rijzen, dat de wereld het resultaat is van de wisselwerking van allerlei onbewuste krachten zonder doel, en dat dus alles vrucht van toeval zou wezen. Het lijkt zelfs onzinnig om dat te beweren en vol te houden. De schepping spreekt van den Schepper; wat dan ook het eerste artikel van onze aloude Apostolische geloofsbelijdenis is.
21. Vraag: ; Maar is er dan in de wereld en en het leven niet veel, dat op wanorde wijst ? Antwoord : De zonne heeft zeer zeker veel verwarring gebracht ; toch blijft alles, ook waar het door de zonde is scheefgetrokken, wijzen op den almaohtigen God, Schepper van hemel en aarde. Wiens heerlijkheid ligt over al Zijne werken. De christen blijft dan ook waarde hechten aan het kosmologisch en aan het teleologisch bewijs voor het bestaan van God. Deze bewijzen spreken tot het in den mensch wonend Godsbesef en een verzwakt en verflauwd Gods-besef kan hierdoor versterkt en verhelderd worden.
22. Vraag : Welke twee bewijzen voor het bestaan van God zijn ontleend aan het verstand en aan de zedelijke natuur des menschen ? Antwoord : Dit zijn het ontologisch en het moreel bewijs.
23. Vraag : Wat is het ontologisch, bewijs voor het bestaan van God ? Antwoord : Alle menschen hebben een Godsidee. Alle menschen denken zich een hoogste wezen, hoe verschillend ook. En omdat alle menschen zich een God denken, besluiten wij, dat er ook een God moet zijn.
24. Vraag : Wat leerde Cartesius in deze ? Antwoord : Cartesius of Descartes + 1650, die tot lijfspreuk had : „Ik denk, dus besta ik" (Cogito ergo sum) zei ook : de Godsgedachte zou er bij ons niet zijn, als God er niet was. De wereld der gedachten komt op uit de wereld van het zijn,
25. Vraag : Wie heeft critiek geoefend op die redeneering van Cartesius ? Antwoord : Het stelsel van Cartesius, dat de gedachte komt uit het zijn, heeft nog al critiek gevonden bij Kant. Deze betwijfelde, of de Godsidee recht van. bestaan had. Men kan hoogstens zeggen: alle menschen denken dat er een God is, maar dat die gedachte iets is, dat wezenlijk, bestaat, kan men niet bewijzen.
26. Vraag : Wat zegt de christen hierbij ? Antwoord : De christen zegt, dat het, toch wel niet aannemelijk is, dat alle menschen een Godsbesef en Godsidee zouden hebben als er niet wezenlijk een God was en de mensch niet van Gods geslacht ware. Uit het werkelijk bestaan van God vloeit de Godsgedachte bij de menschen. Daarom hecht de christen ook wel waarde aan het ontologisch bewijs, dat uit het denken tot het zijn besluit.
27. Vraag : Wat is het moreel bewijs voor het bestaan van God ? Antwoord : Het moreel bewijs zegt, omdat er moraal is bij de menschen, omdat zedelijke verschijnselen zich voordoen in mensch en menschheid, moet er een boog en alles besturend zedelijk wezen boven allen zijn, 't welk wij God noemen.
28. Vraag : Waar is die benaming „moreel" bewijs van afgeleid? Antwoord : Van het woord „mos", dat zede beteekent. Moreel is zedelijk ; immoreel onzedelijk. Kant sprak van den kategorischen imperatief d.w.z. er is in ons een zedelijike natuur, van waaruit een wetgeving uitgaat, voor ons leven. Wij hooren telkens krachtens die natuur : „Du solist." Er moet een Wezen zijn, die dat in ons poneert met zooveel dwingend gezag.
29. Vraag : Wat is dus de redeneering bij het moreel bewijs ? Antwoord: Een zedelijke wereldorde zonder een persoonlijk, rechtvaardig, heilig God ; zonder een souvereinen Wetgever, die heel die zedelijke wereldorde schiep en sinds bewaarde, is niet denkbaar.
30. Vraag : Geldt hier niet, dat de een zedelijk, geoorloofd, goed en recht noemt, wat de ander onzedelijk, slecht, verboden oordeelt ? Antwoord : Ook in deze heeft de zonde dies scheef getrokken, maar toch wordt bij ieder mensch gevonden : geweten, gevoel van verantwoordelijkheid, enz., en ieder voelt zich aan een zedelijke orde in zijn binnenste gebonden, het besef in zich omdragend, dat het goede beloond en het kwade gestraft wordt, is het niet in dit leven, dan na dit leven.
31. Vraag : Wat is wel een treurig verschijnsel op moreel gebied in onze dagen ? Antwoord: De nieuwe zedeleer bepaalt zelf wat goed en kwaad is en komt tot een afschuwelijke moraal. „Deugd en ondeugd hebben stuivertje verwisseld." Toch blijkt 't telkens weer, dat de moraal moet rusten op God en Zijn Woord en niet op den mensch en zijn verdwaasde, zondige lusten en leeringen. De moraal steunt op God en wijst naar God!
32. Vraag: Welke twee bewijzen krijgen wij nu nog, in verband staande met de verschijnselen onder de volkeren inzake religie en cultuur ? Antwoord : We krijgen nu nog het z.g.n. bewijs „uit de overeenstemming der volken" en het „historisch-theologisch" bewijs.
33. Vraag : Wat bemerken we onder alle volkeren inzake de religie en de cultus of Godsvereering ? Antw. : Vanaf de oudste volkeren is bekend: dat zij niet zonder religie, zonder cultus of eere-dienst zijn geweest.. Religie en Godsvereering is alzoo gemeenschappelijk goed der geheele menschheid. Geen volk of er is godsdienst, en dit wijst er op, dat de religie samenhangt met het wezen van den mensch. Het is een fundament van onze natuur. En waar overal cultus of Godsvereering is, is het niet aan te nemen, dat men zich overal bedriegt ; dat men overal zich bewust schijnt van onbestaanbare dingen. Zoo wordt het wezenlijk bestaan van God, door het algemeen menschelijk getuigenis inizake religie en eeredienst bewezen

(Vervolg komt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Huiscatechisatie.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken