Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stichtelijke overdenking.

De vrucht van de Opstanding.

10 minuten leestijd

„Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, die naar Zijne groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hope, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden. 1 Petrus 1 vers 3.

Evenals de Catechismus dat doet, doen Gods kinderen van alle tijden en alle plaatsen dat gaarne, naar 't voorbeeld van den apostel hier, om n.l. op te klimmen langs den weg der geloofsverzekerdheid, tot in de stille eeuwigheid, waar de wortel, de bron en de oorzaak ligt voor alle zaligheid, welke de Heere aan Zijn volk wil schenken.
Neen, gansch het heelal, het rijk der schepping; is niet van zelf geworden. Wij moeten beginnen met het eeuwig, ongeschapen, geestelijk Wezen, 't welk wij God noemen. (Art. 1 Ned. Gel. bel.). De eeuwige God heeft alles voortgebracht uit het niet, naar Zijn wil, met het enkele woord van Zijn alvermogen. En dat niet, zooals de filosofen wel willen verzekeren, vanwege Zijn armoede en Zijn troostelooze eenzaamheid. Neen in de stille eeuwigheid vinden wij den rijken, in Zichzelf algenoegzamen Drieëenigen God, Vader, Zoon en Heilige Geest, die naar Zijn vrijmachtig welbehagen in den beginne van den tijd alles schiep en sinds bewaarde.
Wat wordt zóó het scheppingswerk heerlijk en wat is er oorzaak voor de Gemeente des Heeren om steeds weer na te zeggen met het hart en met den mond : „Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde."
Hierin moet Gods Kerk een lof op aarde zijn voor dien God, die van eeuwigheid tot eeuwigheid is en door Wiens hand alle dingen zijn en blijven.
Maar veel méér klimt Sion op tot de eeuwige bergen van genade en liefde, waarop Jehova, Sions Bonds-God woont en troont, als het gaat over de zaligheid aan Zijn volk bereid in Jezus Christus.
Neen, het kan natuurlijk die eeuwige gedachten van den volzaligen Bonds-God niet verstaan. Het is te groot, zij kunnen er niet bij, niemand van Gods kinderen. Maar met heel hun ziel weten zij en zij getuigen het gaarne, dat de zaligheid niet in den mensch steunt en niet uit den tijd opkomt, maar dat het alles genadegifte is van den Drieëenigen God, waarbij zij den God en Vader van den Heere Jezus Christus gaarne loven en danken, als den God der verkiezing, die van eeuwigheid Zich een volk heeft verkozen, in Christus, tot zaligheid en vreugd.
De wortel van de Kerk ligt in de eeuwigheid en alles wat hier op aarde tot zaligheid en vree van Sion wordt geopenbaard, spruit voort uit het eeuwig welbehagen des Heeren.
Slaat Gods Woord maar op waar gij wilt en gij zult het overal vermeld vinden. En overal wordt Christus' Kerk opgeroepen en aangespoord om het vrijmachtig en souverein welbehagen Gods te prijzen, zeggende : „uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen." (Rom. 11 vers 36).
Het is een zoo heerlijke rust, om te mogen rusten in dat vrijmachtig welbehagen des Heeren ! Dan is er niets uit den mensch. Dan gaat het ook niet om iets uit den mensch. En als er dan geestelijke kennis der ziele mag wezen, met uitgangen des harten naar Jezus Christus, met droefheid over de zonde, maar ook met lust en liefde om naar Gods geboden te wandelen — o ! dan is er niets, niets uit den mensch, maar alles ligt en blijft liggen in Sions Bonds-God, die nooit laat varen wat Zijn hand begon en die telkens wil zeggen : „Ik doe het niet om uwentwil, maar ik doe het om Mijnentwil."
Weg, wèg met alle Remonstrantisme of alle verkapte, vleeschelijke werkheiligheid, waarbij de vruchten uit den mensch zijn, en daarom zeker afvallen als bladeren ; die weggestormd worden als rook uit den schoorsteen.
Om te mogen rusten in het eeuwig welbehagen des HEEREN, waar van Gods Kerk belijdt: „God is geen man, dat Hij liegen zou ; of een menschenkind, dat het Hem berouwen zou ; zou Hij het zeggen en niet doen; spreken en niet bestendig maken ? "
De Apostel Petrus gaat ons voor, om op te klimmen in het stuk der zaligheid tot in de stille eeuwigheid, waarvan geopenbaard Is, dat de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, naar Zijn eeuwig welbehagen, Zijn volk verkozen heeft. En die Hij te voren gekend heeft en uitverkoren, die komt Hij roepen in den tijd, ook rechtvaardigen in den weg des geloofs, om in den weg van wedergeboorte en bekeering de heiligmaking té schenken en straks de verheerlijking in de opneming daar, waar Christus is, zittende aan de rechterhand des Vaders In den weg der wedergeboorte leert de mensch dat kennen, gelijk Petrus er hier aan herinnert.
Want dan wordt de ziele wedergeboren en het harte wordt vernieuwd, om zich zelf recht te leeren kennen in den diepen val, om ook een oog te leeren krijgen voor Jezus Christus en dien gekruisigd ; om als nieuw geboren kinderen geestelijk te leeren verstaan de geestelijke dingen van Gods heerlijk Koninkrijk ; waarbij alles ontspruit uit dat eeuwig welbehagen van den Drieëenigen en volzaligen God, en alles door den Heiligen Geest genomen wordt uit Christus, die de wet Gods heeft volbracht, alle gerechtigheid bij God heeft vervuld en als loon op Zijn arbeid heeft ontvangen, om een zondig volk, zonder vlek en zonder rimpel aan den Vader voor te stellen, als Zijn bruid.
Wat moet Petrus zelf, — hij, die zoo diep, diep gevallen was in en door de verloochening van zijn Heiland, —door déze dingen volzalig getroost zijn geworden, toen de Heilige Geest dat alles aan zijn harte kwam heiligen in de openbaring van den opgestanen Heiland !
Toen viel Petrus wèg ; Petrus met al zijn deugd, óók met al zijn zonden.
En als een diep doorgeleid kind van God, mocht zijn ziele rusten in Gods eeuwig welbehagen, om te leven bij Zijn groote barmhartigheid, in welke de Heere hem had wedergeboren tot eene levende hope, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden.
Dat mocht hij zelf toen kennen, proeven en smaken.
Maar de Heere heeft hem toen ook willen gebruiken om, bekeerd zijnde, zijn broederen te troosten en de gemeenten te stichten.
Daar zijn z'n brieven bewijs van, waar de Heilige Geest door hem spreekt van 't geen „de verstrooide vreemdelingen op aarde" zoo noodig hebben, om telkens weer te gelooven en te beleven.
Christus, opgestaan uit de dooden, staat dan in het midden.
De opgestane Heiland is de volzalige Borg en Middelaar. In Hem heeft de Vader een welbebagen. En door Hem komt het welbehagen Gods over Zijn kinderen, waarbij de Heilige Geest getuigenis wil geven in die harten van lieflijke, heerlijke, groote dingen; aan de ziele toepassend de weldaden des heils, die hier In dit leven aan Gods kinderen in Christus geschonken worden, maar ook van die weldaden der zaligheid, welke voor hen zijn weggelegd daarboven in den hemel, om straks geopenbaard te worden, als de ziele ontbonden wordt, om met Christus te zijn.Wat zou voor de ziele van een arm zondaar heerlijker zijn, dan 't geen in Christus „opgestaan uit de dooden" ligt ? Immers niets !
In Hem is hun zonde verzoend ; de straf heeft Hij voor hen gedragen; door Zijne striemen wordt hun genezing geschonken; Hij is hun vrede en vreugd en zaligheid ; in Hem is God geen vertoornd Rechter meer, maar hun een liefhebbend Vader ; en door Hem is de hel overwonnen, de dood te niete gemaakt : de poorte der gerechtigheid is in Hem ontsloten, waardoor het rechtvaardige volk zal doorgaan, om God te ontmoeten tot eeuwige vreugd en zaligheid.
Dat zijn reëele dingen voor Gods kinderen. Dingen die werkelijk bestaan. Die waaracbtig verworven en die eeuwig verzekerd zijn.
Zoo is er een fundament. Een fundament waarop het geloof rusten mag. Een hecht en sterk fundament, dat van God, in Christus Zelf, voor Sion gelegd is. En op die dingen mogen nu Gods kinderen hopen. Daarop mogen zij nu hun verwachting stellen. Waarbij de Heere hen niet zal bescbamen, maar al Zijn beloften waar makend aan Zijn Sion zal openbaren, hoe volmaakt het werk van Christus is, hoe rijk Zijn eeuwig welbehagen is en hoe groot het goed is, dat voor Sion is weggelegd, om in de hemelen bewaard te worden als een onverderfelijke en .onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis Gods.
't Is weer Paaschfeest geweest.
Jezus Christus is krachtiglijk bewezen Gods Zoon te zijn, ten spijt van de loochening van duizenden, die Hem naar de kroon steken en Hem Zijn goddelijke heerlijkheid rooven.
In Hem heeft de Heere Zijn eeuwig welbehagen geopenbaard en Hij is bewezen een volkomen Zaligmaker te zijn voor een in zonden gansch verloren volk, dat niets, niets heeft om op te hopen buiten Hem. Welk volk de Heere nu door Zijn Geest weer bij vernieuwing een levende hope wil schenken, om, met liefdevolle uitgangen van een wedergeboren hart, met dien volzaligen Christus vereenigd, in blijde hope te wandelen, verwachtende de zaligheid, die in de kracht Gods bewaard wordt, om straks geopenbaard te worden in nooit gekende heerlijkheid.
Het evangelie van den opgestanen Heiland wil met nieuwe hope, met levende hope vervullen allen, die hun leven niet meer in eigen hand dragen, maar het verloren hebben, om het nu te mogen bezitten in Jezus Christus.
Is ook ónze hope vernieuwd ? Is ook ónze hope verlevendigd ? Is ook ónze ziele bijl vernieuwing vervuld met geloof, met hoop, met liefde ?
Voor een arme zondaarsziel ligt er in den opgestanen Heiland zoo rijke, zoo heerlijke vertroosting, naar het eeuwig welbehagen des Heeren !
Of — is onze hope nog lop dingen, die geen fundament hebben ? Bouwen we ons zelf nog een huis, waarbij Christus verworpen is, om straks dan ook inéén te storten, tot eeuwige teleurstelling?
't Gaat om den volzaligen Christus, die uit de dooden is opgestaan; om te zijn een volkomen zaligheid voor een arm zondaarsvolk.
En alleen wanneer ons harte, wedergeboren naar Gods groote barmhartigheid, door Gods Geest dien Christus heeft leeren aannemen in geloove, dan mag het gebouw van Gods gunstbewijzen ook óns tot woning zijn; waar de Heere Zijn volk wil troosten, om hunne harten te vervullen met een levende hope, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden.
Neen, Gods kinderen hebben dan nog nliet alles, om het te zien en om het te bezitten, zooals het is.
Wij kennen hier slechts ten deele en wij hebben hier slechts ten deele.
Maar de Heere wil hun de hope geven als een anker der ziel, om dat anker uit te werpen telkens weer, vooral in bange tijden van aanvechting en bestrijding door den Booze, in dien vasten bodem van Gods eeuwig welbehagen ; in dien vasten bodem : Jezus Christus, die dood is geweest, maar die nu leeft, zittende aan de rechterhand des Vaders.
Zoo moeten Gods kinderen in hope zalig worden.
Met levende hope hopende op de gewisse weldadigheden van Sions Bonds-God, die om Christus wil Zijn volk alle dingen schenken wil, hier in dit leven ten ideële en straks in de eeuwigheid volmaakt heerlijk.
Mag ook ónze ziele die blijde en levende hope kennen, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden ? Een blijde en levende hope, zoo heerlijk voor degenen die zich „vreemdelingen in de verstrooiiing" hebben leeren kennen'.
Een hope, die nooit beschaamt, tot roem en prijs van Hem, die Zijn eigen Zoon gaf tot een volzaligen Borg en Middelaar van een arm zondaarsvolk, om hen te maken tot erfgenamen des eeuwigen levens.

R.

M. V. O.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken