Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HUISCATESCHISATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HUISCATESCHISATIE

5 minuten leestijd

De Schepping.
C. De oorsprong van den mensch
1. Vraag: Wat zegt de H. Schrift met betrekking tot de schepping van de mensch?
Antw.: Terwijl het Evolutionisme de mensch maakt tot een product van de natuur, leert de Schrift ons, dat de oorsprong van den mensch niet is te zoeken in de dierenwereld, maar in een  uitzonderlijke scheppingsdaad van den Almachtige, zóó dat de mensch een geheel éénig type vertegenwoordigt onder de schepselen. In het feit van 's menschen schepping ligt reeds opgesloten, dat het van eeuwigheid bestaat, zooals God zelf. De leer der Praeëxistentie (het voorbestaan) is dan ook onhoudbaar
2 Vraag: Op welke wijze heeft de schepping van den mensch plaats?
Antw.: De evolutietheorie leert, dat uit het anorganische zich het organische ontwikkeld heeft, en dit organische leven ontplooit zich steeds verder en vollediger, totdat uit het hoogste dier de lagere mensch te voorschijn treedt; en leze mensch evolutioneert zich steeds hooger en heerlijker, totdat hij eenmaal een engel en eindelijk een god wordt. De H. Schrift leert ons in Genesis I en II gansch iets anders en zegt, dat het Drieenig Goddelijk Wezen (Gen. 1: 26) met buitengewone zorg uit het stof der aarde den mensch heeft geschapen (Gen 2: 7). Door inblazing van den adem des levens werd de mensoh tot een Ievende ziel. De formeering van het lichaam is dus een scheppingsactie van God, waarbij elke evolutionistische gedachte uitgesloten is ; en de inblazing van den levensgeest, welke een geestelijke handeling Gods was (vergelijk Joh. 20: 22) maakt den mensch tot een hooger wezen, tot een eeuwig wezen op aarde. Zoo bestaat de mensch uit lichaam en ziel, wat gelijkelijk geldt voor man en vrouw, die menschen van gelijke waarde zijn, maar van onderscheiden geslacht, te zamen vormen zij de eerste en kleinste gemeenschap, een nieuwe éénheid. (Matth. 19: 4, 5, 6).
3. Vraag: Behooren mensch en dier tot één familie?
Antw.: Met de dieren werd de mensch op den zesden dag geschapen. Ook zijn lichaam werd gevormd met het stof; hij is aardsch uit de aarde. Maar hoewel de ongeloovige wetenschap allerlei aandraagt ten bewijs, dat mensch en dier van één geslacht zijn en bezeert dat b.v. de anatomische bouw van het menschelijk lichaam aantoont, dat lensah en dier tot één familie behooren elkander in den bloede bestaan — zoodat we, volgens Darwin, van huis uit in ons wezen en in onze natuur „beestachtig" zijn — nochtans is het duidelijk, dat grooter dan de onmiskenbare overbenstemming het diepgaand verschil is. De verticale stand, de vorming van hand, schedel en hersenen, wijzen op een andersoortig wezen. Maar veel meer komt het verschil uit door rede, zelfbewustzijn, gedachte, taal, godsdienst, zedelijkheid, wetenschap, kunst, enz.
4. Vraag: Wat is door niemand nog aangetoond?
Antw. Door niemand is tot dusver aangetoond waar, wanneer en hoe de dieren zich tot menschen hebben ontwikkeld. De mensch heeft altijd gevormd en vormt nog steeds een eigen soort in de wereld der schepselen.
5. Vraag: Is er bij de menschen éénheid in afstamming?
Antw.: Het oude Heidendom, b.v. de Indiërs, met hun Kasten-indeeling, ontkenden de éénheid in afstamming en leerden, dat verschillende soorten van menschen op verschillende wijze zijn geworden (polygenisme). Ook de wetenschap trad op als bestrijder van den gemeenschappelijken oorsprong aller menschen. De menschen waren volgens haar geen kinderen van één ouderpaar, doch nakomelingen van onderscheiden oertypen; hoewel later kentering in deze voorstelling is gekomen en de wetenschap feitelijk is gaan leeren, wat ook de Schrift leert, dat alle menschen afstammen van het eerste menschenpaar Adam en Eva (monogerasme). De Schrift weet van geen prae-adamieten, maar leert de éénheid van het menschelijk geslacht. Hoeveel verschil er ook besta tusschen rassen, zelfs tusschen volken, in uiterlijk, kleur en taal, toch zijn allen in grondtypen aan elkander gelijk; allen in wezen en naar eigenschappen aan elkander verwant en soortelijk verschillend van al de overige schepselen. De volkerentafel uit Genesis 10 is in deze van groote beteekenis. (Müller zegt: von diesem Kapittel muss alle Historie anfangen).
6. Vraag: Wat heeft de wetenschap aangaande de oudste volkeren aan het licht gebracht ?
Antw.: In strijd met de stoute beweringen van de evolutionisten, dat de oudste volkeren verre in beschaving moeten achter gestaan hebben bij de latere volken, heeft de wetenschap aan 't licht gebracht, dat hoe hooger men opklimt in de grijze oudheid der oude cultuurvolken (Babyloniërs, Egyptenaren, Indiërs, Chineezen, enz.) men een des te hoogeren vorm van godsdienst en cultuur bij hen aantreft. De wetenschappelijke gegevens pleiten dan ook niet tegen, maar veeleer voor de gedachte, dat de Heidenvolken langzamerhand zijn teruggezonken van een hoogeren toestand van zuiverder Godskennis tot een toestand, waarin de religie is ontaard in polytheïstische richting en is overwoekerd door allerlei soort van bijgeloof. Dit stemt overeen met het verhaal der H. Schrift wat schepping, zondeval, zondvloed en verstrooiing der menschheid' aangaat. De herinnering aan het Paradijs wordt bij de volkeren steeds vager,  om langzamerhand in den nacht van het Heidendom en veel-godendom en geesten vereering onder te gaan.
7. Vraag: Is de éénheid van het menschelijk geslacht van groot belang?
Antw.: Op deze eenheid in afstamming berust ook de algemeenheid van godsdienst en zedelijkheid. Ze zijn allen op éénerlei wijze geschapen, naar Gods beeld en gelijkenis. Eveneens berust op die éénheid van geslacht: de solidariteit, de erfzonde en de verzoening.
8. Vraag: Waar hebben wij, naar alle waarschijnlijkheid, de bakermat van het menschelijk geslacht te zoeken?
Antw.: In Azië, in 't Eufraat- en Tigris gebied, waar wij de oudste volkeren, de oudste talen,  de oudste beschaving vinden. Schrift en wetenschap getuigen beide, dat in Azië de oorsprong van het menschelijk geslacht ligt.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 februari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

HUISCATESCHISATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 februari 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken