Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

De Wan

6 minuten leestijd

Mattheüs 3 vers 12.

De Wan.
De taak van Johannes den Dooper was een wegbereider te zijn van den Heere Jezus Christus. Dat hij dit werkelijk geweest is, blijkt zoo duidelijk uit Gods Woord. Neen, het was niet zijn begeerte om de groote schare uit Jeruzalem en omstreken rondom zich te houden. Wanneer Jezus Christus nadert, zegt hij tot zijn hoorders: Zie het Lam Gods. Hij wijst hen naar den Zaligmaker heen en het is zijn begeerte, dat de Christus moge wassen en hij minder worden.
Bovendien spreekt hij het telkens tot het in zichzelf zoo genoegzame volk van Israël uit, dat het bekeering van noode heeft. Zonder bekeering geen dageraad. Straks komt de Christus met de wan in de hand om Zijn dorschvloer te doorzuiveren. Om dit beeld goed te verstaan, moeten wij voor een oogenblik ons het oogsten van de tarwe in het gewijde land trachten voor te stellen. Wanneer in April of Mei de gerst en tarwe rijp geworden zijn, worden de halmen afgesneden, tot bundels gebonden en op ezels of muildieren geladen om ze naar den dorsvloer te brengen.
Elk dorp heeft een voor alle bewoners gemeenschappelijken dorschvloer. Het is een groote effen plaats, liefst een kaal rotsplateau. Heeft men dit niet in de nabijheid van het dorp, dan wordt er een gemaakt door den grond te effenen en met leem of klei te verharden. ledere dorpeling heeft op dien dorschvloer zijn eigen plaats, waar hij zijn gerst of tarwe samenbrengt.
Wanneer het graan gedorscht is, begint het wannen. Dit geschiedt meestal tegen den avond wanneer er wat wind komt. De landman neemt een grooten schep in de hand en keert 't gedorschte koren om en om tegen den wind in, zoodat de goede korrels verder uit het stroo en de doppen vallen en voor zijn voeten blijven liggen, terwijl het kaf aan den rand van den dorschvloer of nog verder op een hoop neervalt. Na afloop van het wannen werd het kaf in brand gestoken en het graan in de schuren verzameld.
Aan dat beeld uit het Oostersche landleven denkt Johannes, wanneer hij zijn hoorders bepaalt bij den arbeid van den Christus. Het volk van Israël moge een eenheid lijken, het is toch slechts schijnbaar. 't Is gelijk aan een dorschvloer, waar kaf en koren dooreen gemengd liggen. En gelijk het met Israël was, is het nog met de zichtbare Kerk.
Al wat christelijk heet is nog geen Christen. Nederlanid moge een christennatie worden geheeten, maar 't is daarom nog geen natie van christenen.
Wat een kaf in Israel, wat een kaf in onze dagen. Hoevelen zijn er niet, die wèl opgaan naar het bedehuis, maar voor het overige voortleven naar het goeddunken van hun hart. Hoevelen die evenals 't kaf dood zijn en geen vruchten der bekeering voortbrengen. Even­ als het kaf licht is, nemen zij het ook licht op. Zij maken zich niet druk om het heil van hun ziel. Zij zoeken niet eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid. Zij hebben de diepe ellende en verlorenheid van hun ziel niet leeren kennen en hebben daarom ook nooit de noodzakelijkheid van den Heere Jezus Christus voor eigen persoon leeren beseffen. Het is ook nooit de begeerte van hun hart geworden om evenals de tarwe vruchtbaar te zijn en vruchtboomen te wezen tot eere des Heeren.
Johannes zag er in zijn dagen zoovelen, die het kaf gelijk waren. En waar hij het zoo vreeselijik vond wanneer zij eenmaal voor eeuwig verloren zouden zijn in dat onuitblusschelijk vuur, waarschuwt hij hen nog en roept hen toe: Denkt er om, menschen, straks komt de geestelijke Landman en dan zal Hij Zijn geestelijken dorschvloer doorzuiveren. Al wie door Gods genade niet heeft leeren strijden om in te gaan, maar naar het goeddunken van zijn hart heeft voortgeleefd, zal door Jezus Christus evenals kaf in het onuitblusschelijk vuur worden geworpen.
O, het was een woord van waarschuwing voor hen, die slechts Israëlieten waren naar het vleesch, maar de geestelijke besnijdenis misten.
Maar het was ook een woord van troost voor het geestelijk Israël, voor de geestelijke tarwe, voor die zielen, die door Gods ontdekkende genade zichzelf als dood in zonden en misdaden hadden leeren kennen. Dezulken beschouwden zichzelf zoo dikwerf als kaf. Tot wat waren zij nut? Hadden zij niet verdiend om verworpen te worden! En toch, wat een smart dat ze zoo waren. Als machtelooze zondaren hadden zij leeren vluchten tot den troon der genade. De Farizeërs zagen dikwerf laag op hen neder. Johannes deed het niet. Hij zag in die zielen, die hongerden en dorstten naar de gerechtigheid, de tarwe van Christus. Ze waren Zijn tarwe. Hij had hen levend gemaakt. Voor hen was Hij gekomen om Zijn bloed te storten, maar Hij zou hen ook brengen in die geestelijke schuur, in dien schoot van Abram.
En wat Hij toen deed, doet Hij nog.
Ook in onze dagen leven kaf en tarwe te zamen. Telkens komt de Christus met Zijn wan. Met de wan van Gods Woord, dat een tweesnijdend zwaand is. Maar ook met de wan van Zijn oordeelen. Hoe dikwijls wordt het dan hier reeds openbaar, wat kaf en wat koren is. Maar ten volle zal dat eenmaal openbaar worden ten jongsten dage, wanneer Jezus Christus zal komen om te oordeelen de levenden en de dooden. Dan zal de scheiding volkomen zijn, de scheiding tusschen kaf en koren, tusschen goddeloozen en rechtvaardigen. Maar ook de scheiding tussdhen kaf en koren in het hart van Gods kinderen. O, wat een kaf zelfs in het hart van den verstgevorderde. Wat een werkheiligheid, een zelfingenomenheid, een zoeken van eigen eer. Wat meenen wij niet veel te zijn. Wat meenen wij dikwerf, dat we veel beter zijn dan anderen. Wat kunnen wij uit de hoogte neerzien op onze medereizigers naar de eeuwigheid. O, als de Heere het geloof, den arbeid en de gebeden van Zijn volk in de wan doet, wat vliegt er een kaf over den rand. Dan roept de ziel: Heere, nu zal het nog een eeuwig wonder wezen als ik ooit binnen zal komen. Ja, dat zal ook een wonder wezen. Maar we hebben ook te doen met een wonderdoend God, die nooit laat varen de werken Zijner handen. Hij zal Zijn tarwe in de hemelsche schuur samenbrengen. Geen korreltje zal er over den rand vliegen en bij het kaf terecht komen. Geen klauw zal er achterblijven. Hij zal hen leiden door Zijn raad en hen, hiertoe door Hem bereid, opnemen in Zijn heerlijkheid.
Daar zullen ze niet meer klagen over het kaf in eigen hart.
Daar zegt Paulus niet meer: Ik ellendig mensch.
Daar zal het allemaal tarwe wezen.
Lezer, waar zal uw plaats eenmaal wezen?
Dat hangt hiervan af, of gij kaf of tarwe zijt.
O, indien gij nog kaf zijt, dat ge dan nog vluchten mocht tot Hem, die bij machte is om van onnut kaf geestelijke tarwe te maken.
0-B.                           G. J. K.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken